Wet van 7 juli 1988, houdende regels betreffende loodsen

Loodsenwet
Versie geldig vanaf: 01-01-2002


Geschiedenis: Staatsblad 1996, 366;Staatsblad 1997, 580;Staatsblad 1997, 660;Staatsblad 1999, 30;Staatsblad 2001, 180;Staatsblad 2001, 481;Staatsblad 2001, 584

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de uitvoerende taken van de overheid ten aanzien van het loodsen van zeeschepen te beëindigen en in de plaats daarvan een openbaar lichaam voor beroep in te stellen als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, daarbij regels stellend over de opleiding tot loods en de bevoegdheid tot uitoefening van dit beroep, aldus tevens de grondslag scheppend voor de uitvoering van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het loodsen van schepen door Noordzeeloodsen op de Noordzee en in het Kanaal (Pb EG L33/32);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1987/88, 20290
Handelingen II 1987/88, blz. 3931-3946; 3960-3977; 3980-3981
Kamerstukken I 1987/88, 20290 (214, 214a, 214b, 214c, 214d)
Handelingen I 1987/88, blz. 1373-1379; 1383-1394 en zie ook: vergadering d.d. 5 juli 1988

ARTIKEL I
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. loods:
1°. registerloods;
2°. degene die voldoet aan de eisen met betrekking tot de vakbekwaamheid en geschiktheid vastgesteld krachtens artikel 5, eerste lid;
c. corporatie: de Nederlandse loodsencorporatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
d. register: het loodsenregister, bedoeld in artikel 21, eerste lid;
e. registerloods: degene die is ingeschreven in het register;
f. loodsplichtige scheepvaartwegen: de scheepvaartwegen waarop krachtens wettelijk voorschrift de kapitein van een schip verplicht is gebruik te maken van de diensten van een loods;
g. verwerken van persoonsgegevens, onderscheidenlijk verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens.

2. De begrippen in deze wet en de daarop berustende bepalingen hebben, tenzij anders is bepaald, dezelfde betekenis als in de Scheepvaartverkeerswet.

HOOFDSTUK II. DE LOODSEN

§ 1. Algemeen

Artikel 2

1. De loods adviseert aan boord de kapitein of de verkeersdeelnemer over de door deze te voeren navigatie. De loods mag met instemming van de kapitein optreden als verkeersdeelnemer.

2. Voor zover de loods zijn functie niet aan boord van het te loodsen schip kan uitoefenen mag deze de kapitein of de verkeersdeelnemer vanaf een ander schip of vanaf de wal adviezen en, voor zover hij daartoe ingevolge artikel 9 Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, verkeersinformatie geven. Indien zich aan boord van het te loodsen schip een loods bevindt kan een loods vanaf de wal aan deze loods adviezen en, voor zover hij daartoe ingevolge artikel 9 Scheepvaartverkeerswet bevoegd is, verkeersinformatie geven, in het geval van verminderd zicht, slechte weersomstandigheden of andere bijzondere omstandigheden.

3. Ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld die de loodsen voor en bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Deze voorschriften hebben onder andere betrekking op de omstandigheden en voorwaarden waaronder en de plaatsen vanaf waar de loods adviezen als bedoeld in het tweede lid mag geven.

Artikel 3

De loods is, voor zover hij handelt in de uitoefening van de in artikel 2 genoemde taken en bevoegdheden, slechts aansprakelijk voor schade door hem veroorzaakt door opzet of grove schuld.

§ 2. Registerloodsen

Artikel 4

1. Bij of krachtens verordening worden regels gesteld met betrekking tot de bevoegdheid van de registerloods ten aanzien van loodsplichtige scheepvaartwegen en categorieën van schepen. Deze verordening en de krachtens die verordening te geven regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met de belangen, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

2. Het is degene die geen daartoe bevoegd registerloods is, verboden diensten als loods aan te bieden dan wel te verlenen aan:

a. zeeschepen op loodsplichtige scheepvaartwegen; en
b. schepen die anderszins ingevolge een wettelijke regeling verplicht zijn gebruik te maken van de diensten van een loods.

3. Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet met betrekking tot schepen voor de vaart op loodsplichtige scheepvaartwegen, aangewezen krachtens artikel 11, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover die schepen op binnenwateren varen.

4. Het verbod, genoemd in het tweede lid, geldt niet voor de tot de Belgische loodsdienst behorende loods die krachtens het Scheldereglement als zodanig optreedt en de tot de Duitse loodsdienst behorende loods die krachtens het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Trb. 1960, 69) als zodanig optreedt.

§ 3. Niet-registerloodsen

Artikel 5

1. Onverminderd het in artikel 4 bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld met betrekking tot de vakbekwaamheid en geschiktheid voor het loodsen van schepen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren.

2. Degene die heeft aangetoond, te voldoen aan de eisen als bedoeld in het eerste lid, ontvangt daarvan een verklaring volgens een door Onze Minister vast te stellen model. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen de verklaring kan worden ingetrokken.

3. Voor de afgifte van een verklaring als bedoeld in het tweede lid en de deelname aan de daarvoor vereiste examens is een vergoeding verschuldigd volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief.

4. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde eisen worden persoonsgegevens verwerkt betreffende de gezondheid. De verwerking van deze gegevens strekt ertoe te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het loodsen van schepen aanwezig is of niet meer aanwezig is. Onze Minister, onderscheidenlijk de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in te stellen examencommissies, zijn verantwoordelijke voor deze verwerkingen.

HOOFDSTUK III. DE LOODSENCORPORATIES

§ 1. De Nederlandse loodsencorporatie

Artikel 6

1. De gezamenlijke registerloodsen vormen de Nederlandse loodsencorporatie. De corporatie is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Zij is gevestigd te Rotterdam.

