Rijnvaartpolitiereglement 1995

I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn
hoofdstuk 8 Aanvullende bepalingen
8.01 Slepen van en door een duwstel
1. Het is verboden een duwstel te slepen. Duwstellen mogen evenwel gesleept worden bij buitengewone plaatselijke omstandigheden, wanneer de scheepvaart daarvan geen hinder ondervindt.
2. Een duwstel mag geen sleepdienst verrichten.
Een duwstel mag echter wel sleepdienst verrichten:
-. in opvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 110 m respectievelijk 12 m,
-. in afvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 86 m respectievelijk 12 m, en wanneer dit bovendien is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot.

Het samenstel, gevormd door een duwstel dat sleepdienst verricht, is een sleep zoals bedoeld in artikel 1.01, onder d; het duwstel is in dat geval gelijkgesteld met een motorschip aan de kop van een sleep.
8.02 Duwstellen met andere schepen dan duwbakken
Een duwstel mag geen andere schepen dan duwbakken bevatten, tenzij in het certificaat van onderzoek van de duwboot en het schip dat wordt geduwd uitdrukkelijk anders is vermeld.
8.03 Duwstellen met zeeschipbakken
1. Een zeeschipbak mag slechts aan de kop van een duwstel worden geplaatst, indien:
a. het een zeeschipbak betreft die is voorzien van een kopbak, of
b. de zeeschipbak een ingericht voorschip heeft, of
c. de zeeschipbak naast een normale duwbak is gekoppeld en er een verschil is van tenminste 1 m tussen de wateroppervlakte en het laagste punt waarboven de zeeschipbak niet meer als waterdicht kan worden beschouwd.
2. De kop van een duwstel als bedoeld in het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming zijn met het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
3. De bevoegde autoriteit kan voor korte afstanden, op de gekanaliseerde Rijn, alsmede op het Grand Canal d'Alsace, voor duwstellen met een grootste lengte van 86 m met ten hoogste twee zeeschipbakken uitzonderingen toestaan.
8.04 Verplaatsen van duwbakken buiten het verband van een duwstel
Het verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een duwstel mag slechts geschieden:
a. langszijde vastgemaakt en gesleept voorzover dit is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwbak en van het schip dat voor de voortbeweging zorgt;
b. over korte afstanden bij het samenstellen of het ontbinden van een duwstel, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit gegeven voorschriften dan wel met haar toestemming.
8.05 Koppelingen van duwstellen
1. De koppelingen van een duwstel moeten de hechtheid daarvan verzekeren.
2. Het koppelen en het ontkoppelen moeten op eenvoudige en gemakkelijke wijze kunnen geschieden.
3. De spanning op de koppelingen moet gelijk worden gehouden door geschikte inrichtingen, bij voorkeur door speciale lieren.
4. De koppelingen van een duwstel, waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 12 m en dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip, voldoen aan het eerste lid indien deze bestaan uit een door een Commissie van Deskundigen goedgekeurd systeem dat een beheerst knikken van het duwstel mogelijk maakt.
8.06 Telefoonverbinding aan boord van samenstellen
1. Indien de lengte van een duwstel meer dan 110 m bedraagt, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de duwboot en de kop van het duwstel.
2. Indien een duwstel door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide duwboten.
3. Bij een gekoppeld samenstel bestaande uit twee motorschepen moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide schepen.
4. Bij een sleep moet er een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.
5. Als telefoonverbinding mag het marifoonkanaal voor het schip - - schipverkeer niet worden gebruikt.
8.07 Verplaatsing van personen aan boord van duwstellen
Personen aan boord van een duwstel moeten zich gemakkelijk en zonder gevaar kunnen verplaatsen. Bovendien moeten openingen die zouden kunnen ontstaan tussen de schepen van een duwstel zijn voorzien van geschikte beschermingsinrichtingen.
8.08 Samenstellen van slepen
1. De tussenruimte tussen het motorschip aan de kop van een sleep en de eerste gesleepte lengte mag niet meer dan 120 m bedragen. In een opvarende sleep die slechts één gesleepte lengte bevat, waarvan het laadvermogen meer dan 600 ton bedraagt, mag deze tussenruimte evenwel worden vergroot tot 200 m.
2. De tussenruimte tussen twee gesleepte lengten mag niet meer bedragen dan 100 m.
3. De tussenruimte tussen twee motorschepen aan de kop van een sleep mag niet meer bedragen dan 120 m.
8.09 "Blijf weg"-sein
1. Bij een gebeurtenis of een ongeval waardoor een vervoerde gevaarlijke stof zou kunnen vrijkomen moet, indien de bemanning niet in staat is de daaruit voor personen of voor de scheepvaart voortvloeiende gevaren op te heffen, het "blijf weg"-sein worden gegeven voor:
a. tankschepen die de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste of tweede lid, moeten voeren, en
b. schepen die de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, moeten voeren.

