Rijnvaartpolitiereglement 1995

I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn
hoofdstuk 7 Regels voor het ligplaats nemen
7.01 Algemene beginselen voor het ligplaats nemen
1. Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moeten een schip en een drijvend voorwerp hun ligplaats zo dicht bij de oever kiezen als hun diepgang en de plaatselijke omstandigheden veroorloven en in ieder geval zodanig, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.
2. Waar de scheepvaart ten gevolge van de gesteldheid van het vaarwater minder dan 40 m uit de oever moet varen, mag slechts één rij schepen langs de oever ligplaats nemen.
3. Onverminderd de door de bevoegde autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrij blijft voor de scheepvaart.
4. Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.
7.02 Ligplaats nemen
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling het ligplaats nemen is verboden;
b. in een vak aangewezen door de bevoegde autoriteit;
c. in een vak aangeduid door het teken A.5 ( bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht;
d. onder een brug of onder een hoogspanningslijn;
e. in een engte zoals bedoeld in artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, en in een vak waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan;
f. waar in de vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;
g. in het traject van een veerpont;
h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of van daar vertrekken;
i. op plaatsen om te keren, aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7);
k. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;
l. in een vak aangeduid door het teken A.5.1 ( bijlage 7), binnen de afstand te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters is aangegeven.
2. Op een gedeelte van de vaarweg waar het ligplaats nemen is verboden ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, mogen schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen evenwel ligplaats nemen op de bijzondere ligplaatsen, aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage 7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.
7.03 Ankeren
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, mogen niet ankeren:
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;
b. in een vak aangeduid door het teken A.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren, in een vak aangeduid door het teken E.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
7.04 Meren
1. Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet aan de oever meren:
a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling meren is verboden;
b. in een vak aangeduid door het teken A.7 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op een gedeelte van de vaarweg waar het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel meren in een vak aangeduid door het teken E.7 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
3. Het is verboden bij meren of verhalen gebruik te maken van bomen, relingen, palen, perceelsafscheidingen, zuilen, metalen ladders, leuningen enz.
7.05 Ligplaatsen
1. Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.
2. Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.1 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen binnen de afstand te rekenen vanaf het teken die daarop in meters is aangegeven.
3. Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.2 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen tussen de beide afstanden, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters zijn aangegeven.
4. Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.3 ( bijlage 7) mogen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht niet meer schepen en drijvende voorwerpen naast elkaar ligplaats nemen dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.
7.06 Gereserveerde ligplaatsen
1. Op een ligplaats aangeduid door één der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 ( bijlage 7) mag slechts een schip ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken van toepassing is.
2. Op de ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften zijn vastgesteld, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.
7.07 Minimum afstanden bij vervoer van gevaarlijke stoffen tijdens het stilliggen
1. Bij het ligplaats nemen moeten een schip, een duwstel en een gekoppeld samenstel ten opzichte van een ander schip, duwstel of gekoppeld samenstel de volgende minimum afstanden in acht nemen:
a. 10 m indien één van hen het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b. 50 m indien één van hen de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid voert;
c. 100 m indien één van hen de tekens, bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.
2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet:
a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;
b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADNR, Rn 10.282 (Bijlage B1) of Rn 210.282 (Bijlage B2), en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.
3. De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.
7.08 Bewaking en toezicht
1. Aan boord van een stilliggend schip dat is geladen met stoffen, bedoeld in het ADNR, Bijlage B1 Rn 10.500 en Bijlage B2 Aanhangsel 4 (Stoffenlijst), of dat na het vervoer van dergelijke stoffen nog niet is ontdaan van gassen die gevaar op kunnen leveren, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.
2. Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.
Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.