2. De corporatie heeft een voorzitter, een algemene raad en een ledenvergadering.

Artikel 7

De voorzitter vertegenwoordigt de corporatie in en buiten rechte.

Artikel 8

1. De algemene raad voert het geldelijk beheer en het overig bestuur. Deze raad bestaat uit de voorzitter en de voorzitters van de regionale corporaties of hun plaatsvervangers.

2. De voorzitter wordt door de ledenvergadering benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren. Hij is geen lid van het bestuur van een regionale corporatie.

3. De voorzitter wordt bij verhindering vervangen door een lid van de algemene raad, daartoe door die raad aangewezen.

Artikel 9

1. De algemene raad heeft in het bijzonder tot taak:

a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
1°. het verzorgen van de algemene opleiding tot registerloods;
2°. het verzorgen van de algemene opleiding tot het beroep van registerloods van degene die daartoe op grond van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's in aanmerking komt, en van degene die daartoe op grond van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen in aanmerking komt, voor zover dit betreft het gedeelte van de opleiding dat betrokkene dient te volgen nadat hij heeft aangetoond te voldoen aan de eisen voor toelating als adspirant-registerloods, zoals vastgesteld krachtens artikel 19, eerste lid, onderdeel a;
3°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
4°. het bevorderen van de vakbekwaamheid;
5°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn; en
b. het geven van advies aan Onze Minister inzake de uitvoering van deze wet, hetzij op verzoek van Onze Minister hetzij uit eigen beweging.

2. De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, 2° en 4°, worden uitsluitend verricht voor zover deze betrekking hebben op registerloodsen in meer dan één regio.

3. Voor de deelname aan een van de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, 2°, is een vergoeding verschuldigd voor de kosten aan de algemene raad, volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief.

§ 2. De regionale loodsencorporaties

Artikel 10

1. De gezamenlijke registerloodsen van eenzelfde regio vormen de regionale loodsencorporatie in die regio.

2. De namen en de vestigingsplaatsen van de regionale loodsencorporaties zijn als volgt:

a. Noord te Delfzijl;
b. Amsterdam-IJmond te IJmuiden;
c. Rotterdam-Rijnmond te Rotterdam;
d. Scheldemonden te Vlissingen.

3. De grenzen van een regio worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

4. Een regionale corporatie is rechtspersoon.

5. Een regionale corporatie heeft een voorzitter, een bestuur en een ledenvergadering.

Artikel 11

De voorzitter van een regionale corporatie vertegenwoordigt de regionale corporatie in en buiten rechte.

Artikel 12

1. Het bestuur voert het geldelijke beheer en het overige bestuur van de regionale corporatie.

2. Het bestuur bestaat uit de voorzitter van de regionale corporatie en:

a. ten minste twee en ten hoogste vier leden voor regionale corporaties die niet meer dan honderd leden tellen;
b. en ten minste twee en ten hoogste zes leden voor regionale corporaties die meer dan honderd leden tellen.

3. De voorzitter van de regionale corporatie, de andere leden van het bestuur, alsmede hun plaatsvervangers, worden door de ledenvergadering uit de leden van de regionale corporatie benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaren.

4. De voorzitter van de regionale corporatie en de andere leden van het bestuur worden bij verhindering vervangen door hun plaatsvervangers.

Artikel 13

1. Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder tot taak:

a. met betrekking tot het beroep van registerloods:
1°. er voor zorg te dragen dat de regionale corporatie leerovereenkomsten met adspirant-registerloodsen aangaat;
2°. het verzorgen van de lokale opleiding en de stage van adspirant-registerloodsen;
3°. het verzorgen van de lokale opleiding van degene die een van de algemene opleidingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, 2°, met goed gevolg heeft afgesloten;
4°. het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening;
5°. het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn; en
b. het verzorgen van een opleiding en het afnemen van examens ter uitvoering van de krachtens artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels; en
c. het voorbereiden van ledenvergaderingen.

2. De taken genoemd in het eerste lid, onderdeel a, 3° en 4°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, 2° of 4°.

§ 3. De vergaderingen

Artikel 14

1. De voorzitter van de corporatie of van een regionale corporatie, roept een vergadering bijeen zo vaak hij zulks nodig acht of indien zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, wordt verzocht:

a. voor de ledenvergadering van de corporatie: door de ledenvergadering van ten minste een regionale corporatie;
b. voor een ledenvergadering van een regionale corporatie: door ten minste tien procent van de leden;
c. voor de algemene raad en voor het bestuur van een regionale corporatie: door ten minste twee leden.

2. De ledenvergaderingen van de corporatie zijn openbaar voor zover daarin ontwerpen van verordeningen aan de orde zijn.

Hiervan wordt door de algemene raad op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze mededeling gedaan.

3. De ledenvergadering van een regionale corporatie voorziet bij reglement in het doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen.

§ 4. Verordeningen

Artikel 15

1. De ledenvergadering van de corporatie stelt de verordeningen, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 19, tweede lid, en 26, eerste lid, vast, alsmede andere verordeningen, waaronder die in het belang van:

a. een goede beroepsuitoefening;
b. een doelmatige dienstverlening, waarbij ten minste dient te worden voorzien in:
1°. de verplichting van de registerloods zijn diensten tijdig aan te bieden en te verlenen voor schepen als bedoeld in artikel 4, tweede lid; en
2°. de verplichting van de registerloodsen om in onderling verband zorg te dragen voor het vervoer ten behoeve van hun beroepsuitoefening en de verdere organisatie van de dienstverlening;
c. sociale voorzieningen voor registerloodsen en voor nabestaanden van overleden registerloodsen; en
d. een doeltreffend verloop van de ledenvergaderingen van de corporatie.