Dit voorschrift geldt niet voor duwbakken en andere schepen niet zijnde motorschepen.
Wanneer deze evenwel deel uitmaken van een samenstel, moet het "blijf weg"-sein worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
2. Het "blijf weg"-sein bestaat uit een geluids- en een lichtsein.
Het geluidssein bestaat uit een gedurende ten minste 15 achtereenvolgende minuten voortdurend herhalen van "één korte stoot", gevolgd door "één lange stoot". Gelijktijdig met het geluidssein moet het lichtsein bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, worden getoond.
Het "blijf weg"-sein moet na ingeschakeld te zijn automatisch blijven functioneren. Het bedieningsmechanisme moet zodanig zijn uitgevoerd, dat het sein niet ongewild in werking kan treden.
3. De schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten alle maatregelen nemen, die nuttig zijn om het dreigende gevaar te vermijden. In het bijzonder moeten zij:
a. indien zij in de richting van het gevaarsgebied varen, zich zo ver mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;
b. indien zij het gevaarsgebied reeds zijn gepasseerd, hun weg met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.
4. Aan boord van de schepen, bedoeld in het derde lid, dient men onmiddellijk alle vensters alsmede alle openingen naar buiten te sluiten, alle niet afgeschermde lichten en vuren te doven, niet meer te roken, de hulpmotoren, waarvan het inwerking-zijn niet noodzakelijk is, af te zetten, en in het algemeen elke vorming van vonken te vermijden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moeten alle motoren en hulpmotoren, die dan nog in werking zijn, worden afgezet.
5. Het vierde lid is eveneens van toepassing op schepen, die in de nabijheid van het gevaarsgebied stilliggen, wanneer zij het "blijf weg"-sein waarnemen. Zonodig moet men het schip verlaten.
6. Bij het nemen van de in het derde tot en met het vijfde lid bedoelde maatregelen moet rekening worden gehouden met de stroom en de windrichting.
7. De schepen moeten de maatregelen, bedoeld in het derde tot en met het zesde lid, eveneens nemen, wanneer het "blijf weg"-sein vanaf de oever wordt gegeven.
8. De schippers van schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten daarvan voor zover mogelijk onverwijld kennis geven aan de dichtsbijzijnde bevoegde autoriteit.
8.10 Veiligheid aan boord van schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren
Voor schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en laten overnachten geldt:
a. Aan boord moet zich een veiligheidsrol bevinden, waarin de instructies voor de bemanning en het personeel staan ingeval van nood. Bovendien moeten gedragsregels voor de passagiers ingeval van lek raken, brand en het verlaten van het schip aanwezig zijn. De veiligheidsrol en de gedragsregels moeten op verscheidene zich daartoe lenende plaatsen worden opgehangen;
b. de bemanning en het personeel moeten op de hoogte zijn van de inhoud van de onder a genoemde veiligheidsrol en regelmatig over hun taken geïnstrueerd worden;
c. gedurende de aanwezigheid van passagiers aan boord moeten alle nooduitgangen volledig vrij van hindernissen zijn. De deuren en nooduitgangen van de vluchtwegen moeten van beide zijden gemakkelijk te openen zijn;
d. bij het begin van iedere vaartocht die langer duurt dan één dag moeten de passagiers veiligheidsinstructies krijgen;
e. zolang er zich passagiers aan boord bevinden moet des nachts ieder uur een ronde worden gelopen. Het lopen van deze ronde moet op een geschikte manier aantoonbaar zijn.