Rijnvaartpolitiereglement 1995

II. Bijzondere bepalingen van toepassing op bepaalde riviergedeelten
hoofdstuk 9 Bijzondere vaarregels en bijzondere regels voor het ligplaats nemen
9.01 Beperkingen van de scheepvaart in Basel
1. Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,64) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen.
2. Een motorschip, een sleep en een duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,64) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
3. Alvorens Hafenbecken 1 (km 169,95) in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien en het mag eerst invaren wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
9.02 Het Grand Canal d'Alsace en de gekanaliseerde Rijn
1. Dit artikel geldt voor het gehele traject tussen km 173,55 (begin van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Kembs) en km 335,70 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Iffezheim), met inbegrip van het zijkanaal tussen km 173,55 en km 226,54 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Vogelgrün) en de omleidingen van de gekanaliseerde Rijn te Marckolsheim, Rheinau, Gerstheim en Straatsburg.
2. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op de hierboven genoemde trajekten.
3. Een schip moet bij ontmoeten zo nodig zijn stuurboordswal houden om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.
4. In afwijking van het tweede en derde lid mag een schip, dat zich in de onmiddellijke omgeving van de sluizen bevindt, verzoeken, dat het voorbijvaren overeenkomstig de artikelen 6.04 en 6.05 stuurboord op stuurboord zal plaatsvinden mits het zich er van heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
Hetzelfde geldt bovendien voor kanaalspitsen (lengte: 38,50 m), al dan niet gesleept, in opvaart op de volgende riviergedeelten:
a. stuwpand Rheinau tussen km 244,00 en de sluizen te Marckolsheim;
b. stuwpand Marckolsheim tussen km 228,00 en de sluizen te Vogelgrün.
5. Een schip mag op de Rijn boven- en benedenstrooms van een stuw de grenslijn niet overschrijden die op iedere oever is aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).
6. Een schip mag niet de toe- en afvoerkanalen van de elektrische centrales binnenvaren. Het begin en het einde van deze kanalen zijn aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).
7. Een schip mag slechts keren op de keerplaatsen, welke zijn gelegen stroomopwaarts van de bovenstroomse voorhavens van de sluizen, evenals in de benedenstroomse voorhavens daarvan en in het benedenstroomse toeleidingskanaal van de meest benede nstrooms gelegen sluizen.
Deze beperking geldt niet voor kleine schepen.
8. Een schip mag slechts ligplaats nemen en aanleggen op de wachtplaatsen van de sluizen en in het afvoerkanaal benedenstrooms van de laatste sluizen.
9. Het verbod om te keren, ligplaats te nemen en aan te leggen, bedoeld in het zevende en achtste lid, geldt niet voor een schip dat:
a. moet laden of lossen op een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats;
b. om dwingende redenen van veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.
10. Een schip met een grotere lengte dan 95 m mag geen gebruik maken van de kleine sluis van het sluiscomplex te Kembs. Schepen met een grotere breedte dan 11,45 m mogen geen gebruik maken van de kleine sluizen van de andere sluiscomplexen van het Grand Canal d'Alsace en de gekanaliseerde Rijn.
11. Op het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08, 3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.
9.03 Voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf
Voor het voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf (km 340,35) is artikel 6.26 van toepassing.
9.04 Ontmoeten: Afwijking van de hoofdregels
1. Dit artikel geldt voor het ontmoeten:
a. op het riviergedeelte tussen de uitmonding van de Neckar (km 428,20) en Lorch (km 540,20);
b. op het riviergedeelte tussen Duisburg (km 769,00) en de Duits-Nederlandse grens (km 857,68).
2. In afwijking van artikel 6.04 moeten een opvarend schip en een afvarend schip bij het ontmoeten zo ver stuurboord houden als nodig is om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.
3. Een opvarend schip mag verlangen, dat het voorbijvaren overeenkomstig artikel 6.04 stuurboord op stuurboord plaatsvindt, wanneer het zich naar een nevenvaarweg, een haven, een laad- of losplaats, een steiger of een ligplaats aan de rechteroever wil begeven, of wanneer het van een aan de rechteroever gelegen laad- of losplaats, steiger of ligplaats wil vertrekken, of wanneer het een nevenvaarweg, of een haven gelegen aan de rechterzijde van de vaarweg wil uitvaren. Het mag dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken nadat het zich heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
4. In afvaart mag:
a. een passagiersschip dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, wanneer het wil aanleggen aan een aanlegplaats die aan de linkeroever is gelegen,
b. een sleep die om te kunnen opdraaien de linkeroever wil houden,
c. een duwstel, indien het zich naar een laad- of los- of aanlegplaats of een ligplaats aan de linkeroever wil begeven, van een opvarend schip verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Zij mogen dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
5. Een afvarend schip, als bedoeld in het vierde lid, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord wil doen geschieden, moet tijdig "twee korte stoten" geven en bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.
Een opvarend schip moet aan het verlangen van het afvarende schip voldoen en dit bevestigen door het geven van "twee korte stoten" en het tonen van de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens.
Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de in de eerste alinea van dit lid bedoelde geluidsseinen herhalen.
6. niet van toepassing.