2. In een verordening kan aan de algemene raad of aan het bestuur van een regionale corporatie de bevoegdheid worden verleend tot het geven van nadere voorschriften omtrent bij die verordening geregelde onderwerpen.

Artikel 16

1. De ontwerpen van verordeningen worden door de algemene raad opgesteld, hetzij op last van de ledenvergadering hetzij uit eigen beweging.

2. Van de ontwerpen van verordeningen worden door de algemene raad op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze mededeling gedaan.

3. Een belanghebbende kan gedurende drie weken nadat van het ontwerp mededeling is gedaan bij de algemene raad schriftelijk zijn zienswijze naar voren brengen. De algemene raad brengt de naar voren gebrachte zienswijzen ter kennis van de leden.

4. De verordeningen worden na de vaststelling onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister en vervolgens bekendgemaakt in de Staatscourant. Indien zij de goedkeuring van Onze Minister behoeven, wordt bij de bekendmaking aan de voet van de verordening het besluit vermeld waarbij deze is goedgekeurd.

5. De verordeningen treden, tenzij zij anders bepalen, in werking met ingang van de tweede dag na die van de bekendmaking.

6. Het vierde en vijfde lid zijn eveneens van toepassing op de nadere voorschriften, bedoeld in artikel 15, tweede lid.

Artikel 17

1. De verordeningen zijn slechts verbindend voor de leden, de corporatie, de algemene raad, de regionale corporaties en hun besturen.

2. Bepalingen gesteld bij of krachtens een verordening die strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet zijn onverbindend.

Artikel 18

1. Besluiten van de algemene raad of van de ledenvergadering van de corporatie kunnen op de voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2. Ingeval van vernietiging geschiedt deze binnen zes maanden na de in artikel 16, vierde lid, bedoelde ter kennis brenging of, wanneer het een ander besluit betreft, binnen zes maanden nadat het besluit ter kennis van Onze Minister is gekomen.

HOOFDSTUK IV. ADSPIRANT-REGISTERLOODSEN

Artikel 19

1. Adspirant-registerloods is degene:

a. die voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen ten aanzien van leeftijd, opleiding, ervaring en lichamelijke en geestelijke geschiktheid; en
b. met wie een leerovereenkomst als adspirant-registerloods is aangegaan door een regionale corporatie.

2. De inhoud van de leerovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt vastgesteld bij verordening.

3. Ter uitvoering van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde eisen worden persoonsgegevens verwerkt betreffende de gezondheid. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van lichamelijke en geestelijke geschiktheid, nodig voor het aangaan van een leerovereenkomst. De regionale loodsencorporatie die de leerovereenkomst aangaat is verantwoordelijke voor deze verwerking.

Artikel 20

1. Na afloop van de algemene opleiding tot registerloods als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, 1°, en na afloop van de lokale opleiding en stage als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, 2°, vindt een examen plaats.

2. De inhoud van de examens, het toezicht daarop door gecommitteerden die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen en al het overige betreffende de examens wordt vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

HOOFDSTUK V. HET LOODSENREGISTER

Artikel 21

1. Er is een openbaar loodsenregister. Ten behoeve van dit register worden persoonsgegevens verwerkt met betrekking tot ingeschreven registerloodsen. De verwerking van deze gegevens vindt plaats ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit, de continuïteit en de rechtszekerheid van de loodsdienstverlening, alsmede van de uitvoering van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels. De algemene raad is verantwoordelijke voor deze verwerking.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inrichting van het register, de wijze van inschrijving en van doorhaling, het geven van afschriften uit het register en de tarieven daarvoor.

3. In het register wordt degene die voldoet aan artikel 22, eerste lid, op zijn aanvraag ingeschreven als registerloods. Bij een inschrijving worden in het register vermeld de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de aanvrager, alsmede de loodsplichtige scheepvaartwegen en de categorieën van schepen waarvoor hij bevoegd is en tot welke regionale corporatie hij behoort.

4. Indien een registerloods in meer dan een regio bevoegd is, bepaalt de algemene raad, gehoord de besturen van de betreffende regionale corporaties en de betrokken registerloods, ten aanzien van welke regionale corporatie de inschrijving zal plaatsvinden.

5. De algemene raad is belast met het beheer van het register.

Artikel 22

1. Degene die met goed gevolg de examens, bedoeld in artikel 20, eerste lid, heeft afgelegd, of beschikt over een ten aanzien van het beroep van registerloods afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's, dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen" wordt op zijn aanvraag in het register ingeschreven, indien hij:

a. beschikt over de geneeskundige verklaringen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, en
b. beschikt over een verklaring van toelating, afgegeven door het bestuur van de desbetreffende regionale corporatie.

2. Ter uitvoering van de aanvraag om inschrijving in het register worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor de inschrijving als registerloods is voldaan. De algemene raad is verantwoordelijke voor deze verwerking.

3. De aanvrager ontvangt van de inschrijving in het register een verklaring volgens een bij verordening vast te stellen model.

Artikel 23

1. De inschrijving in het register wordt geweigerd, indien:

a. de aanvrager niet de bewijsstukken van het voldoen aan artikel 22, eerste lid, binnen dertien weken nadat het laatste bewijsstuk is uitgegeven, heeft overgelegd of, na het verstrijken van deze termijn, niet tevens een aanvullende verklaring van toelating, afgegeven door het bestuur van de betreffende regionale corporatie, heeft overgelegd; of
b. ten aanzien van de aanvrager ingevolge artikel 28, eerste lid, of artikel 48, de bevoegdheid als registerloods is geschorst of vervallen verklaard.

