Besluit van 15 december 1994 houdende regeling inzake de rusttijden van bemanningsleden, de samenstelling van de bemanning en de vaartijden van schepen op binnenwateren

(Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart)

Versie geldig vanaf: 01-03-2001


Geschiedenis: Staatsblad 1998, 131;Staatsblad 1998, 645;Staatsblad 2001, 35

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 juli 1994, Directoraat-Generaal van de Arbeid, Afdeling Wetgeving en Juridische Zaken, nr. DGA/AIB/WJZ/94/06022, gedaan mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 1, onderdeel d, en 5, eerste lid, van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart;
Mede gelet op de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 (Trb. 1955, 161 en 1964, 83);
Gezien de adviezen van de Sociaal-Economische Raad (adviezen van 28 juni 1985 en 20 januari 1989) en van de Emancipatieraad (advies van 21 juni 1984);
De Raad van State gehoord (advies van 13 september 1994, no. W12.94.0452);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 1994, Directoraat-Generaal van de Arbeid, Afdeling Wetgeving en Juridische Zaken, nr. DGA/AIB/WJZ/94/09337A, uitgebracht mede namens Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit en de daarbij behorende bijlagen bepaalde wordt verstaan onder:
a. wet: Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart;
b. motorschip: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen zelfstandig te varen;
c. duwboot: een schip dat is gebouwd om te duwen en niet is bestemd voor het zelfstandig vervoeren van goederen;
d. sleepschip: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat
1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen,
2°. wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt zijn;

e. duwbak: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd of geschikt gemaakt om te worden geduwd en dat
1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen,
2°. wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt zijn;

f. hecht samenstel: een duwstel of een gekoppeld samenstel;
g. duwstel: een hecht samenstel van schepen, waarvan ten minste één is geplaatst voor het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
h. gekoppeld samenstel: een samenstelling van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het schip met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
i. zeeschipbak: een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;
j. passagiersschip: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning, niet zijnde een veerboot of een veerpont;
k. hotelschip: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
l. bunkerschip: een schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden;
m. veerboot: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanning, alsook van voertuigen op meer dan twee wielen, dat een veerdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de Dollard, de Eems, de Waddenzee met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee, of de Westerschelde en de zeemonding daarvan met inbegrip van de overige waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds;
n. veerpont: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van één of meer personen buiten de bemanning, dat een veerdienst onderhoudt tussen plaatsen gelegen aan de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, niet zijnde een veerboot;
o. lengte: de grootste lengte van de scheepsromp, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
p. breedte: de grootste breedte gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, schoepraderen niet inbegrepen;
q. rusttijd: de tijd waarin een bemanningslid geen taak verricht noch daartoe verplicht is. De bewaking en het toezicht op een stilliggend schip worden niet beschouwd als taak in de zin van deze definitie;
r. dagvaart: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, ten hoogste 14 uur dan wel overeenkomstig artikel 9, 16 uur bedraagt;
s. semi-continuvaart: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, meer dan 14 uur, doch ten hoogste 18 uur, met uitzondering van artikel 9, bedraagt;
t. continuvaart: exploitatiewijze waarbij de vaartijd van een schip per 24 uur, blijkens de op die periode betrekking hebbende aantekening in het vaartijdenboek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, meer dan 18 uur bedraagt;
u. tachograaf: een registratie-apparaat ter controle van de naleving van bij of krachtens de wet gegeven voorschriften, van een door Onze Minister goedgekeurd model;
v. Scheepvaartinspectie: de Scheepvaartinspectie, bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet.

Artikel 2
Als lijn, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, wordt aangewezen de lijn, vastgesteld bij koninklijk besluit van 2 juni 1982 (Stb. 363).