9.05 Varen op gelijke hoogte door samenstellen
Een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander samenstel:
a. tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en Mannheim (km 412,35);
b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);
c. tussen de uitmonding van het kanaal Wesel-Datteln (km 813,20) en de spoorbrug bij Wesel (km 815,28).
9.06 Varen op de oude Rijnarmen tussen Mannheim en Mainz
1. Een schip mag varen:
a. op de Lampertheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein - km 4,75;
b. op de hoofdtak van de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein - km 9,80; en
c. op de Ginsheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein - km 1,50.
2. Een schip mag, ten opzichte van de oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5 km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein en de Ginsheimer Altrhein niet sneller dan 12 km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.
3. Behalve voor kleine schepen geldt op de Lampertheimer Altrhein bovendien:
a. De lengte en de breedte van een schip of van een samenstel mogen ten hoogste 115 m respectievelijk 11,45 m bedragen. De bevoegde autoriteit kan andere afmetingen toestaan.
b. Op het gedeelte tussen Altrhein - km 0,70 en km 2,70 moet een schip zich op kanaal 10 melden, terwijl in de gedeelten waar ontmoeten niet voldoende ruimte biedt extra aandacht moet worden geschonken aan op tegengestelde koers varende kleine schepen.
9.07 Beperkingen van de scheepvaart
1. Iffezheim - Karlsruhe
Tussen Iffezheim (km 334,00) en Karlsruhe (km 360,00), onafhankelijk van de waterstand, moeten een opvarend duwstel en een opvarend gekoppeld samenstel met een snelheid van ten minste 5 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.
2. Lorch - St. Goar
a. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een afvarend schip de rechteroever houden.
b. Een opvarend schip of een afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid.

Artikel 6.05 is niet van toepassing.
3. Monding van de Moezel
Tussen km 592,05 en km 593,55 moet een opvarend schip dat niet de Moezel wil invaren ten minste 80 m uit de linkeroever blijven.
4. Duisburg-Ruhrort
a. Alvorens de havens van Hochfeld, de buitenhaven van Duisburg, de Parallelhaven van Duisburg, het havenkanaal van Ruhrort en de voorhaven van Ruhrort in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.
b. Tussen km 775,50 en km 785,50 is zeilen zonder vergunning overeenkomstig artikel 1.23 verboden.
5. Wesel
Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te varen moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de kanaalmond kan overzien.
6. Met uitzondering van het vierde lid, onder b, is dit artikel niet van toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.
9.08 Nachtvaart op het riviergedeelte Bingen-St. Goar
1. Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.
2. Een opvarend schip moet zijn koers zodanig kiezen dat het voorbijvaren van de Bankeck (van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten.
Indien het ontmoeten op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.
3. Een opvarend schip moet op de marifoon uitluisteren.
Bij het naderen van de Bankeck en van de Betteck moet het echter de afvarende schepen oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven. Indien zich geen afvarend schip meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.
4. Een afvarend schip moet gebruik maken van radar.
Artikel 6.32, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,61) moet het zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven, wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.
5. Van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang is het verboden te varen met een schip dat de tekens moet voeren bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid.
De bevoegde autoriteit kan uitzonderingen toestaan. Hij stelt daarbij de ten behoeve van de veiligheid noodzakelijke voorwaarden vast.
9.09 Beperking van de duwvaart tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50)
1. Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, per marifoon op kanaal 10 hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.
2. Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten de in het eerste lid bedoelde duwstellen zowel op kanaal 10 als op een per riviervak door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal uitluisteren.
3. Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) is het samenstellen of ontkoppelen van de in het eerste lid bedoelde duwstellen niet toegestaan, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
4. Het ontmoeten van afvarende duwstellen, waarvan de afmetingen meer bedragen dan die genoemd in artikel 11.02, eerste lid, en opvarende duwstellen, waarvan de lengte meer bedraagt dan 110 m, is verboden in de riviervakken tussen
km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),
km 606,50 en km 608,50 (Weissenthurm),
km 635,00 en km 637,50 (Unkel),
km 720,50 en km 723,00 (Benrath),
km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en
km 784,50 en km 786,50 (Baerl).
In verband daarmede zijn op deze duwstellen de volgende bepalingen van toepassing:
a. Bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen zich regelmatig melden op kanaal 10 en op dit kanaal uitluisteren. Tijdens het doorvaren van het vak dient voortdurend te worden uitgeluisterd;
b. Een opvarend duwstel moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat het afvarende duwstel het vak is doorgevaren;
c. Wanneer een opvarend duwstel het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet het afvarende duwstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat het opvarende duwstel het vak is doorgevaren.
9.10 Optische tekens en vaarregels voor multifunctionele schepen van het Duitse leger tussen de sluizen bij Iffezheim en het Spijksche Veer
1. Een varend multifunctioneel schip van het Duitse leger moet des nachts de lichten bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht als bijkomend teken, dat ook des daags moet worden gevoerd:
een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.
2. Een schip als bedoeld in het eerste lid wordt als klein schip aangemerkt. De artikelen 6.02 en 6.02a, eerste en derde lid, zijn van toepassing.
9.11 Varen bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer
1. Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) vaart moet zijn stuurboordswal houden.
Artikel 4.06, eerste lid onder b, is niet van toepassing.
2. Een op radar varend schip in afvaart moet in plaats van het drietonige sein, bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder a, "één lange stoot" geven.