2. De algemene raad doet van een beschikking tot weigering van de inschrijving in het register mededeling door toezending van een afschrift daarvan aan het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 24

1. De inschrijving in het register wordt doorgehaald:

a. bij overlijden van de ingeschrevene;
b. op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene;
c. indien ten aanzien van de ingeschrevene verval van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, of artikel 48, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden;
d. bij het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaren of van een bij verordening vastgestelde lagere leeftijd;
e. indien de ingeschrevene niet beschikt over geldige geneeskundige verklaringen volgens de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels;
f. indien de ingeschrevene gedurende een termijn van vierentwintig maanden niet ten minste een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal malen zijn beroep feitelijk heeft uitgeoefend of die uitoefening niet volgens de bij of krachtens die maatregel te geven regels heeft aangetoond;
g. gedurende de termijn waarvoor de bevoegdheid ingevolge rechterlijke uitspraak of als maatregel is geschorst; of
h. indien de reden voor weigering van de inschrijving eerst na de inschrijving is gebleken.

2. Bij doorhaling is artikel 23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Doorhaling van de inschrijving brengt mee verlies van de betrekkingen waarbij de hoedanigheid van lid van de corporatie of van de regionale corporatie, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde, vereiste voor benoembaarheid of verkiesbaarheid is.

4. Van de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, vastgestelde regels kan Onze Minister, in de bij die maatregel aan te geven gevallen, ontheffing verlenen. Ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

5. Bij een doorhaling krachtens het gestelde in het eerste lid, onderdeel g, eindigt de doorhaling van rechtswege na het verstrijken van de in dat onderdeel bedoelde termijn.

Artikel 25

Degene die in het register ingeschreven is geweest, wordt, indien de vorige inschrijving is doorgehaald op de grond, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, op zijn verzoek opnieuw in het register ingeschreven als bij de aanvraag daarvoor het bewijs wordt overgelegd dat deze grond heeft opgehouden te bestaan.

HOOFDSTUK VI. FINANCIËN

Artikel 26

1. Bij verordening worden regels vastgesteld ten aanzien van de bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot:

a. de diensten van registerloodsen;
b. de door de algemene raad en de besturen van de regionale corporaties krachtens deze wet te verzorgen taken;
c. de taken ten behoeve van de door de registerloodsen te verlenen diensten.

2. De regels, vastgesteld bij de verordening, bedoeld in het eerste lid, houden rekening met de totale te verwachten opbrengst
uit loodsgelden en voorzien in ieder geval in:

a. een waarborg voor het kunnen voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit het functioneel leeftijdspensioen van registerloodsen en uit het krachtens collectieve arbeidsovereenkomst toegekend recht op functioneel leeftijdsontslag van het personeel, belast met de uitvoering van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde taken;
b. een evenredigheid voor de maatstaven met betrekking tot de bedragen voor de diensten van registerloodsen en de verschillende regio's;
c. een waarborg voor het kunnen verzorgen van de taken van de algemene raad en de besturen van de regionale corporaties.

3. In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt de verordening, bedoeld in het eerste lid, voor de eerste keer vastgesteld door de algemene raad.

4. Artikel 16, eerste, tweede en derde lid, is op de vaststelling, bedoeld in het derde lid, niet van toepassing.

5. Onder functioneel leeftijdspensioen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt verstaan de vergoeding op grond van het doorhalen van de inschrijving in het register ten gevolge van het bereiken van de bij of krachtens artikel 24, eerste lid, onderdeel d, vastgestelde leeftijd, alsmede bij het bereiken van die leeftijd na een voorafgegane doorhaling krachtens artikel 24, eerste lid, onderdeel e.

Artikel 27

Vaststelling van een verordening tot wijziging van de verordening, bedoeld in artikel 26, eerste lid, voor zover deze betrekking heeft op een wijziging van de bedragen of de maatstaven voor de vaststelling daarvan, vindt slechts plaats door een besluit van de ledenvergadering met een meerderheid van twee derden van de in die ledenvergadering uitgebrachte geldige stemmen.

HOOFDSTUK VII. TUCHTRECHTSPRAAK

§ 1. Tuchtvergrijpen en maatregelen

Artikel 28

1. De registerloods is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enige overtreding van een verordening of van de krachtens een verordening gegeven nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 15. Voor een dergelijke overtreding kan een van de volgende maatregelen worden opgelegd:

a. berisping;
b. geldboete van ten hoogste EUR 2 250;
c. schorsing of beperking van de bevoegdheid voor de duur van ten hoogste één jaar;
d. verval of beperking van de bevoegdheid.

2. De geldboete komt ten bate van de Staat. In de beslissing kunnen twee of meer termijnen worden vastgesteld waarin zij moet worden voldaan. Degene aan wie een boete is opgelegd wordt door een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar bij gedagtekende brief uitgenodigd de verschuldigde geldboete binnen de gestelde termijn dan wel met inachtneming van de gestelde termijnen te betalen.

3. Indien de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen.

4. Indien de schuldenaar na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de verschuldigde geldboete en de aanmaningskosten geschieden bij een door de ambtenaar uit te vaardigen dwangbevel.

5. De betekening en de tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de zorg van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van die wet met toepassing van de artikelen 13 en 14 van die wet.

6. Zolang de ontvanger met de zorg voor de invordering is belast, kan hij een vordering doen op grond van artikel 19 van de Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen op grond van artikel 24 van die wet.

7. De ontvanger kan zolang hij met de zorg voor de invordering is belast onder door hem te stellen voorwaarden aan een schuldenaar voor een bepaalde tijd schriftelijk uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel wordt de dwanginvordering geschorst. Het uitstel kan tussentijds schriftelijk worden beëindigd.