§ 1. Algemeen

Artikel 3
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met de rust- en vaartijden, vervuld gedurende een tijdvak van 48 uur, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het schip de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet is binnengevaren.
2. Een schip dat de in het eerste lid bedoelde binnenwateren binnenvaart is voorzien van:
a. hetzij een vaartijdenboek als bedoeld in artikel 25, onderdeel a, waaruit blijkt op welke wijze de rusttijden van elk der bemanningsleden alsmede de vaartijden van het schip, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode zijn vervuld;
b. hetzij een ander document waaruit de in onderdeel a bedoelde gegevens blijken.
Artikel 4
1. Het is een bemanningslid verboden arbeid te verrichten in een toestand van oververmoeidheid.
2. Het is de gezagvoerend schipper verboden een bemanningslid in een zodanige toestand arbeid te laten verrichten.

§ 2. Rusttijden van bemanningsleden

Artikel 5
De gezagvoerend schipper en diens werkgever organiseren de arbeid zodanig dat een bemanningslid geen arbeid verricht in strijd met paragraaf 5.5 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Artikel 6
[Vervallen.]

Artikel 7
Een wisseling van exploitatiewijze is slechts mogelijk met inachtneming van de volgende voorschriften:
a. van de exploitatiewijze dagvaart mag slechts dan naar de semi-continuvaart worden gewisseld indien:
1°. de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
2°. de voor de exploitatiewijze semi-continuvaart bestemde bemanningsleden direct voor de wisseling een rusttijd van 8 uur, waarvan 6 uur buiten de vaartijd, in acht hebben genomen en de voor de exploitatiewijze semi-continuvaart voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt;

b. van de exploitatiewijze semi-continuvaart mag slechts dan naar de dagvaart worden gewisseld indien:
1°. de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
2°. de voor de exploitatiewijze dagvaart bestemde bemanningsleden direct voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 uur buiten de vaartijd in acht hebben genomen;

c. van de exploitatiewijze continuvaart mag slechts dan naar de dagvaart of de semi-continuvaart worden gewisseld indien:
1°. de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
2°. de voor de exploitatiewijze dagvaart respectievelijk semi-continuvaart bestemde bemanningsleden direct voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur in acht hebben genomen;

d. van de exploitatiewijze dagvaart of semi-continuvaart mag slechts dan naar de continuvaart worden gewisseld indien:
1°. de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
2°. de voor de exploitatiewijze continuvaart bestemde bemanningsleden direct voor de wisseling een onafgebroken rusttijd van 8 respectievelijk 6 uur buiten de vaartijd in acht hebben genomen, en de voor de exploitatiewijze continuvaart voorgeschreven minimumbemanning zich aan boord bevindt.

Artikel 8
[Vervallen.]

§ 3. Bepalingen inzake de vaartijden van schepen

Artikel 9
1. In de dagvaart mag de vaartijd van een schip ten hoogste eenmaal per week tot ten hoogste 16 uur worden verlengd indien:
a. het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die inwerking is gesteld vanaf het einde van de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart en
b. de bemanning voor de dagvaart, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 14, uit ten minste twee schippers als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, bestaat.

2. Een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, en een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, mag worden geëxploiteerd overeenkomstig het eerste lid, aanhef, indien het schip of de schepen die zorgdragen voor de voortstuwing van het hecht samenstel of het sleepschip, voldoen aan het eerste lid.
Artikel 10
1. In de dagvaart onderbreekt een schip de vaart van 22.00 uur tot 6.00 uur, tenzij het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die inwerking is gesteld vanaf het einde van de voorgaande ten minste 8 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken gedurende ten minste 8 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 8 uur.
2. In de semi-continuvaart onderbreekt een schip de vaart van 23.00 uur tot 5.00 uur, tenzij het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf die inwerking is gesteld vanaf het einde van de voorgaande ten minste 6 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart. In dat geval wordt de vaart onderbroken gedurende ten minste 6 aaneengesloten uren in elke periode van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van iedere onderbreking van ten minste 6 uur.
3. Het eerste en het tweede lid zijn van toepassing op een sleepschip dat niet zelfstandig vaart, of een schip waarvan de voortstuwing in een hecht samenstel door een schip of meer andere schepen wordt verzorgd, indien het schip of de schepen die zorgdragen voor de voortstuwing van het samenstel, zijn uitgerust met een goed functionerende tachograaf die in werking is gesteld vanaf het einde van de voorgaande ten minste 8 respectievelijk 6 aaneengesloten uren durende onderbreking van de vaart.

