Rijnvaartpolitiereglement 1995

I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn
hoofdstuk 4 Geluidsseinen van schepen; marifoon; radar
I. Geluidsseinen (Bijlage 6)
4.01. Algemene bepalingen
1. Indien in dit reglement andere geluidsseinen zijn voorzien dan klokslagen of reeksen klokslagen, moeten deze geluidsseinen worden gegeven:
a. aan boord van een motorschip, met uitzondering van een klein schip, door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren;
b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door middel van een geschikte geluidsinstallatie, scheepstoeter of hoorn.
2. Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor het drietonig sein bedoeld in artikel 6.32, derde lid onder a, gegeven door met behulp van radar afvarende schepen, of voor klokslagen of reeksen klokslagen.
3. Bij een varend duwstel of gekoppeld samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of het gekoppeld samenstel bevindt en, in het geval van een sleep, slechts door het motorschip aan de kop van de sleep.
4. Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.
4.02 Geven van geluidsseinen
1. Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moet een schip, niet zijnde een klein schip, zo nodig de geluidsseinen geven, vermeld in de bijlage 6.
2. Kleine schepen mogen zo nodig de algemene geluidsseinen geven, vermeld in afdeling A van bijlage 6.
4.03 Verboden geluidsseinen
1. Het is verboden andere geluidsseinen te geven dan die welke in dit reglement worden vermeld, dan wel deze geluidsseinen te geven onder andere omstandigheden dan die waarvoor zij in dit reglement zijn voorzien of worden toegelaten.
2. Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen of met de wal gebruik maken van andere geluidsseinen, mits hierdoor geen verwarring kan ontstaan met de in dit reglement vermelde geluidsseinen.
4.04 Noodseinen
1. Indien een schip door middel van geluidsseinen hulp wil inroepen (schip in nood, man overboord, enz.) mag het reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten laten horen.
2. Deze seinen dienen ter vervanging of ter aanvulling van de in artikel 3.30 bedoelde optische tekens.
II. Marifoon
4.05 Marifoon
1. Iedere zich aan boord van een schip of van een drijvende inrichting bevindende marifooninstallatie moet in overeenstemming zijn met de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart en worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling. Deze voorschriften worden vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.
2. De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het schip-schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart zijn toegelaten.
3. Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een marifooninstallatie geschikt voor de kanalen voor het schip - - schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten die goed functioneert.
Met deze marifooninstallatie moet gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.
4. Een varend motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het schip- schip verkeer aangewezen kanaal, tenzij in een bepaald geval bij uitzondering het uitluisteren op een ander kanaal verantwoord is, en moet op de voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.
Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.
5. Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit.
III. Radar
4.06 Radar
1. Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:
a. het is uitgerust met een voor de behoeften van de binnenvaart geschikte radarinstallatie en een aanwijzer van de snelheid van draaiing van het schip, die goed functioneren en die van een type zijn dat voor de Rijn is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van één van de Oeverstaten of van België. Een niet vrij-varende veerpont behoeft echter niet te zijn uitgerust met een aanwijzer van de snelheid van draaiing;
b. het is uitgerust met een geluidsinstallatie die geschikt is voor het geven van een driemaal herhaalde reeks van drie tonen van verschillende toonhoogte die zonder onderbreking op elkaar volgen en in totaal ongeveer twee seconden duren. Elke reeks van drie tonen moet beginnen met de laagste en eindigen met de hoogste toon (drietonig sein). De frequenties van de drie tonen moeten liggen tussen 165 Hz en 297 Hz. Tussen de hoogste en de laagste toon moet een interval liggen van ten minste twee hele tonen. Deze bepaling geldt niet voor kleine schepen en veerponten;
c. zich aan boord een persoon bevindt, die houder is van een diploma, afgegeven krachtens het Reglement betreffende het verlenen van diploma’s voor het voeren van een vaartuig met behulp van radar op de Rijn. Onverminderd artikel 1.09, derde lid, mag des daags bij goed zicht van radar worden gebruik gemaakt teneinde hiermede te oefenen, zonder dat zich een zodanig persoon aan boord bevindt.

Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip <=> schip verkeer, die goed functioneert.
2. Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het gekoppeld samenstel bevindt.