8. Met betrekking tot het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is artikel 17 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in dat artikel voor "de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd" telkens moet worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger.

9. De kosten van aanmaning en van verdere vervolging worden berekend op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. De artikelen 6 en 7 van de Invorderingswet 1990 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Tuchtcollege loodsen

Artikel 29

1. Er is een tuchtcollege loodsen dat is gevestigd te 's-Gravenhage.

2. Het tuchtcollege loodsen is belast met de behandeling van zaken als bedoeld in artikel 28.

3. Het tuchtcollege loodsen bestaat uit de volgende leden:

a. een voorzitter die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen; en
b. vier registerloodsen.

Artikel 30

1. De voorzitter en de overige leden, alsmede voor elk hunner een of meer plaatsvervangers worden voor de tijd van zes jaren benoemd door Onze Minister en Onze Minister van Justitie. Zij zijn bij hun aftreden weer benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Onze voornoemde Ministers worden ontslagen. De benoemingstermijn van hem die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature, eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in wiens plaats hij is getreden.

2. De voorzitter moet voldoen aan de vereisten voor benoeming tot rechter in een arrondissementsrechtbank. Uit iedere regionale corporatie wordt een registerloods benoemd uit een voordracht van het bestuur van een regionale corporatie welke ten minste twee personen bevat die behoren tot de betreffende regionale corporatie en geen lid of plaatsvervangend lid van dat bestuur zijn.

3. Voor de in het eerste lid bedoelde plaatsvervangers is het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

4. Het tuchtcollege loodsen heeft een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris die dienen te beschikken over de hoedanigheid van meester in de rechten, verkregen op grond van het met goed gevolg afgelegd hebben van een doctoraal examen in een der krachtens de Wet op het wetenschappelijk onderwijs aangewezen studierichtingen. Zij worden door Onze Minister en Onze Minister van Justitie benoemd, geschorst en ontslagen.

5. De voorzitter en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, worden in ieder geval ontslagen met ingang van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.

Artikel 31

1. Echtgenoten of geregistreerde partners, bloedverwanten of aanverwanten tot de derde graad ingesloten, kunnen niet tezamen zijn voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, lid of plaatsvervangend lid en secretaris van het tuchtcollege loodsen.

2. Indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap eerst mocht worden aangegaan na de benoeming, zal de jongstbenoemde der echtelieden of geregistreerde partners zijn ambt niet kunnen behouden.

3. Indien de aanverwantschap eerst mocht zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, behoudens door Onze Minister en Onze Minister van Justitie te verlenen vergunning.

4. De aanverwantschap houdt op door de ontbinding van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap dat haar veroorzaakte.

Artikel 32

Het in de artikelen 46c, tweede lid, 46d, tweede lid, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46l, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, 46m, 46o, en 46p, eerste tot en met vijfde lid van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor de leden van de rechterlijke macht bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers.

Artikel 33

1. De voorzitter is bevoegd ambtshalve aan de leden en hun plaatsvervangers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen of die zich schuldig maken aan overtreding van artikel 34, de nodige waarschuwing te doen, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.

2. De voorzitter van het College als bedoeld krachtens artikel 44, heeft gelijke bevoegdheid ten aanzien van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen en diens plaatsvervangers.

Artikel 34

1. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers mogen zich noch direct noch indirect over enige aangelegenheid, welke door hen behandeld wordt of waarvan zij weten of vermoeden dat deze door hen behandeld zal worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of hun raadslieden of gemachtigden, noch daarover enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aannemen.

2. Het is hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers verboden hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie wordt gevorderd. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover ambtenaren, voor zover mededeling aan hen op grond van een wettelijk voorschrift is vereist.

3. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen en hun plaatsvervangers zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent de gevoelens die in de raadkamer over aanhangige zaken zijn geuit.

4. Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor de secretaris van het tuchtcollege loodsen en zijn plaatsvervanger.

Artikel 35

De voorzitter, de overige leden en de secretaris, alsmede hun plaatsvervangers, ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere verschotten, volgens door Onze Minister en Onze Minister van Justitie te stellen regels.

§ 3. Rechtsgang

Artikel 36

Het tuchtcollege loodsen houdt zitting in de samenstelling als genoemd in artikel 29, derde lid.

Artikel 37

1. Een zaak betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt bij het tuchtcollege loodsen aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van de algemene raad, het bestuur van een regionale corporatie of van degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen.

2. Zodra een klacht is ingekomen stelt de voorzitter een voorlopig onderzoek in. De organen van de corporatie of een regionale corporatie verlenen daarbij desgevraagd medewerking.

3. Blijkt dat de klacht is ingediend door iemand die daartoe niet ingevolge het eerste lid bevoegd is, dan verklaart de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klager zonder nader onderzoek bij met reden omklede beslissing schriftelijk niet ontvankelijk.

Blijkt dat de klacht kennelijk ongegrond is in die zin, dat de feiten waarop zij berust niet tot toepassing van artikel 28, eerste lid, kunnen leiden, dan kan de voorzitter van het tuchtcollege loodsen zonder verder onderzoek de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk afwijzen. Blijkt dat het tuchtcollege loodsen onbevoegd is, dan wijst de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de klacht bij met reden omklede beslissing schriftelijk af.

4. Intrekken van de klacht, nadat deze is ingekomen, of staking van de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft op de verdere behandeling geen invloed, wanneer naar het oordeel van het tuchtcollege loodsen het algemeen belang dat vermoedelijk is geschonden vordert dat de behandeling wordt voortgezet of wanneer degene over wie geklaagd is, schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de behandeling van de klacht te verlangen.