Artikel 11
Indien gebruik wordt gemaakt van een tachograaf in de gevallen, bedoeld in de artikelen 9 en 10, bewaart de gezagvoerend schipper de registraties van de tachograaf gedurende ten minste zes maanden na de laatste aantekening daarop in chronologische volgorde aan boord.

§ 1. Bepalingen inzake de samenstelling van de minimumbemanning

Artikel 12
1. De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit de bemanningsleden, opgenomen in tabel 1 van bijlage I.
2. De minimumbemanning van hechte samenstellen bestaat uit de bemanningsleden, opgenomen in tabel 2 van bijlage I.
3. De minimumbemanning van passagiersschepen die niet als hotelschip worden geëxploiteerd, bestaat uit de bemanningsleden, opgenomen in tabel 3a van bijlage I, en de minimumbemanning van passagiersschepen die als hotelschepen worden geëxploiteerd, bestaat uit de bemanningsleden, opgenomen in tabel 3b van bijlage I.
4. De minimumbemanning van veerboten bestaat uit de bemanningsleden opgenomen in tabel 4.

Artikel 13
1. Motorschepen, duwboten en passagiersschepen mogen slechts met een minimumbemanning worden geëxploiteerd indien zij zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door het hoofd van de Scheepvaartinspectie, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de volgende voorschriften:
a. de voortstuwingsinstallaties zijn zo ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanuit het stuurhuis kunnen geschieden.
De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip kunnen vanuit het stuurhuis worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn;
b. het kritieke peil
1°. van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren,
2°. van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie,
3°. van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppelingen of de schroeven,
4°. van het bilgewater in de machinekamer,

wordt aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas kunnen worden uitgeschakeld nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen;
c. de brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren geschieden automatisch;
d. de stuurhandelingen kunnen zelfs bij de grootste toegelaten inzinking van het schip door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning worden verricht;
e. de door het ter plaatse geldende scheepvaartreglement voorgeschreven navigatielichten, tekens en geluidsseinen voor varende schepen kunnen vanuit het stuurhuis worden gegeven;
f. indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen het stuurhuis en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, is een spreekinstallatie aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekinstallatie optische en akoestische signalen worden gebruikt;
g. indien een bijboot is voorgeschreven, dan kan deze door één bemanningslid binnen een redelijke tijd te water worden gelaten;
h. er is een vanuit het stuurhuis te bedienen schijnwerper aan boord;
i. de kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 16 kg bedragen;
j. de in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren worden mechanisch aangedreven;
k. de lenspompen en de dekwaspompen worden mechanisch aangedreven;
l. de voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten zijn ergonomisch uitgevoerd en aangebracht;
m. de inrichting nodig voor het sturen van het schip kan vanuit het stuurhuis worden bediend. Indien voor de goede bestuurbaarheid of het kop voor stilhouden een boegroerinstallatie voorgeschreven is, kan deze eveneens vanuit het stuurhuis worden bediend;
n. het schip is uitgerust met een radiotelefonie-installatie voor schip-schipverkeer en nautische informatie.

