Rijnvaartpolitiereglement 1995

III. Milieubepalingen
hoofdstuk 15 Bescherming van het water tegen verontreiniging en verwijdering van scheepsafvalstoffen
15.01 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1. Algemeen
a. afval/afvalwater: deze worden onderscheiden in scheepsbedrijfsafval en afval van de lading;
b. scheepsbedrijfsafval: afval en afvalwater, die bij het gebruik en het onderhoud van het schip ontstaan;
c. afval van de lading: afval en afvalwater, die in verband met de lading aan boord van het schip ontstaan;
d. toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval: een schip als bedoeld in artikel 1.01, onder a, dan wel een inrichting aan land, voorzien van een door de bevoegde autoriteit verleende vergunning voor de ontvangst van scheepsbedrijfsafval en van afval van de lading;
e. eenheidstransport: transport, waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip dezelfde lading of lading, waarvan het laadruim of de ladingtank niet behoeft te worden schoongemaakt, wordt vervoerd.

2. Scheepsbedrijfsafval
a. afgewerkt vet: gebruikt vet, dat na het vrijkomen uit de naven, lagers en smeerinrichtingen ontstaat, en overigens niet meer bruikbaar vet;
b. afgewerkte olie: gebruikte en overigens niet meer bruikbare motor-, transmissie- en hydroliekolie;
c. overig olie- of vethoudend afval: oude filters (gebruikte olie- en luchtfilters), oude lappen (verontreinigde poetslappen en poetskatoen), vaten (lege, verontreinigde blikken), verpakkingsmateriaal;
d. bilgewater: oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand;
e. huishoudelijk afvalwater: afvalwater uit de keuken, eet- en wasruimten (douche, wastafel) en bijkeuken evenals uit de toiletten;
f. huisvuil: huishoudelijk organisch en anorganisch afval (bijv. etensresten, papier, glas en soortgelijk keukenafval), in ieder geval zonder resten van het overig gedefiniëerde scheepsbedrijfsafval;
g. zuiveringsslib: restanten, die bij gebruik van een waterzuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan;
h. van olie gescheiden water: het water dat uit bilgewater wordt afgescheiden door voorzieningen aan boord van een toegelaten bilgeboot;
i. slops: een pompbaar of niet pompbaar mengsel bestaande uit lading en waswaterrestanten, roest en slib;
j. overig klein chemisch afval: scheepsbedrijfsafval, met uitzondering van het onder a tot en met g en onder i bedoelde afval.

3. Afval van de lading
a. restlading: vloeibare lading, die na het lossen, zonder een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR, in de ladingtank en in het leidingsysteem achterblijft, evenals droge lading die na het lossen, zonder gebruik van een bezem, veegmachine of een vacuümreiniger, in het laadruim achterblijft. Verpakking en stuwmateriaal behoren tot de lading;
b. ladingrestanten: vloeibare lading, die niet met behulp van een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR uit de ladingtank of het leidingsysteem kan worden verwijderd, evenals droge lading die niet met behulp van een veegmachine of een bezem uit het laadruim kan worden verwijderd;
c. overslagresten: droge en eventueel vloeibare lading, die bij overslag buiten het laadruim op het schip achterblijft (bijv. in het gangboord);
d. ongereinigd laadruim/ladingtank: een laadruim of ladingtank waarin zich nog restlading bevindt;
e. bezemschoon laadruim: een laadruim, waaruit de restlading is verwijderd (bijv. door gebruikmaking van een veegmachine of een bezem) en waarin zich nog ladingrestanten bevinden;
f. gestripte ladingtank: een ladingtank, waaruit de restlading is verwijderd (bijv door een efficiënt-stripping systeem als bedoeld in het ADNR) en waarin nog slechts ladingrestanten aanwezig zijn;
g. vacuümschoon laadruim: een laadruim, waaruit de restlading door middel van vacuümtechniek is verwijderd en dat beduidend minder ladingrestanten bevat dan een bezemschoon laadruim;
h. schoonmaken: het verwijderen van restlading uit de laadruimen en ladingtanks met behulp van de daarvoor geschikte middelen (bijv. een bezem, een veegmachine, vacuümtechniek, efficiënt stripping) waardoor de schoonmaakstandaard,
"bezemschoon laadruim" of
"vacuümschoon laadruim" of
"gestripte ladingtank"
wordt verkregen, evenals
het verwijderen van overslagrestanten van gedeelten buiten het laadruim;
i. wassen: het verwijderen van ladingrestanten uit een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel uit een gestripte ladingtank door middel van gebruik van stoom of water;
j. gewassen laadruim/ladingtank: een laadruim of ladingtank, die na reiniging met water geschikt is voor elke soort lading;
k. waswater: water, dat bij het wassen van een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel van een gestripte ladingtank ontstaat. Hieronder wordt eveneens begrepen het ballast- en regenwater dat uit het laadruim of de ladingtank komt.
15.02 Algemene plicht tot waakzaamheid
De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden en de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken.
15.03 Verbod te lozen of te water te doen geraken
1. Het is verboden vanaf schepen afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende afvalstoffen dan wel slops, huisvuil en overig klein chemisch afval te lozen of te water te doen geraken.
2. Indien afval of afvalwater als bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.
15.04 Inzamelen en behandelen aan boord
1. De schipper moet er voor zorgen dat de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld.
De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt kan worden.
2. Het is verboden:
a. los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie;
b. afvalstoffen aan boord te verbranden;
c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.
15.05 Olie-afgifteboekje, afgifte aan inrichtingen voor het ontvangen van afval
1. Een schip met een machinekamer als bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, met uitzondering van een klein schip, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.
2. De in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met uitzondering van huisvuil, moeten met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen tegen ontvangstbewijs worden afgegeven bij de door de bevoegde autoriteit toegelaten inrichting voor het ontvangen van afval. Het bewijs bestaat uit een aantekening door bedoelde inrichting in het olie-afgifteboekje.
3. Een schip dat op grond van voorschriften die gelden buiten de Rijn andere bescheiden over de afgifte van afvalstoffen aan boord heeft, moet in deze andere bescheiden een bewijs van de afgifte van afvalstoffen buiten de Rijn kunnen leveren. Als een dergelijk bewijs geldt ook het oliejournaal op basis van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (MARPOL-verdrag).
4. Huisvuil moet bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.
15.06 (niet overgenomen)
15.07 (niet overgenomen)
15.08 Bilgeboten
Van het verbod in artikel 15.03, eerste lid, is uitgezonderd het lozen in de vaarweg door toegelaten bilgeboten van van olie gescheiden water, indien de maximaal aanwezige olieresten in het afgescheiden water constant en zonder voorafgaande verdunning voldoen aan de nationale voorschriften.
15.09 Behandelen van de buitenkant van schepen
Het is verboden de scheepshuid te oliën of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.