Artikel 38

1. Zij die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Over wraking of verschoning wordt ten spoedigste beslist door hen die deel uitmaken van het tuchtcollege loodsen, met uitzondering van degene die wordt gewraakt of die verlangt zich te verschonen. Bij staking van stemmen wordt de wraking onderscheidenlijk de verschoning toegewezen.

Artikel 39

1. De behandeling van een zaak, betreffende een onderwerp als bedoeld in artikel 28, eerste lid, door het tuchtcollege loodsen geschiedt in een openbare zitting, tenzij het tuchtcollege loodsen om gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe houdt de overwegingen in waarop het steunt.

2. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde ter zitting en kan daartoe de nodige maatregelen treffen.

3. De beslissing in een door het tuchtcollege loodsen behandelde zaak wordt door de voorzitter in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de secretaris.

4. Van tijd en plaats van een openbare zitting of van een openbare uitspraak wordt ten minste twee weken en ten hoogste vier weken tevoren in de Staatscourant mededeling gedaan.

Artikel 40

1. Behoudens in de gevallen, als bedoeld in artikel 37, derde lid, neemt het tuchtcollege loodsen geen beslissing aangaande een ingediende klacht dan na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de persoon over wie geklaagd is en van de klager.

2. De persoon over wie geklaagd is kan, tenzij het tuchtcollege loodsen beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich ter terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat of een daartoe schriftelijk gemachtigd persoon. Hij kan zich door een raadsman doen bijstaan.

3. Het tuchtcollege loodsen kan weigeren bepaalde personen die geen advocaat zijn, als gemachtigde of als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het tuchtcollege loodsen de zaak tot een volgende zitting aan.

4. De persoon over wie geklaagd is en zijn raadsman worden in de gelegenheid gesteld ten minste veertien dagen voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting van de processtukken kennis te nemen.

Artikel 41

1. Het tuchtcollege loodsen kan, hetzij op verzoek van de persoon over wie geklaagd is, hetzij op verzoek van de klager, hetzij ambtshalve, getuigen en deskundigen oproepen en horen. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief. Ieder die als getuige of deskundige is opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven.

2. Verschijnt een getuige of een deskundige op de oproeping niet, dan doet de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op verzoek van het tuchtcollege loodsen hem dagvaarden.

3. Verschijnt een getuige of deskundige op de dagvaarding niet, dan doet de officier, bedoeld in het vorige lid, op verzoek van het tuchtcollege loodsen hem andermaal dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging.

4. Artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

5. De getuigen leggen in handen van de voorzitter van het tuchtcollege loodsen de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen hun diensten als zodanig te verlenen.

6. Ten aanzien van de getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

7. De getuigen en deskundigen ontvangen desgevraagd op vertoon van hun oproeping of dagvaarding schadeloosstelling overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Stb. 1963, 130).

Artikel 42

1. De beslissing van het tuchtcollege loodsen aangaande een ingediende klacht houdt de overweging in waarop zij steunt en wordt op schrift gesteld.

2. De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van de beslissing van het tuchtcollege loodsen onverwijld bij aangetekende brief afschrift:

a. aan de persoon over wie geklaagd is;
b. aan de klager;
c. aan de algemene raad.

3. De secretaris van het tuchtcollege loodsen zendt van een beslissing van de voorzitter onverwijld bij aangetekende brief afschrift aan de klager.

4. De secretaris van het tuchtcollege loodsen verstrekt desgevraagd aan de gerechten en het openbaar ministerie inlichtingen omtrent onherroepelijke beslissingen.

Artikel 43

Beslissingen van het tuchtcollege loodsen, genomen met een ander aantal personen of in een andere samenstelling dan is voorgeschreven, zijn nietig.

Artikel 44

De artikelen 2, 4, 5, eerste lid, 6, 15 tot en met 33 en 34, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (Stb. 1954, 417) zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 45

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake:

a. de tenuitvoerlegging van de maatregelen, vermeld in artikel 28, eerste lid, onderdelen a, c en d;
b. de klachten, als bedoeld in artikel 37;
c. de rechtsgang, welke waarborgen geven voor een deugdelijke berechting.

HOOFDSTUK VIII. DWANG-, STRAF- EN OPSPORINGSBEPALINGEN

Artikel 46

1. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, 1°, artikel 13, eerste lid, onder a, 1° en 2°, en onder b, artikel 15, eerste lid, onder b, 2°, artikel 21, vijfde lid, en artikel 26. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan de corporatie onderscheidenlijk de regionale corporatie.

2. Van de krachtens het eerste lid genomen maatregelen wordt binnen tweemaal vierentwintig uur een schriftelijk verslag opgemaakt dat onverwijld in afschrift wordt gezonden aan de belanghebbenden alsmede aan de algemene raad onderscheidenlijk het bestuur van de regionale corporatie.

Artikel 47

1. Overtreding van de bepalingen, gesteld krachtens artikel 2, derde lid, voor zover daarbij uitdrukkelijk als strafbaar feit aangewezen, of overtreding van artikel 4, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 48

1. Bij veroordeling wegens een overtreding genoemd in artikel 47, eerste lid, kan het vonnis tevens inhouden:

a. schorsing of beperking van de bevoegdheid als registerloods onderscheidenlijk schorsing of beperking van de krachtens artikel 5 verkregen bevoegdheid, voor de duur van ten hoogste een jaar;
b. verval of beperking van de bevoegdheid als registerloods onderscheidenlijk verval of beperking van de krachtens artikel 5 verkregen bevoegdheid.

2. Het in het eerste lid gestelde geldt ook bij veroordeling van de loods wegens een overtreding, genoemd in de Scheepvaartverkeerswet, indien de loods die overtreding heeft begaan bij de uitoefening van zijn beroep.

Artikel 49

1. Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, een vordering of een handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

3. De artikelen 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

4. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 49a

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren, aangewezen bij het besluit, bedoeld in artikel 49, eerste lid.

2. De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK IX. BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 50

1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, artikel 52 in werking worden gesteld.

2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 51

[Vervallen.]

Artikel 52

1. Onze Minister is bevoegd aanwijzingen te geven aan de registerloodsen met betrekking tot de beschikbaarheid voor het verrichten van de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde diensten en het verrichten van die diensten alsmede aan de organen van de corporatie en de regionale corporaties met betrekking tot het verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten.

2. De bepalingen gesteld krachtens artikel 2, derde lid, en de bepalingen gesteld bij of krachtens verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, vinden geen toepassing, voor zover zij onverenigbaar zijn met krachtens het eerste lid gegeven aanwijzingen.

Artikel 53

Het bij of krachtens de Oorlogswet voor Nederland aangewezen militair gezag is bevoegd om indien de beperkte of de algemene noodtoestand is afgekondigd, in afwijking van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet, regels te stellen met betrekking tot de beschikbaarheid van registerloodsen voor het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, en het door registerloodsen verrichten van die diensten, alsmede met betrekking tot het door de organen van de corporatie en de regionale corporaties verzorgen van de hun bij of krachtens deze wet opgedragen taken ten aanzien van de door de registerloodsen te verlenen diensten, voor zover zulks met het oog op de uitvoering van de militaire taak ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid noodzakelijk is.

Artikel 54

1. Een registerloods die als gevolg van een aanwijzing als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt beperkt in zijn mogelijkheden tot het verrichten van diensten als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, en daardoor onevenredig financieel nadeel ondervindt, wordt door Onze Minister een naar billijkheid te bepalen vergoeding toegekend, die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2. Ingeval artikel 53 toepassing vindt, kan aan de corporatie een vergoeding worden toegekend die wordt berekend volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Deze regels kunnen afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 26.

Artikel 55

1. Overtreding van de krachtens artikel 52 gegeven aanwijzingen en van het bepaalde bij of krachtens de op grond van artikel 53 gestelde regels wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie.

2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

HOOFDSTUK X. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 56

1. Het stellen van regels krachtens de artikelen 2, derde lid, 5, eerste lid, 19, eerste lid, onderdeel a, en 20, tweede lid, kan dienen ter uitvoering van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

2. Daarbij wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet, voor zover de bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie daartoe nopen.

Artikel 57

1. De verordeningsbevoegdheid van andere openbare lichamen dan genoemd in artikel 6, eerste lid, blijft ten aanzien van het onderwerp waarin bij of krachtens deze wet is voorzien, gehandhaafd.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de financiële gevolgen van een verordening als bedoeld in het eerste lid.

3. De vaststelling van krachtens het tweede lid te stellen regels geschiedt na overleg met het bestuur van het betrokken openbare lichaam.

4. De vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voordracht van Onze Minister en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 58

[Vervallen.]

Artikel 59

De algemene raad en het bestuur van een regionale corporatie, alsmede degene op wie een verplichting rust als bedoeld in artikel 46, eerste lid, zijn verplicht Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die hij nodig acht om te kunnen beoordelen of aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 46.

Artikel 60

[Vervallen.]

ARTIKEL II. INTREKKING LOODSWET 1957

Artikel 61

1. De Loodswet 1957 (Stb. 292) wordt ingetrokken.

2. Bij koninklijk besluit kunnen voorafgaand aan het tijdstip, waarop het eerste lid in werking treedt, afzonderlijke artikelen van de Loodswet 1957 worden ingetrokken.

ARTIKEL III. OVERGANGSRECHT

Artikel 62

In de artikelen 63, 65, 67 en 68, wordt onder overgangsdatum verstaan:

a. voor degenen, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid: de datum waarop artikel 3, van de Loodswet 1957 wordt ingetrokken;
b. voor degenen, bedoeld in artikel 63, eerste lid, onderdeel b: de datum waarop artikel 2, derde lid, van de Loodswet 1957 wordt ingetrokken;
c. voor degenen, bedoeld in artikel 63, derde lid: de datum waarop artikel 9, onderdeel a, van de Loodswet 1957 wordt ingetrokken.

Artikel 63

1. Op hun verzoek worden in het register ingeschreven degenen die, zonder te voldoen aan het bepaalde krachtens artikel 22, eerste lid, op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum:

a. hetzij loods zijn als bedoeld in artikel 3 van de Loodswet 1957;
b. hetzij gemeentelijke havenloods zijn als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Loodswet 1957.

2. Op hun verzoek worden degenen die op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum adspirant-loods zijn als bedoeld in artikel 6 van het Algemeen Loodsreglement (Stb. 1932, 433), of als zodanig zijn aangesteld, aangemerkt als adspirant-loods als bedoeld in artikel 19, eerste lid. Zij hebben het recht op een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 19, eerste lid,onderdeel b, met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regionale corporatie, ingaande op de overgangsdatum.

3. Degenen die op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum behoren tot het personeel van de loodsdienst als bedoeld in artikel 4 van het Algemeen Loodsreglement, en op wie het eerste of tweede lid niet van toepassing is, hebben het recht om in dienst te treden bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum. Dit geldt eveneens voor het personeel in dienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk van een gemeente die een functie vervullen ten behoeve van de uitoefening van de loodsdienst en waarvan de functie als zodanig is aangewezen door Onze Minister. Voor het personeel in dienst van een gemeente vindt die aanwijzing plaats in overeenstemming met het bestuur van die gemeente. Aanwijzing van de rechtspersoon vindt plaats in overeenstemming met het bestuur van die rechtspersoon.