De verklaring, bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, afgegeven door de Commissie van Deskundigen, waarin is vastgelegd of een schip al dan niet voldoet aan de voorschriften met betrekking tot de uitrusting van schepen, wordt met de in de aanhef bedoelde verklaring gelijkgesteld.
2. Tegen de beschikking van het hoofd van de Scheepvaartinspectie, bedoeld in het eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.
3. Indien een schip als bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste lid, wordt de minimumbemanning, bedoeld in de tabellen 1 tot en met 3b van bijlage I:
a. in de dagvaart versterkt met één matroos;
b. in de semi-continuvaart versterkt met één matroos;
c. in de continuvaart versterkt met twee matrozen.
4. Indien een schip als bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan uitsluitend het eerste lid, onderdeel i of k, dan wel i en k, wordt, in afwijking van het derde lid, onderdeel c, de minimumbemanning in de continuvaart slechts versterkt met één matroos.
5. Onverminderd het bepaalde in het derde lid, wordt, indien een schip niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel a tot en met c, dan wel a, b, of c:
a. in de dagvaart een matroos vervangen door een matroos-motordrijver;
b. in de semi-continuvaart een matroos vervangen door een matroos-motordrijver en worden
c. in de continuvaart twee matrozen vervangen door twee matrozen-motordrijver.
Artikel 14
1. De minimumbemanning van schepen, niet zijnde motorschepen, duwboten, hechte samenstellen, passagiersschepen of veerboten, is, rekening houdend met de afmetingen, de bouw, de inrichting en de bestemming van deze schepen, voldoende met het oog op de veiligheid van de vaart en van de arbeid aan boord.
2. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan met inachtneming van het eerste lid, na overleg met het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie, ten aanzien van elk schip als bedoeld in het eerste lid afzonderlijk dan wel voor categorieën van schepen als bedoeld in het eerste lid de minimumbemanning vaststellen. Schepen als bedoeld in de vorige zin zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door het hoofd van de Scheepvaartinspectie, waarin de minimumbemanning is vastgelegd.
3. Het hoofd van de Scheepvaartinspectie kan na overleg met het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie, ten aanzien van bunkerschepen met een lengte van minder dan 35 meter die slechts op korte trajecten ingezet worden, een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 12, eerste lid. Bunkerschepen als bedoeld in de vorige zin, zijn voorzien van een verklaring, afgegeven door het hoofd van de Scheepvaartinspectie, waarin de minimumbemanning is vastgelegd.

Artikel 15
1. De minimumbemanning, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 14, bevindt zich tijdens de vaart voortdurend aan boord.
2. Indien door onvoorziene omstandigheden, zoals ziekte, ongeval of bevel van een gezagdrager, tijdens de vaart ten hoogste één lid van de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven minimumbemanning uitvalt, mag een schip, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, doorvaren tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats, mits de bemanning ten minste uit twee bemanningsleden bestaat, waarvan er één voldoet aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a. Voor een passagiersschip geldt in plaats van de eerstvolgende geschikte aanlegplaats, het eindpunt van de reis van die dag.

Artikel 16
Een vrouw, die krachtens arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht, mag geen deel uitmaken van de minimumbemanning gedurende ten minste 14 weken rondom de vermoedelijke datum van haar bevalling, waarvan ten minste 6 weken vóór deze datum en ten minste 7 weken na de feitelijke datum van de bevalling liggen.

Artikel 17
De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van één of meer zich aan boord bevindende kinderen die de leeftijd van 6 jaar nog niet hebben bereikt, mag geen deel uitmaken van de minimumbemanning, tenzij er maatregelen zijn getroffen waardoor de veiligheid van het kind of de kinderen ook zonder voortdurend toezicht is gewaarborgd.

§ 2. Eisen te stellen aan bemanningsleden

Artikel 18
1. De bemanningsleden van schepen, niet zijnde veerboten, voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten:
a. een schipper is
1°. hetzij in het bezit van een groot patent als bedoeld in het Reglement Rijnpatenten 1998 of een krachtens artikel 5.01 van het Reglement Rijnpatenten 1998 geldig Rijnschipperspatent;
2°. hetzij in het bezit van een vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van de Binnenschepenwet;
3°. hetzij in het bezit van een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel g, van de Binnenschepenwet, voor zover dat bewijs is erkend voor de bedrijfsmatige vaart;
4°. hetzij krachtens de Binnenschepenwet vrijgesteld of ontheven van de verplichting in het bezit te zijn van een groot vaarbewijs als bedoeld in artikel 16 van de Binnenschepenwet, mits de aan de vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen door hem worden nageleefd.

b. een stuurman voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste twee jaar als zodanig in de binnenvaart gevaren;
c. een machinist is
1°. hetzij ten minste 18 jaar en in het bezit van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van motoren en werktuigkunde heeft gevolgd dan wel in het bezit van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
2°. hetzij ten minste 19 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos-motordrijver en heeft ten minste twee jaar als zodanig op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen gevaren;

d. een volmatroos voldoet aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste één jaar als zodanig in de binnenvaart gevaren;
e. een matroos-motordrijver voldoet
1°. hetzij aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding voor matroos-motordrijver heeft gevolgd dan wel een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
2°. hetzij aan de vereisten die op grond van dit artikel worden gesteld aan een matroos en heeft ten minste één jaar als zodanig op een schip met mechanische voortstuwingsmiddelen gevaren, en bezit een aantoonbare elementaire kennis op het gebied van motoren;

f. een matroos is
1°. hetzij ten minste 17 jaar en in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg een opleiding voor matroos heeft gevolgd dan wel een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
2°. hetzij ten minste 19 jaar en heeft ten minste drie jaar gevaren als lid van een dekbemanning, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaar, hetzij in de binnenvaart, dan wel in de zeevaart, kustvaart of visserij, met dien verstande dat 250 vaardagen op een zee-, kust- of vissersschip als een jaar worden gerekend;
g. een lichtmatroos is
1°. hetzij ten minste 16 jaar;
2°. hetzij ten minste 15 jaar en in het bezit van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers, of het volgen van een schriftelijke cursus die door Onze Minister is erkend dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland is erkend en die opleidt tot een gelijkwaardig diploma.
2. De bemanningsleden van veerboten voldoen aan onderscheidenlijk de volgende vereisten:
a. een schipper is ten minste 21 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een schipper en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de korte opleiding schipper-machinist met beperkt werkgebied of een andere door onze Minister erkende opleiding alsmede te allen tijde de nautische Module Zoute Veren heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijk-waardige opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
b. een stuurman is ten minste 21 jaar en voldoet aan de vereisten die op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, worden gesteld aan een schipper en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een E.H.B.O.-opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door Onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
c. een 1e machinist is ten minste 21 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg hetzij de opleiding MTS-Werktuigbouw alsmede de opleiding Zoute Veren, technische Module, hetzij de opleiding Machinist Binnenvaart B aangevuld met de opleiding Zoute Veren, technische Module, hetzij een andere door Onze Minister erkende opleiding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
d. een 2e machinist is ten minste 19 jaar en is in het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de opleiding machinist binnenvaart B heeft gevolgd, hetzij een andere door onze Minister erkende opleiding heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een door Onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd dan wel is in het bezit van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen;
e. een matroos is ten minste 19 jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd;
f. een lichtmatroos is ten minste 18 jaar en is in het bezit van een door Onze Minister erkend getuigschrift waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleiding brandbestrijding heeft gevolgd, dan wel is in het bezit van een door onze Minister erkend buitenlands getuigschrift waaruit blijkt dat hij een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van bemanningsleden van veerponten opleidings- en ervaringseisen worden gesteld, welke afwijken van het eerste lid of strekken ter aanvulling daarvan.
Artikel 19
1. Een bemanningslid is in het bezit van een geneeskundige verklaring, afgegeven door een arts die is aangewezen door Onze Minister dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen betreffende de lichamelijke geschiktheid als voorgeschreven in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
2. Indien de afgifte van een verklaring wordt geweigerd, kan, op verzoek van de betrokkene, een verklaring worden afgegeven door een door Onze Minister aangewezen arts, niet zijnde de arts die de verklaring heeft geweigerd, indien de betrokkene voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het tweede lid.

Artikel 20

1. Een geneeskundige verklaring, afgegeven vóór de 65-jarige leeftijd van een bemanningslid, is geldig tot drie maanden na de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd bereikt.
2. Een geneeskundige verklaring afgegeven nadat een bemanningslid de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, is geldig gedurende een tijdvak van een jaar.

Artikel 21
Geen verklaring als bedoeld in artikel 19, eerste lid, is vereist ten aanzien van de schipper, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 22
Een ambtenaar als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet is bevoegd te eisen, dat binnen een door hem te bepalen termijn een nieuwe geneeskundige verklaring wordt afgegeven, indien hij redelijkerwijs vermoedt dat de houder daarvan niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 19, eerste lid. Hij kan tevens eisen, dat aan degene, die in het bezit is van een eigen verklaring, als bedoeld in artikel 21, tweede lid, binnen een door hem te bepalen termijn een geneeskundige verklaring wordt afgegeven, overeenkomstig artikel 19, indien hij redelijkerwijs vermoedt, dat de betrokkene niet meer lichamelijk geschikt is, als bedoeld in artikel 21, tweede lid. De eerder afgegeven geneeskundige verklaring of eigen verklaring verliest zijn geldigheid na afloop van de in de eerste en tweede volzin bedoelde termijn.

Artikel 23
1. Bij ministeriële regeling wordt de vergoeding vastgesteld die verschuldigd is voor de kosten van afgifte van een geneeskundige verklaring, als bedoeld in artikel 19.
2. Indien een geneeskundige verklaring wordt afgegeven, overeenkomstig artikel 22, komen de kosten van afgifte ten laste van het Rijk.

HOOFDSTUK IV. CONTROLEMIDDELEN

§ 1. Dienstboekje

Artikel 24
1. Een bemanningslid is in het bezit van een dienstboekje zoals omschreven in artikel 23.04, dan wel 24.05, eerste lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 18 tot en met 21.
2. Het dienstboekje, bedoeld in het eerste lid, is afgegeven door een door Onze Minister aangewezen instelling, welke verantwoordelijk is voor de invulling van het dienstboekje overeenkomstig de daarin gestelde instructies, alsmede voor het invullen van de gegevens betreffende de in artikel 18 gestelde eisen aan het bemanningslid.
3. Een bemanningslid laat het dienstboekje, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens binnen een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten minste éénmaal afstempelen door de in het tweede lid bedoelde instelling.
4. Een bemanningslid overhandigt het dienstboekje bij de aanvang van het dienstverband aan de gezagvoerend schipper.
5. De gezagvoerend schipper is verantwoordelijk voor de invulling van het dienstboekje overeenkomstig de daarin gestelde instructies. Gegevens betreffende een eerder afgelegde reis worden vóór het begin van de volgende reis ingevuld.
6. De gezagvoerend schipper bewaart het dienstboekje van een bemanningslid tot de beëindiging van zijn dienstverband. Op verzoek van het betreffende bemanningslid geeft de gezagvoerend schipper het dienstboekje te allen tijde en onverwijld aan hem terug.
7. De in het eerste lid neergelegde verplichting geldt niet voor:
a. het bemanningslid dat in het bezit is van een van de documenten, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a;
b. het bemanningslid van een veerboot en veerpont dat in het bezit is van een document waaruit blijkt dat hij voldoet aan de eisen, gesteld in de artikelen 18 tot en met 21.

§ 2. Vaartijdenboek

Artikel 25
De gezagvoerend schipper is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord van het schip de volgende documenten aanwezig zijn:
a. een vaartijdenboek als bedoeld in artikel 23.08 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn;
b. in geval van toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef, een verklaring als bedoeld in artikel 13, eerste lid, dan wel de beschikking tot weigering van afgifte van deze verklaring, of een afschrift daarvan;
c. een verklaring als bedoeld in artikel 26, derde lid.

>Artikel 26
1. Het vaartijdenboek is afgegeven door een instelling, aangewezen door Onze Minister dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland.
2. Op het eerste vaartijdenboek worden de volgende gegevens vermeld:
a. het nummer 1;
b. de naam van het schip;
c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer.

3. Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek wordt een verklaring uitgereikt die de naam van het schip, het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte vermeldt.
4. De volgende vaartijdenboeken worden bij afgifte voorzien van een volgnummer. Deze afgifte wordt aangetekend op de verklaring, bedoeld in het derde lid.
5. Een volgend vaartijdenboek wordt slechts afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek.
6. Het voorgaande vaartijdenboek wordt, nadat daarop de onuitwisbare aantekening "ongeldig" is aangebracht, teruggegeven.

Artikel 27
1. Het vaartijdenboek wordt door de gezagvoerend schipper bijgehouden overeenkomstig de daarin gestelde aanwijzingen. De aantekeningen worden naar waarheid ingevuld en zijn onuitwisbaar en duidelijk leesbaar aangebracht.
2. Indien op een dag twee of meer vaarten worden gemaakt en de samenstelling van de bemanning ongewijzigd blijft, kan worden volstaan met de vermelding van het tijdstip van aanvang van de eerste vaart in plaats van het tijdstip van aanvang van elke vaart op die dag en kan worden volstaan met het invullen van het einde van de laatste vaart in plaats van het tijdstip van einde van elke vaart op die dag.
3. De in het vaartijdenboek vermelde bepaling, dat per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, is slechts van toepassing voor de bemanningsleden in de continuvaart. In de dagvaart en in de semi-continuvaart worden het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid, iedere dag gedurende de reis, aangetekend.
4. De na een wisseling van exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen worden op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek aangebracht.
5. Tijdens de vaart is het vaartijdenboek in de stuurhut aanwezig.
6. De gezagvoerend schipper bewaart het overeenkomstig artikel 26, zesde lid, ongeldig verklaarde vaartijdenboek gedurende 6 maanden nadat daarin de laatste aantekening is gesteld aan boord.

Artikel 28
1. Het vaartijdenboek is niet vereist met betrekking tot,[Tekstcorrectie: “tot,” moet zijn “tot”] veerboten en veerponten.
2. De gezagvoerend schipper van een veerboot en een veerpont is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord een scheepsjournaal aanwezig is, waarin de volgende gegevens worden vermeld:
a. de naam van het schip;
b. het begin en einde van de veerdienst van het schip;
c. het merk van de teboekstelling of het officiële scheepsnummer;
d. de leden van de bemanning bij het begin van de dagelijkse veerdienst van het schip met vermelding van naam en functie, en vervolgens telkens wanneer deze van samenstelling verandert.

HOOFDSTUK V. BEPALINGEN INZAKE ZEESCHEPEN

Artikel 29
Het bij of krachtens de hoofdstukken II, III, met uitzondering van artikel 13, en IV bepaalde, alsmede de artikelen 31 tot en met 33, zijn niet van toepassing op zeeschepen die voldoen aan de bepalingen van Resolutie A. 481 (XII) van de Internationale Maritieme Organisatie van 19 november 1981 en het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de normen van zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, met Bijlage, (Trb. 1981, 144 en 1992, 109), mits:
a. het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de aantallen, opgenomen onder de exploitatiewijze continuvaart, bedoeld in de betreffende tabellen van bijlage I;
b. er zich tijdens de vaart een persoon aan boord bevindt die voldoet aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°.

Artikel 30
In geval van toepassing van artikel 29 gelden de volgende voorschriften:
a. de bemanningsleden, bedoeld in artikel 29, onderdeel a, zijn in het bezit van een verklaring als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage IV, waaruit blijkt dat zij voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid, bedoeld in de in de aanhef van artikel 29 bedoelde regelingen;
b. de in artikel 29, onderdeel b, bedoelde persoon wordt na elke wacht van ten hoogste 14 uur vervangen door een persoon die voldoet aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°;
c. de gezagvoerend schipper is verplicht ervoor te zorgen dat aan boord van het zeeschip een logboek aanwezig is en, voor zover het logboek daarin niet voorziet, een ander document waarin het aantal bemanningsleden wordt bijgehouden;
d. in het logboek of andere document, bedoeld in onderdeel c, worden de volgende aantekeningen gemaakt:
1°. de namen van de personen die voldoen aan artikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 3°, alsmede het begin en het einde van hun wacht;
2°. het begin, de onderbreking, de voortzetting en het einde van de vaart van het zeeschip, met telkens daarbij de vermelding van datum, tijdstip en plaats, alsmede, voor zover het zeeschip zich op de Rijn, de Lek of de Waal bevindt, van de kilometerraai.


HOOFDSTUK VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 31
1. In afwijking van artikel 9, onderdeel b, mag in de groepen 1 en 3 van tabel 1, bedoeld in bijlage I, één van de schippers worden vervangen door een bemanningslid dat in het bezit is van een dienstboekje, waarin is aangetekend dat de betrokkene op de datum van inwerkingtreding van dit besluit ten minste twee jaar als matroos bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel f, of als matroos-motordrijver bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel e, in de binnenvaart heeft gevaren. De in de vorige volzin bedoelde aantekening is binnen een termijn van ten hoogste twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit in het dienstboekje geplaatst door de instelling, bedoeld in artikel 24, tweede lid.
2. De in het eerste lid bedoelde vervanging mag in groep 2 van tabel 1, bedoeld in bijlage I, slechts geschieden indien de minimumbemanning met ten minste een lichtmatroos wordt uitgebreid.

Artikel 32
Artikel 13 is niet van toepassing op een schip zolang er geen technisch onderzoek van het schip heeft plaatsgevonden:
a. volgens het tijdschema, bedoeld in de artikelen 32 en 34 van het Binnenschepenbesluit, op basis waarvan een certificaat van onderzoek zal worden afgegeven
of
b. volgens een tijdschema opgesteld door een bevoegde autoriteit in het buitenland, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (PbEG L 301), op basis waarvan een communautair certificaat zal worden afgegeven.
Artikel 33
1. De vereisten, genoemd in artikel 18, eerste lid, onderdelen b tot en met f, zijn gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet van toepassing voor de daar bedoelde bemanningsleden. Ten aanzien van deze bemanningsleden gelden de volgende eisen met betrekking tot de minimumleeftijd:
a. een stuurman is ten minste 19 jaar;
b. een machinist is ten minste 18 jaar;
c. een volmatroos is ten minste 18 jaar;
d. een matroos-motordrijver is ten minste 18 jaar;
e. een matroos is hetzij ten minste 17 jaar hetzij ten minste 16 jaar en in het bezit van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers, of het volgen van een schriftelijke cursus die door Onze Minister is erkend dan wel door een bevoegde autoriteit in het buitenland is erkend en die opleidt tot een gelijkwaardig diploma.
2. In het in het eerste lid bedoelde geval worden de in artikel 18, eerste lid, onderdelen b tot en met f, genoemde vereisten, waaraan de bedoelde bemanningsleden voldoen, in het dienstboekje ingevuld.

Artikel 34
In afwijking van artikel 29, onderdeel b, en artikel 30, onderdeel b, kunnen de daar genoemde personen gedurende een periode van vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, volstaan met het overleggen van:
a. een verklaring dat met goed gevolg een examen is afgelegd als bedoeld in artikel 11 van het Besluit vaarbewijzen binnenvaart dan wel een door Onze Minister erkende buitenlandse verklaring waaruit blijkt dat met goed gevolg een examen is afgelegd in het theoretisch gedeelte voor een bewijs van bekwaamheid voor de bedrijfsmatige binnenvaart dat bij internationale regeling dan wel in het bezit van een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, en
b. een verklaring als bedoeld in artikel 30, onderdeel a, dan wel een eigen verklaring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, waaruit blijkt dat zij lichamelijk geschikt zijn, in het bijzonder wat betreft hun gezichts- en gehoororganen.

Artikel 35
Dit besluit en de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart treden in werking op 1 januari 1995.

Artikel 36
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart.

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 15 december 1994

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de negenentwintigste december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager