Rijnvaartpolitiereglement 1995

I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn
Hoofdstuk 6 Vaarregels
I. Algemene bepalingen
6.01 (vervallen)
6.02 Gedrag tussen kleine schepen en andere schepen
1. Een klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren. Het mag niet verlangen, dat dit te zijnen gerieve uitwijkt.
2. De artikelen 6.04, 6.05, 6.07, 6.08, eerste lid, 6.10, 6.11 en 6.12 , met uitzondering van het teken B.1 ( bijlage 7), zijn niet van toepassing op of ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen. Een schip, niet zijnde een klein schip, behoeft de artikelen 6.09, tweede lid, 6.13, 6.14 en 6.16 niet in acht te nemen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kleine schepen, slepen en gekoppelde samenstellen.
6.02a Vaarregels voor kleine schepen onderling
1. Een klein motorschip moet uitwijken voor een klein schip, niet zijnde een motorschip.
2. Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet uitwijken voor een klein zeilschip.
3. Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar kruisen, zó dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet:
a. indien zij recht of vrijwel recht tegen elkaar insturen, ieder van hen uitwijken naar stuurboord, om elkaar bakboord op bakboord voorbij te varen;
b. indien hun koersen elkaar kruisen, onverminderd de artikelen 6.13, 6.14 en 6.16, het kleine schip, dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, uitwijken.
4. Indien de koersen van twee kleine zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet:
a. ingeval beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordsboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordsboeg ligt;
b. ingeval beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip uitwijken voor het lijwaartse;
c. ingeval een schip dat over stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip ziet en niet met zekerheid kan bepalen of dat schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg ligt, het daarvoor uitwijken.

Een klein zeilschip moet een ander klein zeilschip aan loef voorbijlopen. Loef is aan de zijde tegenover het gezette grootzeil.
5. Een klein schip mag niet zodanig het vaarwater opkruisen, dat het een klein schip, dat zijn stuurboordswal houdt, dwingt uit te wijken.
II. Ontmoeten en voorbijlopen
6.03 Algemene beginselen
1. Ontmoeten of voorbijlopen is slechts geoorloofd, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
2. Bij een samenstel mogen de tekens dan wel de seinen, voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04 en 6.10, slechts worden getoond dan wel worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, bij een sleep echter in ieder geval door het motorschip aan de kop van de sleep.
3. Bij ontmoeten of voorbijlopen mogen de schepen waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit hun koers noch hun snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.
6.04 Ontmoeten: Hoofdregels
( Bijlage 3: schets 63)
1. Bij het ontmoeten moet een opvarend schip aan een afvarend schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.
2. Het opvarende schip dat daartoe aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.
3. Het opvarende schip dat daartoe aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tonen:
a. des nachts: een wit helder flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;
b. des daags: een lichtblauw bord in combinatie met een wit helder flikkerlicht.

Het blauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm. Het raam- en stangenwerk, alsmede het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moet donker van kleur zijn.
Deze tekens moeten van voren en van achteren zichtbaar zijn en zij moeten worden getoond, totdat het voorbijvaren heeft plaats gehad. Het is verboden deze tekens langer te tonen, tenzij om eveneens aan een volgend afvarend schip aan te duiden dat het voor dit aan stuurboord de weg vrijlaat.
4. Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het opvarende schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende schip geven:
-. "één korte stoot", indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden, of
-. "twee korte stoten", indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.
5. Onverminderd artikel 6.05 moet het afvarende schip de weg volgen die door het opvarende schip overeenkomstig bovenstaande bepalingen wordt aangewezen. Het afvarende schip moet de tekens, bedoeld in het derde lid, en de geluidsseinen, bedoeld in het vierde lid, die het opvarende schip toont, dan wel geeft, herhalen.
6.05 Ontmoeten: Afwijking van de hoofdregels
1. In afwijking van artikel 6.04 hebben de volgende schepen het recht te verlangen, dat de weg die een opvarend schip vrijlaat wordt gewijzigd indien de weg volgens artikel 6.04 hun niet past:
a. een afvarend passagiersschip, dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, indien het wil aanleggen aan een ontschepingsplaats, gelegen aan de door het opvarende schip gehouden oever;
b. een afvarende sleep, die om te kunnen opdraaien een bepaalde oever wil houden.
Zij mogen dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.
2. In dit geval moet het afvarende schip tijdig de volgende seinen geven:
-. "één korte stoot", indien het wil, dat het voorbijvaren bakboord op bakboord plaatsvindt, of
-. "twee korte stoten", indien het wil, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Het moet dan bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.
3. Het opvarende schip moet aan het verlangen van het afvarende schip voldoen en dit op de volgende wijze bevestigen:
-. indien het ontmoeten bakboord op bakboord dient te geschieden moet het "één korte stoot" geven en bovendien het tonen van de tekens, bedoeld in artikel 6.04, derde lid, staken, of
-. indien het ontmoeten stuurboord op stuurboord dient te geschieden, moet het "twee korte stoten" geven en bovendien de tekens, bedoeld in artikel 6.04, derde lid, tonen.
4. Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de bij het tweede lid voorgeschreven geluidsseinen herhalen.
6.06 (vervallen)
6.07 Ontmoeten in een engte
1. Om ontmoeten in vakken of op plaatsen waar het vaarwater daarvoor niet voldoende ruimte biedt (engten) zoveel mogelijk te vermijden, zijn de volgende regels van toepassing:
a. een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren, met dien verstande evenwel, dat voorbijlopen verboden is;
b. indien het uitzicht beperkt is, moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, "één lange stoot" geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen;
c. wanneer een opvarend schip constateert, dat een afvarend schip op het punt staat een engte binnen te varen, moet het beneden de engte stilhouden, totdat het afvarende schip deze is doorgevaren;
d. wanneer een opvarend samenstel een engte reeds is binnengevaren, moet een afvarend schip zo mogelijk boven de engte stilhouden, totdat het opvarende samenstel deze is doorgevaren. Hetzelfde geldt voor een alleenvarend afvarend schip ten opzichte van een alleenvarend opvarend schip.
2. Ingeval het ontmoeten in een engte onvermijdelijk is geworden, moet een schip alle mogelijke maatregelen nemen om het ontmoeten op een zodanige plaats en onder zodanige omstandigheden te doen plaatsvinden, dat het gevaar tot een minimum wordt beperkt.
6.08 Verbod tot ontmoeten door tekens langs de vaarweg
1. Bij het naderen van door het teken A.4 ( bijlage 7) aangeduide vakken is artikel 6.07 van toepassing.
2. Indien de bevoegde autoriteit op een bepaald vak, teneinde ontmoeten te voorkomen, de scheepvaart afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt:
-. het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7);
-. de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door een algemeen aanwijzingsteken E.1 ( bijlage 7).
Al naar gelang van de omstandigheden ter plaatse kan het teken dat het verbod tot doorvaren aanduidt worden aangekondigd door het teken B.8 ( bijlage 7), gebruikt als waarschuwingsteken.
6.09 Voorbijlopen: Algemene bepalingen
1. Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.
2. Het schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voor zover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.
6.10 Voorbijlopen: Gedrag en seinen der schepen
1. De oploper mag de opgelopene aan bakboord of aan stuurboord voorbijlopen. Indien voorbijlopen mogelijk is, zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, geeft de oploper geen geluidsseinen om de aandacht van de opgelopene te trekken.
2. Indien het voorbijlopen niet kan geschieden zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, dan wel is te vrezen dat de opgelopene de bedoeling van de oploper om voorbij te lopen niet heeft begrepen, en deswege gevaar voor aanvaring bestaat, moet de oploper geven:
a. "twee lange stoten gevolgd door twee korte stoten", zo hij aan bakboord van de opgelopene wil voorbijlopen;
b. "twee lange stoten gevolgd door één korte stoot", zo hij aan stuurboord van de opgelopene wil voorbijlopen.
3. De opgelopene die gevolg kan geven aan het verlangen van de oploper, moet aan de door deze gewenste zijde voldoende ruimte laten door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.
4. Indien het voorbijlopen niet aan de door de oploper gewenste zijde, maar wel aan de andere zijde kan geschieden, moet de opgelopene geven:
a. "één korte stoot", zo het voorbijlopen aan zijn bakboordszijde mogelijk is;
b. "twee korte stoten", zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordszijde mogelijk is.

De oploper die onder deze omstandigheden nog wil voorbijlopen moet geven:
-. "twee korte stoten", in het geval onder a, of
-. "één korte stoot", in het geval onder b.

De opgelopene moet dan voldoende ruimte laten aan de zijde waar het voorbijlopen moet geschieden door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.
5. Indien het voorbijlopen zonder gevaar niet mogelijk is, moet de opgelopene "vijf korte stoten" geven.
6.11 Verbod tot voorbijlopen door tekens langs de vaarweg
Onverminderd artikel 6.08, eerste lid, is voorbijlopen verboden:
a. in een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.2 ( bijlage 7);
b. tussen samenstellen onderling, in een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.3 ( bijlage 7).
Het verbod geldt evenwel niet ingeval het een duwstel betreft, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.
III. Andere vaarregels
6.12 Varen in vakken waar de te volgen weg wordt voorgeschreven
In een vak van de vaarweg aangeduid door één der tekens B.1, B.2a, B.2b, B.3a, B.3b, B.4a of B.4b ( bijlage 7) moet een schip de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt.
6.13 Keren
1. Een schip mag slechts keren nadat het zich er van heeft vergewist dat, het tweede en derde lid in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
2. Indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip dat wil keren dit tijdig tevoren aankondigen door het geven van:
a. "één lange stoot gevolgd door één korte stoot", zo het over stuurboord wil keren, of
b. "één lange stoot gevolgd door twee korte stoten", zo het over bakboord wil keren.
3. Het andere schip moet dan, voorzover nodig en mogelijk, zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.
In het bijzonder ten opzichte van een schip dat wil opdraaien moet het ertoe medewerken, dat dit tijdig kan geschieden.
4. In een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.8 ( bijlage 7) is keren verboden.
Is daarentegen een vak aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7), dan wordt daarmede aan de schipper aanbevolen aldaar te keren, waarbij dit artikel in acht genomen moet worden.
6.14 Gedrag bij vertrek
Artikel 6.13 is eveneens van toepassing op een schip, met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede lid van dat artikel vermelde seinen moet dit schip evenwel geven:
-. "één korte stoot", zo het stuurboord uitgaat, of
-. "twee korte stoten", zo het bakboord uitgaat.
6.15 Verbod zich in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep te begeven
Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.
6.16 In- en uitvaren van havens en van nevenvaarwegen
1. Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarweg uitvaren en een hoofdvaarwater invaren of oversteken, dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
Een afvarend schip, dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaarweg in te varen, moet voorrang verlenen aan een opvarend schip dat eveneens deze haven of deze nevenvaarweg wil invaren.
Nevenvaarwegen kunnen worden aangeduid door één der tekens E.9 of E.10 ( bijlage 7).
2. Indien door één der in het eerste lid bedoelde manoeuvres een ander schip zou of kan worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip, met uitzondering van een veerpont, zijn manoeuvre tijdig aankondigen door het geven van:
-. "drie lange stoten gevolgd door één korte stoot", zo het vóór het invaren dan wel na het uitvaren stuurboord uit zal gaan;
-. "drie lange stoten gevolgd door twee korte stoten", zo het vóór het invaren dan wel na het uitvaren bakboord uit zal gaan;
-. "drie lange stoten", zo het na het uitvaren de vaarweg zal oversteken. Vóór het eind van het oversteken moet het schip zo nodig geven:
-. "één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het stuurboord uit wil gaan, of
-. "één lange stoot gevolgd door twee korte stoten", zo het bakboord uit wil gaan.
Het andere schip moet dan zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen.
3. Indien bij de uitmonding van een haven of van een nevenvaarweg één der tekens B.9a of B.9b ( bijlage 7) is geplaatst, mag een schip, dat de haven of de nevenvaarweg uitvaart, de hoofdvaarweg slechts opvaren of oversteken, indien een ander schip daardoor niet wordt genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.
4. Een rood licht, teken A.1 ( bijlage 7), in combinatie met een witte pijl ( bijlage 7, afdeling II, onder 2.c), betekent dat het invaren van de haven of de nevenvaarweg, gelegen in de richting die door de punt van de pijl wordt aangeduid, verboden is.
6.17 Op gelijke hoogte varen; verbod een schip te naderen
1. Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.
2. Behalve bij voorbijlopen of ontmoeten, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een schip of samenstel, dat de tekens voorgeschreven bij artikel 3.14, tweede of derde lid, voert.
3. Onverminderd artikel 1.20 mag een schip niet langszijde komen van een varend schip of een varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan.
4. Een persoon die waterskiet, dan wel die watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip, moet voldoende afstand houden van een varend schip of drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf.
6.18 Verbod om ankers, kabels of kettingen te laten slepen
1. Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten slepen.
2. Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich laat drijven met toestemming van de bevoegde autoriteit, of zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op laad- en losplaatsen, alsmede op de reden. Het verbod geldt echter wel voor een schip dat zich verplaatst in een vak van de vaarweg aangeduid overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid onder b, door het teken A.6 ( bijlage 7).
6.19 Zich laten drijven
1. Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.
2. Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op laad- en losplaatsen, alsmede op de reden.
3. Een schip dat afvaart met kop op stroom, en met vooruitwerkende middelen tot voortbeweging, wordt beschouwd als een opvarend schip en niet als een schip dat zich met de stroom laat meedrijven.
6.20 Hinderlijke waterbeweging
1. Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een kunstwerk zou kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden die, nodig voor het veilig sturen:
a. voor een havenmond;
b. in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel dat wordt geladen of gelost;
c. in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;
d. in de nabijheid van een niet-vrijvarende veerpont;
e. in een vak van de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).
2. Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, onder b en c, niet ten opzichte van een klein schip.
3. Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, dat de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.25, eerste lid onder c, voert en bij het voorbijvaren van schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, die de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.29, eerste lid, voeren, zijn snelheid verminderen, zoals bij het eerste lid is voorgeschreven. Het moet bovendien zo ver mogelijk daarvan verwijderd blijven.
6.21 Samenstelling van samenstellen
1. Een motorschip dat zorgt voor de voortbeweging van een samenstel moet een vermogen hebben dat voldoende is om de goede manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.
2. Behalve bij werkzaamheden, of bij het bieden van hulp aan een in nood verkerend schip, mag een motorschip slechts worden gebruikt om te slepen, te duwen of voor de voortbeweging van een gekoppeld samenstel te dienen, voor zover zulks is vermeld in het certificaat van onderzoek.
Het motorschip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient moet zich aan stuurboordszijde van dit samenstel bevinden. Wanneer echter één of meer duwbakken gekoppeld worden voortbewogen, mag één hiervan zich aan stuurboordszijde van het samenstel bevinden.
3. Een passagiersschip dat passagiers aan boord heeft mag niet gekoppeld varen. Het mag niet slepen of zich laten slepen, behalve ingeval het verhalen van een beschadigd schip zulks noodzakelijk maakt.
6.22 Stremming van de scheepvaart en buiten gebruik gestelde gedeelten
1. Indien de bevoegde autoriteit door een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) te kennen geeft dat de scheepvaart is gestremd, moet een schip vóór dit teken stilhouden.
2. Een schip en een drijvend voorwerp, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, mogen niet varen op gedeelten van de vaarweg aangeduid door het teken A.1a ( bijlage 7).
Artikel 6.22a. Voorbijvaren van drijvende werktuigen in bedrijf en van vastgevaren of gezonken schepen ( Bijlage 3: schets 50 a, 50 b, 52)
Het is verboden om een schip bedoeld in artikel 3.25 voorbij te varen aan de zijde waar het toont:
-. het rode licht of de rode lichten bedoeld in artikel 3.25, eerste lid onder b en d, of
-. het teken A.1 ( bijlage 7), de rode bol of de rode vlag bedoeld in artikel 3.25, eerste lid onder b en d.
IV. Veerponten
6.23 Vaarregels voor veerponten
1. Een veerpont mag de vaarweg slechts oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.
2. Voorts moet een niet-vrijvarende veerpont de volgende bepalingen in acht nemen:
a. indien de veerpont buiten dienst is, moet hij ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit toegewezen plaats. Ingeval geen ligplaats is toegewezen, moet hij zodanig ligplaats nemen, dat het vaarwater vrij blijft;
b. indien de langskabel van een veerpont het vaarwater kan versperren, mag de veerpont aan de zijde van het vaarwater, gelegen tegenover het punt van verankering van de kabel, slechts ligplaats nemen, zolang dit volstrekt noodzakelijk is voor het van boord gaan en het aan boord komen van passagiers. Gedurende deze tijd mag een naderend schip door het tijdig geven van "één lange stoot" het vrijmaken van het vaarwater verlangen;
c. de veerpont mag zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor het uitoefenen van de dienst nodig is.
V. Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen
6.24 Doorvaren van bruggen en stuwen; algemene bepalingen
1. De doorvaartopening van een brug of van een stuw, waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor de gelijktijdige doorvaart van twee schepen, is een engte zoals bedoeld in artikel 6.07.
2. Indien bij de doorvaartopening van een brug of van een stuw wordt getoond:
a. het teken A.10 ( bijlage 7), mag een schip in deze doorvaartopening niet varen buiten de begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen;
b. het teken D.2 ( bijlage 7), wordt aanbevolen in deze opening uitsluitend te varen binnen de begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen.
6.25 Doorvaren van vaste bruggen
1. Een schip mag niet varen door de doorvaartopening van een vaste brug waarboven een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7) wordt getoond.
2. Indien boven een doorvaartopening van een vaste brug wordt getoond:
a. het teken D.1a ( bijlage 7), of
b. het teken D.1b ( bijlage 7), wordt aanbevolen bij voorkeur van deze doorvaartopening gebruik te maken.

Ingeval van het teken onder a is de doorvaart vrij uit beide richtingen, ingeval van het teken onder b is de doorvaart uit de tegenovergestelde richting verboden.
3. Indien een doorvaartopening van een vaste brug is aangeduid overeenkomstig het tweede lid, mag de scheepvaart slechts op eigen risico gebruik maken van de niet door een teken aangeduide opening.
6.26 Doorvaren van schipbruggen
Onverminderd de artikelen 6.07, 6.08 en 6.24 gelden voor het doorvaren van een schipbrug de volgende bepalingen:
a. een alleenvarend motorschip in afvaart, met uitzondering van een klein schip, mag een alleenvarend motorschip binnen een afstand van 1 km boven de schipbrug niet voorbijlopen. Alle andere schepen mogen elkaar binnen een afstand van 2 km boven de schipbrug niet voorbijlopen;
b. een schip mag bij het doorvaren van de schipbrug niet sneller varen dan voor een veilige besturing noodzakelijk is en het moet zoveel mogelijk het midden van de doorvaartopening houden;
c. een opvarend schip mag binnen een afstand van 100 m beneden de schipbrug niet stilhouden;
d. een schip mag geen ankers uitzetten, kettingen laten slepen, trossen laten vieren, aan de oever meren of door welke andere handeling ook schade veroorzaken aan de verankeringen van de schipbrug.
6.27 Doorvaren van stuwen
1. Een schip mag niet door een opening van een stuw varen, waarbij een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) wordt getoond.
2. Een schip mag slechts door een opening van een stuw varen indien aan de rechter- en linkerzijde van deze opening een algemeen aanwijzingsteken E.1 ( bijlage 7) wordt getoond.
6.28 Doorvaren van sluizen
1. Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis moet een schip snelheid verminderen.
Het moet ingeval het de sluis niet onmiddellijk mag of wil invaren en op de oever het teken B.5 ( bijlage 7) wordt getoond, vóór dit teken stilhouden.
2. Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat uitgerust is met een marifooninstallatie welke voorzien is van de kanalen voor de nautische informatie, uitluisteren op het kanaal van de sluis.
3. Het schutten geschiedt in volgorde van aankomst op de wachtplaatsen.
Een klein schip kan niet verlangen afzonderlijk te worden geschut. Het mag de sluis pas invaren op aanwijzing van het sluispersoneel. Een klein schip, dat tezamen met andere schepen wordt geschut, mag de sluis echter eerst invaren na deze andere schepen.
4. Bij het naderen van een sluis, in het bijzonder op de wachtplaats, mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.
5. In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voor zover de ankers niet worden gebruikt.
6. Bij het invaren van een sluis moet een schip zoveel snelheid verminderen als nodig is om stoten tegen de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel tegen andere schepen of drijvende voorwerpen te vermijden.
7. In een sluis:
a. moet een schip, indien stopstrepen op de sluismuren zijn aangebracht, binnen de daardoor aangegeven grenzen ligplaats nemen;
b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk, totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet tegen de sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende voorwerpen kan stoten;
c. mag een schip slechts voorwerpen die, voor zover zij afneembaar zijn, niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken;
d. mogen een schip en een drijvend voorwerp geen water op het sluisterrein dan wel op andere schepen of drijvende voorwerpen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f. moet een klein schip op enige afstand ligplaats nemen van een ander schip.
8. Op de wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip een zijwaartse afstand van ten minste 10 m in acht nemen ten opzichte van een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert. Deze verplichting geldt evenwel niet voor een schip of een samenstel dat eveneens dit teken voert, alsmede voor een schip bedoeld in artikel 3.14, zevende lid.
9. Een schip of een samenstel dat de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid, voert, wordt afzonderlijk geschut.
10. Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.
11. Het sluispersoneel kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.
Een schip in de sluis en op de wachtplaats daarvan is verplicht aan deze verkeersaanwijzingen gevolg te geven.

6.28a In- en uitvaren van sluizen
1. Het invaren van een sluis wordt zowel des nachts als des daags geregeld door tekens die aan één zijde of aan weerszijden van de invaartopening worden getoond. Deze tekens betekenen:
a. twee rode lichten boven elkaar:
het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;
b. één rood licht of twee rode lichten naast elkaar:
het invaren is verboden, de sluis is gesloten;
c. het doven van één der twee naast elkaar getoonde rode lichten, dan wel een rood licht en een groen licht naast elkaar:
het invaren is verboden, de sluis zal aanstonds worden geopend;
d. één groen licht of twee naast elkaar getoonde groene lichten:
het invaren is toegestaan.
2. Het uitvaren van een sluis wordt zowel des nachts als des daags geregeld door de volgende tekens:
a. één rood licht of twee rode lichten:
het uitvaren is verboden;
b. één groen licht of twee groene lichten:
het uitvaren is toegestaan.
3. Het rode licht of de rode lichten, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het bord van teken A.1 ( bijlage 7).
Het groene licht of de groene lichten, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het bord van teken E.1 ( bijlage 7).
4. Bij het ontbreken van lichten of andere tekens mag een schip een sluis slechts in- en uitvaren na een verkeersaanwijzing door het sluispersoneel.
6.29 Schutting bij voorrang
In afwijking van artikel 6.28, derde lid, hebben recht op schutting bij voorrang:
a. schepen van de bevoegde autoriteit, alsmede brandweer-, politie- en douaneboten van de Oeverstaten, die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend.
VI. Slecht zicht; varen op radar
6.30 Algemene bepalingen voor het varen bij slecht zicht
1. Een varend schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden.
Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich òf binnen gezichts- of gehoorafstand van de schipper van het schip of van het samenstel bevindt, òf een spreekverbinding met hem heeft. Op een samenstel behoeft alleen het schip aan de kop van het samenstel de uitkijk te hebben.
2. Bij slecht zicht mag een schip slechts de vaart voortzetten indien het met een marifooninstallatie voor de kanalen voor het schip-schipverkeer is uitgerust en het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert. Het moet aan de andere schepen de nodige inlichtingen ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart geven.
3. Een schip moet gaan stilliggen, wanneer in verband met de mate van beperking van het zicht, met de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen of met de plaatselijke omstandigheden de vaart niet zonder gevaar kan worden voortgezet. Bovendien moet, indien in een sleep geen visueel kontakt tussen de gesleepte lengten en het motorschip aan de kop van de sleep meer mogelijk is, de sleep op de dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats gaan stilliggen.
4. Teneinde te beoordelen of de vaart al dan niet zodner gevaar kan worden voortgezet en teneinde de aan te houden snelheid te bepalen mag een schip dat gebruik maakt van radar de waarneming met radar in aanmerking nemen. Het moet hierbij rekening houden met de vermindering van het zicht die andere schepen ondervinden.
5. Het vierde lid is niet van toepassing op een afvarende sleep.
6 Een schip moet bij het stilliggen het vaarwater zoveel mogelijk vrij maken.
6.31 Geluidsseinen van een schip dat stilligt
1. Een schip of een drijvend voorwerp dat bij slecht zicht in het vaarwater of in de nabijheid daarvan buiten havens en in het bijzonder daartoe door de bevoegde autoriteit bestemde plaatsen stilligt moet des daags, zodra en zolang het van een n aderend schip één der seinen, voorgeschreven bij de artikelen 6.32, derde lid onder a, 6.32, vierde lid, of 6.33, eerste lid, hoort, geven:
a. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de linkerzijde van het vaarwater bevindt: "één reeks klokslagen";
b. indien het zich (stroomafwaarts gezien) aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "twee reeksen klokslagen";
c. indien het niet zeker is, of het zich aan de linker- dan wel aan de rechterzijde van het vaarwater bevindt: "drie reeksen klokslagen". Dit sein moet eveneens des nachts worden gegeven.
2. Het schip moet deze seinen herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op één schip van het samenstel van toepassing.
6.32 Varen op radar
1. Een schip mag slechts op radar varen indien zowel een persoon die houder is van het Rijnpatent dan wel een ander bewijs van vaarbekwaamheid erkend volgens het Reglement Rijnpatenten voor het te bevaren riviergedeelte alsmede van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma's voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn, als een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden.
Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.
2. Een op radar varend schip, duwstel en gekoppeld samenstel behoeven voorop geen uitkijk zoals voorgeschreven in artikel 6.30, eerste lid, te hebben, indien de schipper in staat is de vaart veilig voort te zetten.
3. Een in afvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm een schip waarneemt waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn:
a. het in artikel 4.06, eerste lid onder b, bedoelde drietonige sein geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen. Deze bepaling is niet van toepassing op kleine schepen;
b. de snelheid verminderen en zo nodig kop vóór stilhouden of opdraaien.
4. Een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het het sein bedoeld in het derde lid, onder a, hoort, of op het scherm een schip waarneemt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden, of wanneer het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, "één lange stoot" geven en per marifoon aan de van de andere kant komende schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven, en of het al dan niet het blauwe bord en het witte flikkerlicht bedoeld in artikel 6.04 toont. Een klein schip mag evenwel slechts zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en naar welke zijde het uitwijkt.
Een in afvaart op radar varend schip moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en de hem aangewezen weg bevestigen of aangeven naar welke zijde het uitwijkt.
5. Het eerste, derde en vierde lid gelden ingeval van een sleep, een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.
6.33 Geluidsseinen voor niet op radar varende schepen
1. Een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, die bij slecht zicht varen zonder gebruik te maken van radar, moeten als mistsein geven: "één lange stoot". Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste één minuut.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een klein schip.
6.34 Bepalingen voor niet op radar varende schepen die het drietonige sein horen
Een niet op radar varend schip moet, zodra het het drietonige sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder a, hoort:
a. indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt: deze oever aanhouden en, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;
b. indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, in het bijzonder wanneer het zich van de ene naar de andere oever begeeft: het vaarwater zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.