4. De arbeidsovereenkomst als bedoeld in het derde lid, geldt voor onbepaalde tijd indien het personeelslid was aangesteld in vaste dienst of voor onbepaalde tijd in tijdelijke dienst, dan wel werkzaam was voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst.

Indien het personeelslid was aangesteld of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of de arbeidsovereenkomst.

5. De arbeidsovereenkomst betreft een funktie welke overeenkomt met de funktie welke het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk in dienst van de gemeente, behoudens ten aanzien van de door Onze Minister nader te bepalen funkties.

6. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zullen in het geheel ten minste overeenkomen met die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dit geldt op overeenkomstige wijze voor het personeel van de gemeente. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, ter zake nadere regels vaststellen.

7. De krachtens het derde lid aangewezen rechtspersoon is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.

8. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid, nadere regels vaststellen.

Artikel 64

Degenen die krachtens artikel 63, eerste lid, worden ingeschreven in het loodsenregister, degenen die een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 63, tweede lid, hebben gesloten, en degenen die een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 63, derde lid, hebben gesloten, zijn met ingang van de datum van die inschrijving onderscheidenlijk van ingang van die overeenkomst van rechtswege eervol ontslagen uit het dienstverband met het Rijk onderscheidenlijk uit het dienstverband met de betreffende gemeente.

Artikel 65

1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in artikel 64 bedoelde personen aanspraken jegens een bij verordening aan te wijzen pensioenfonds onderscheidenlijk een door het bestuur van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 63, derde lid, aan te wijzen fonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (Stb. 1981, 18), welke gelijkwaardig zijn aan die welke deze personen op de overgangsdatum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) hebben jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, en neemt het hiervoor bedoelde fonds de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.

2. Bij toepassing van het eerste lid vervallen de aanspraken van de in dat lid bedoelde personen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens die personen op de overgangsdatum.

3. Bij toepassing van het eerste lid draagt de directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op de overgangsdatum aan het in dat lid bedoelde fonds een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, gehoord, de hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen.

4. Onze Minister en Onze Minister van Financiën geven in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken regels met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in de voorgaande leden.

Artikel 66

1. Indien de vaststelling van het bedrag, bedoeld in artikel 65, derde lid, niet plaatsvindt in overeenstemming met de krachtens het eerste lid van dat artikel aangewezen pensioenfondsen, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld betreffende het ondervangen van nadeel in de opbouw van pensioen, dat voor personen als bedoeld in artikel 63, mogelijkerwijs ontstaat als gevolg van het in artikel 64 bedoelde ontslag.

2. Degene bij wie het pensioen van een persoon als bedoeld in artikel 63, is verzekerd, alsmede de rechtspersoon als bedoeld in artikel 63, derde lid, zijn verplicht desgevraagd aan Onze Minister binnen een door deze te stellen termijn de gegevens te verschaffen waarvan kennisneming naar het oordeel van Onze Minister nodig is in verband met het voorbereiden of uitvoeren van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vergoeding van kosten, verbonden aan het verschaffen van gegevens als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 67

1. Onze Minister kan verordeningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, voor de eerste maal als ministeriële regeling vaststellen, voor zover deze, naar het oordeel van Onze Minister, op de overgangsdatum, bedoeld in artikel 62, onderdeel a, in werking dienen te treden. Zij blijven, behoudens eerdere intrekking door Onze Minister, van kracht totdat zij bij verordening zijn ingetrokken en vervangen.

2. Onze Minister benoemt, in overeenstemming met de meerderheid van de personen als bedoeld in artikel 63, eerste lid, voor de eerste maal de voorzitter van de corporatie. Dit geldt overeenkomstig voor het bestuur van een regionale corporatie. Deze benoemingen gelden voor ten hoogste negentig dagen. Binnen die termijn geven de ledenvergadering van de corporatie onderscheidenlijk de ledenvergadering van een regionale corporatie uitvoering aan artikel 8, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 12, derde lid.

3. Overdracht van de eigendom van de roerende en onroerende goederen van het Rijk die worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van de loodsdienst, vindt van rechtswege plaats. Onze Minister en Onze Minister van Financiën wijzen deze goederen aan.

4. Onze Minister bepaalt in overeenstemming met de corporatie:

a. de organisaties aan wie de goederen worden overgedragen; en
b. de datum waarop de overdracht plaatsvindt.

5. Onze Minister en Onze Minister van Financiën bepalen in overeenstemming met de organisaties, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, de waarde van de aangewezen goederen.

Artikel 68

1. De rechtspersoon die is aangewezen krachtens artikel 63, derde lid, is gehouden het geheel van de taken van het personeel als bedoeld in artikel 63, derde lid, voor zover die tot de overgangsdatum door Onze Minister onderscheidenlijk de gemeente in eigen beheer zijn verzorgd, gedurende een termijn van ten minste vijf jaren na de overgangsdatum eveneens in eigen beheer te verzorgen. De corporatie is, behoudens bij toepassing van het tweede lid, gehouden om bij of krachtens de verordening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, 2°, hiermee rekening te houden.

2. Onze Minister kan het bestuur van de rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien dat bestuur voldoende garanties heeft verkregen voor het behoud van de werkgelegenheid van het betrokken personeel als bedoeld in artikel 63, derde lid, tot afloop van de in het eerste lid genoemde termijn.

ARTIKEL IV. INWERKTREDING

Artikel 69

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 70

Deze wet wordt aangehaald als: Loodsenwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1988

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes

De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

De Minister van Binnenlandse Zaken,
C. P. van Dijk

Uitgegeven de achtentwintigste juli 1988

De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes