Bijlage 2. Goedkeurings- en toelatingseisen der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990


Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Nominale spanningen
Artikel 1.02. Functie-eisen
Artikel 1.03. Bevestiging
Artikel 1.04. Fotometrische eisen
Artikel 1.05. Onderdelen
Artikel 1.06. Onderhoud
Artikel 1.07. Veiligheidseisen
Artikel 1.08. Toebehoren
Artikel 1.09. Niet-elektrische lantaarns
Artikel 1.10. Dubbel uitgevoerde lantaarns
Hoofdstuk 2 Fotometrische en colorimetrische eisen
Artikel 2.01. Fotometrische eisen
Artikel 2.02. Colorimetrische eisen
Hoofdstuk 3 Technische eisen
Artikel 3.01. Elektrische navigatielantaars
Artikel 3.02. Trommellenzen en inzetglazen
Artikel 3.03. Elektrische lichtbronnen
Hoofdstuk 4 Procedure voor keuring en goedkeuring
Artikel 4.01. Algemene gedragsregels
Artikel 4.02. Aanvraag tot goedkeuring
Artikel 4.03. Keuring
Artikel 4.04. Goedkeuring
Artikel 4.05. Intrekking van de goedkeuring
Aanhangsel Tests tegen invloeden van buitenaf
1:. Test van de bescherming tegen stofafzetting en spatwater
2:. Test bij vochtig klimaat
3:. Test bij lage temperaturen
4:. Test bij hoge temperaturen
5:. Triltest
6:. Test van korte duur naar de bestandheid tegen weersinvloeden
7:. Test naar de bestandheid tegen zout water en weersinvloeden

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.01. Nominale spanningen
De nominale spanningen voor navigatielantaarns in de Rijnvaart zijn 230 V, 110 V, 24 V en 12 V. Bij voorkeur moet apparatuur voor 24 V worden gebruikt.

Artikel 1.02. Functie-eisen
Navigatielantaarns en hun toebehoren mogen niet door de normaal aan boord van een schip heersende omstandigheden in hun functioneren worden beïnvloed. Alle optische onderdelen en onderdelen die belangrijk zijn voor bevestiging en afstelling moeten zo zijn gemaakt dat hun ingenomen positie zich tijdens het gebruik niet kan wijzigen.

Artikel 1.03. Bevestiging
De onderdelen die voor de bevestiging aan boord dienen, moeten zo zijn gemaakt dat na plaatsing van de lantaarns aan boord de eenmaal ingenomen positie zich tijdens het gebruik niet kan wijzigen.

Artikel 1.04. Fotometrische eisen
Lantaarns moeten de voorgeschreven spreiding van de lichtsterkte hebben; de kleurherkenbaarheid moet zijn gewaarborgd en de vereiste lichtsterkten moeten onmiddellijk na het inschakelen van de navigatielantaarns worden bereikt.

Artikel 1.05. Onderdelen
In de navigatielantaarns mogen uitsluitend de verlichtingstechnische onderdelen worden gebruikt die volgens de constructie van die lantaarns daarvoor zijn bestemd.

Artikel 1.06. Onderhoud
De constructie van de navigatielantaarns en hun toebehoren moet het geregeld onderhoud mogelijk maken; de lichtbronnen moeten op eenvoudige wijze, ook in het donker, kunnen worden verwisseld.

Artikel 1.07. Veiligheidseisen
Navigatielantaarns en hun toebehoren moeten zo zijn gebouwd en gedimensioneerd dat tijdens de werking, de bediening en het onderhoud ervan, geen gevaar voor personen kan ontstaan.

Artikel 1.08. Toebehoren
Toebehoren voor navigatielantaarns moeten zo zijn geconstrueerd en vervaardigd dat door hun bevestiging, inbouw of aansluiting de goede werking en het normale gebruik van de lantaarns niet worden geschaad.

Artikel 1.09. Niet-elektrische lantaarns
Lantaarns met een niet-elektrische lichtbron moeten overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1.02 tot en met 1.08 van dit hoofdstuk zijn vervaardigd en voldoen aan de eisen bedoeld in hoofdstuk 3.
De eisen bedoeld in hoofdstuk 2 van deze goedkeurings- en toelatingseisen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.10. Dubbel uitgevoerde lantaarns
Twee in een lantaarnhuis boven elkaar aangebrachte lantaarns (dubbel uitgevoerde lantaarns) moeten als afzonderlijke navigatielantaarns gebruikt kunnen worden.

Hoofdstuk 2. Fotometrische en colorimetrische eisen

Artikel 2.01. Fotometrische eisen
1. De fotometrische waardebepaling van de navigatielantaarns is in de artikelen van de "Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990" vastgelegd.
2. De constructie van de navigatielantaarns moet zodanig zijn dat geen storende reflectie of breking van het licht kan optreden. Gebruik van reflectoren is niet toegestaan.
3. Bij twee- en driekleurige boordlichten moet overschijnen van licht van een andere kleur ook binnen de beglazing doeltreffend worden verhinderd.
4. Voor niet-elektrische navigatielantaarns zijn deze eisen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.02. Colorimetrische eisen
1. De colorimetrische waardebepaling van de navigatielantaarns is in de "Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990" vastgelegd.
2. De kleur van het door de navigatielantaarns uitgestraalde licht moet bij de bedrijfskleurtemperatuur van de lichtbron binnen de in de "Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990" bedoelde kleursectoren liggen.
3. De kleur van het door de lantaarns uitgestraalde licht mag slechts door geheel doorgekleurde trommellenzen (trommellenzen, cilinderglazen) en inzetglazen worden geproduceerd, waarbij de afzonderlijke kleurgebieden van het uitgestraalde licht wat hun coördinaten betreft niet meer dan 0,01, overeenkomstig het kleurdiagram volgens de CIE, van elkaar mogen afwijken.
Gekleurde lampballons zijn niet toegestaan.
4. De gezamenlijke doorzichtigheid van de gekleurde cilinderglazen (inzetglazen) moet zo zijn bemeten dat de vereiste lichtsterkten bij de bedrijfskleurtemperatuur van de lichtbron worden bereikt.
5. Reflectie van het licht uit de lichtbron op onderdelen van de navigatielantaarn mag niet selectief zijn, d.w.z. de trichromatische coördinaten x en y van de in de lantaarn toegepaste lichtbron mogen bij de bedrijfskleurtemperatuur geen afwijking van meer dan 0,01 vertonen na reflectie.
6. Heldere trommellenzen mogen het bij de bedrijfskleurtemperatuur door de lichtbron geproduceerde licht niet selectief beïnvloeden. Ook na vrij lange gebruiksduur mogen de trichromatische coördinaten x en y van de in de lantaarn toegepaste lichtbron, nadat het licht door de trommellens is gegaan, geen afwijking van meer dan 0,01 vertonen.
7. De kleur van het door de niet-elektrische lantaarn uitgestraalde licht moet bij de bedrijfskleurtemperatuur van de lichtbron binnen de in de "Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990" bedoelde kleursectoren liggen.
8. De kleur van het licht van gekleurde niet-elektrische lantaarns mag alleen door geheel doorgekleurde inzetglazen worden geproduceerd.
Voor gekleurde niet-elektrische lantaarns moet het totaal van de gekleurde inzetglazen van silicaatglas bij de meest overeenkomende kleurtemperatuur van de niet-elektrische lichtbron zo zijn bemeten dat de vereiste lichtsterkten worden bereikt.

Hoofdstuk 3. Technische eisen

Artikel 3.01. Elektrische navigatielantaarns
1. Alle onderdelen van de navigatielantaarns moeten bestand zijn tegen de bijzondere belastingen van het gebruik aan boord van schepen tengevolge van bewegingen, trillingen, aantasting door corrosie, temperatuurwisselingen, in voorkomend geval schokbelastingen bij het laden en bij het varen door ijs, alsmede door andere aan boord voorkomende invloeden.
2. Constructie, materialen en vormgeving van lantaarns moeten een stabiliteit garanderen die waarborgt dat, na mechanische en thermische belasting, alsmede na blootstelling aan ultra-violette straling, het functioneren van de lantaarns overeenkomstig deze eisen bewaard blijft, met name moeten de fotometrische en colorimetrische eigenschappen behouden blijven.
3. Onderdelen die blootstaan aan corrosieve invloeden moeten zijn vervaardigd uit materialen die bestand zijn tegen corrosie dan wel zijn voorzien van een doelmatige bescherming tegen corrosie.
4. De toegepaste materialen mogen niet hygroscopisch zijn indien daardoor het functioneren van de installaties, apparaten en toebehoren wordt geschaad.
5. De toegepaste materialen mogen niet licht ontvlambaar zijn.
6. De bevoegde autoriteit kan ook materialen met afwijkende eigenschappen toelaten mits door de constructie de vereiste veiligheid is gewaarborgd.
7. Het keuren van navigatielantaarns moet de geschiktheid voor toepassing aan boord bewijzen. Daarbij worden de keuringen ingedeeld naar geschiktheid ten aanzien van de omgeving en naar geschiktheid ten aanzien van de werking.
8. Geschiktheid ten aanzien van de omgeving:
a. Omgevingsklassen
- Klimaatklassen:
X Apparaten die zijn bestemd voor toepassing op plaatsen die aan weersinvloeden zijn blootgesteld.
S Apparaten die zijn bestemd voor onderdompeling of voortdurend contact met zout water.
- Trillingsklassen:
V Apparaten aan masten en op andere plaatsen met tamelijk zware belastingen als gevolg van trillingen.
- Hardheidsklassen:

De omgevingsomstandigheden waaraan navigatielantaarns en hun toebehoren kunnen worden blootgesteld zijn te verdelen in drie hardheidsklassen:
(1). Normale omgevingsomstandigheden:
deze kunnen aan boord regelmatig gedurende vrij lange tijd voorkomen.
(2). Extreme omgevingsomstandigheden:
deze kunnen aan boord in bijzondere gevallen bij uitzondering voorkomen.
(3). Omgevingsomstandigheden tijdens het vervoer:

deze kunnen optreden tijdens vervoer en opslag van niet in gebruik zijnde installaties, apparaten en toebehoren.
Keuringen in normale omgevingsomstandigheden worden "normale omgevingstesten", keuringen in extreme omgevingsomstandigheden worden "extreme omgevingstesten", en keuringen in omstandigheden tijdens het vervoer worden "omgevingstesten tijdens het vervoer" genoemd.
b. Eisen
Navigatielantaarns en hun toebehoren moeten geschikt zijn om ononderbroken te functioneren onder invloed van deining, trillingen, vochtigheid en temperatuurwisselingen, die aan boord van een schip moeten worden verwacht.
Navigatielantaarns en hun toebehoren moeten bij blootstelling aan omgevingsomstandigheden bedoeld in het Aanhangsel (Test tegen invloeden van buitenaf) overeenkomstig hun omgevingscategorie bedoeld in het achtste lid, onder a, goed blijven functioneren.

9. Geschiktheid voor gebruik:
a. Energievoorziening: Bij schommelingen van de nominale waarden [1] voor de spanning en frequentie binnen de grenzen in de onderstaande tabel en bij 5% hogere spanning moeten de lantaarns en hun toebehoren functioneren binnen hun op grond van de goedkeurings- en toelatingseisen voor het normale gebruik aan boord toegelaten tolerantiegrenzen. In principe mag de voedingsspanning van de navigatielantaarn slechts ± 5% van de gekozen nominale spanning afwijken.
Tabel Spannings- en frequentieschommelingen van de elektrische energie- voorziening van navigatielantaarns en hun toebehoren

Soort voeding (nominale spanning) Spanningsschommeling Frequentieschommeling Duur
Gelijkspanning hoger dan ± 10% ± 5 % continu
48 V en wisselspanning ± 20% ± 10% max. 3 s
       
Gelijkspanning van hoogstens 48 V ± 10% - continu


Spanningspieken tot en met ± 1200 V met een opklimmende tijdsduur van 2 tot 10 µs en een lengte tot en met 20 µs en ompoling van de voedingsspanning mogen niet leiden tot beschadiging van de lantaarns en hun toebehoren. Na hieraan te zijn onderworpen, waarbij smeltveiligheden gewerkt mogen hebben, moeten de lantaarns en hun toebehoren werken binnen de op grond van de goedkeurings- en toelatingseisen voor normaal bedrijf aan boord toegelaten tolerantiegrenzen.

b. Elektromagnetische compatibiliteit: Alle denkbare en uitvoerbare maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken van onderlinge elektromagnetische beïnvloeding van de lantaarns en hun toebehoren, en van andere installaties en apparaten behorend tot de scheepsuitrusting, weg te nemen en tegen te gaan.
10. Omgevingsomstandigheden aan boord van schepen:
Normale en uiterste omstandigheden alsmede omstandigheden tijdens het vervoer, bedoeld in het achtste lid, onder a, overeenkomstig de klassen van hardheid zijn gebaseerd op de voorgestelde aanvulling op IEC publikaties 92-101 en 92-504.
Hiervan afwijkende waarden worden met * aangeduid.
Normale omgevingsomstandigheden Uiterste omgevingsomstandigheden Vervoersomgevingsomstandigheden
a. temperatuur van de omgevingslucht:
klasse van het klimaat X en S overeenkomstig het achtste lid, onder a -5 t/m 55° C* -5 t/m + 55° C* -5 t/m +70° C*
b. vochtigheid van de omgevingslucht:
constante temperatuur + 20° C + 35° C + 45° C
maximale relatieve vochtigheidsgraad 95% 75 % 65%
temperatuurwisseling Bereiken van dauwpunt mogelijk.
c. weersomstandigheden aan dek:
zonnestraling 1,120 W/m2    
luchtverplaatsing 50 m/s    
neerslag 15 mm/min    
snelheid van bewegend water (golven) 10 m/s    
zoutgehalte 30 kg/m3    
d. magnetisch veld:
magnetische veldsterkte in willekeurige richting 80 A/m    
e. trilling:
sinusvormige trilling in willekeurige richting
trillingsklasse V bedoeld in het achtste lid, onder a, (verhoogde belasting, b.v. aan masten
frequentiegebied 2 tot 10 Hz 2 tot 13,2 Hz  
amplitude ± 1,6 mm ± 1,6 mm  
frequentiegebied 10 t/m 100 Hz 13,2 t/m 100 Hz  
versnellingsamplitude ± 7 m/s2 ± 11 m/s2  


11. Navigatielantaarns moeten de omgevingstests doorstaan die zijn vermeld in het Aanhangsel (Tests tegen invloeden van buitenaf):
Aanhangsel:

1. Bescherming tegen water en stofafzetting
2. Test bij vochtig klimaat
3. Test bij lage temperaturen
4. Test bij hoge temperaturen
5. Triltest
6. Korte test naar de bestandheid tegen weersinvloeden
7. Test naar de bestandheid tegen zout water en weersinvloeden

12. Onderdelen van navigatielantaarns uitgevoerd in organische materialen moeten ongevoelig zijn voor ultraviolette straling.
Na een 720 uren durende test overeenkomstig onderdeel 6.11 van het Aanhangsel mogen geen kwaliteitsverminderingen optreden en mogen de trichromatische coördinaten x en y niet meer afwijken dan 0,01 ten opzichte van de onderdelen die noch aan straling noch aan water zijn blootgesteld.
13. Transparante onderdelen en afschermingen van lantaarns moeten zo zijn geconstrueerd en vervaardigd dat ze bij normaal gebruik aan boord met 10% overspanning en bij een omgevingstemperatuur van +45° C niet worden vervormd, veranderd of vernietigd.
14. Navigatielantaarns moeten bij langdurig gebruik en 10% overspanning en een omgevingstemperatuur van +60° C een 8 uren durende belasting met een kracht van 1000 N(ewton) onbeschadigd doorstaan.
15. Navigatielantaarns moeten bestand zijn tegen kortstondige onderdompeling. Ze moeten bij langdurig gebruik met 10% overspanning en een omgevingstemperatuur van +45° C een sterke afkoeling door een plens water van 10 liter met een temperatuur van +15° C tot +20° C doorstaan zonder dat veranderingen optreden.
16. De duurzaamheid van de toegepaste materialen moet in bedrijfsomstandigheden zeker zijn gesteld; de materialen mogen met name tijdens het gebruik hoogstens temperaturen aannemen die overeenkomen met hun temperatuur wanneer zij onafgebroken in bedrijf zijn.
17. Indien lantaarns niet-metalen bestanddelen bevatten, moet de bedrijfstemperatuur worden vastgesteld onder omstandigheden die zich aan boord van een schip voordoen bij een omgevingstemperatuur van +45° C.
Is de aldus vastgestelde bedrijfstemperatuur van de niet-metalen bestanddelen hoger dan de in tabel X en XI genoemde grenstemperaturen van de IEC publikatie 598, deel 1, dan moet met een afzonderlijk onderzoek de bestandheid tegen de mechanische, thermische en klimatologische belasting van deze bestanddelen worden vastgesteld.
18. Bij het onderzoek met betrekking tot de vormvastheid der bestanddelen bij bedrijfstemperatuur worden de lantaarns bij een gelijkmatig zachte luchtstroom (v=ca. 0,5 m/s) bij een omgevingstemperatuur van +45° C aan omstandigheden die zich aan boord van een schip voordoen blootgesteld. Tijdens de opwarmtijd en na het bereiken van de bedrijfstemperatuur worden de niet-metalen bestanddelen onderworpen aan een van de constructie afhankelijke of aan een met een mogelijke toepassing overeenkomende mechanische belasting.
Transparante niet van silicaatglas vervaardigde bestanddelen van de lantaarns moeten bestand zijn tegen een druk van een metalen stempel ter grootte van 5 mm * 6 mm met een constante kracht van 6,5 N (overeenkomstig de druk van een vinger) midden tussen de boven- en onderkant op de transparante bestanddelen.
Tijdens deze mechanische belastingen mag dit bestanddeel geen vervormingen vertonen.
19. Bij het onderzoek met betrekking tot de bestandheid van bestanddelen tegen veroudering onder invloed van het klimaat worden lantaarns met niet-metalen bestanddelen, die in bedrijf aan weer en wind blootstaan, in een klimaatkamer gedurende 12 uren achtereen cyclisch aan beurtelings +45° C en 95% relatieve luchtvochtigheid tot -20° C blootgesteld onder omstandigheden die zich periodiek aan boord van een schip voordoen, en wel zodanig dat zij zowel gedurende de vochtigwarme cyclus als bij de wisseling van lage tot hoge temperaturen overeenkomstig hun functie zijn ingeschakeld. De totale duur van deze proef bedraagt minstens 720 uren. Deze test mag niet leiden tot een wijziging in het functioneren van de niet-metalen bestanddelen van het apparaat.
20. Onderdelen van lantaarns die zich binnen handbereik bevinden mogen bij een omgevingstemperatuur van +45° C geen temperaturen aannemen van meer dan +70° C als ze van metaal zijn, en van meer dan +85° C als ze van nietmetalen materialen zijn vervaardigd.
21. Navigatielantaarns moeten volgens de erkende regels der techniek zijn geconstrueerd en vervaardigd. Met name moet de IEC publikatie 598, deel 1, lantaarns - algemene eisen en keuringen - in acht worden genomen.
Hierbij moet aan de eisen van de volgende onderdelen worden voldaan:
- voorzieningen voor aarde (no. 7.2.);
- bescherming tegen gevaar van directe aanraking (no. 8.2.);
- isolatieweerstand en elektrische sterkte (no. 10.2 en no. 10.3.);
- kruip- en luchtwegen voor leidingen (no. 11.2.);
- duurzaamheids- en warmteproeven (no. 12.1, tabel X, XI en XII.);
- bestandheid tegen warmte, brand en kruipstromen (no. 13.2, no. 13.3 en no. 13.4.);
- schroefklemmen (no. 14.2, 14.3 en no. 14.4.).

22. De doorsneden van de elektrische leidingen moeten ten minste 1,5 mm2 zijn. Voor de aansluiting moeten minimaal leidingen van het type HO 7 RN-F of van een daaraan gelijkwaardig type worden gebruikt.
23. De beschermingsgraad van navigatielantaarns voor gebieden met explosiegevaar moet door de daarvoor aangewezen bevoegde autoriteit worden vastgesteld en op het certificaat worden vermeld.
24. De bouwwijze van de lantaarns moet zodanig zijn dat
(1). het inwendige van de lantaarn gemakkelijk kan worden gereinigd en de lichtbron tijdens duisternis gemakkelijk kan worden verwisseld;
(2). geen condenswater in de lantaarn blijft staan;
(3). alleen blijvend elastische afdichtingen tussen de afneembare bestanddelen worden gebruikt;
(4). geen licht van een andere kleur, dan waarvoor de lantaarn is bestemd, kan uitstralen.

25. Bij elke te installeren navigatielantaarn moet een handleiding worden meegeleverd waaruit de opstellingspositie, de bedoelde toepassing en het type van de verwisselbare onderdelen van de lantaarn blijken.
Verplaatsbare lantaarns moeten op gemakkelijke en veilige wijze kunnen worden geïnstalleerd.
26. Noodzakelijke bevestigingsinrichtingen moeten zodanig zijn dat het horizontaal-symmetrisch vlak van de lantaarn evenwijdig loopt met de lengte-as van het schip.
27. Op een lantaarn bestemd om aan boord van een schip te worden geïnstalleerd moeten op een blijvend zichtbare plaats de volgende kenmerken duidelijk en duurzaam zijn aangebracht:
(1). het nominale vermogen van de lichtbron, voor zover uiteenlopende nominale vermogens leiden tot verschillende waarden van de optische draagwijdte;
(2). de categorie van de lantaarn bij sectorlantaarns;
(3). het horizontaal-symmetrisch vlak door een markering op de sectorlantaarns vlak onder, respectievelijk boven het transparante onderdeel;
(4). de hoedanigheid van het licht, b.v. krachtig;
(5). het fabrieksmerk;
(6). het lege vak voor het keurmerk, b.v.


.F.91.235.

Artikel 3.02. Trommellenzen, cilinderglazen en inzetglazen


1. Trommellenzen (trommellenzen, cilinderglazen) en inzetglazen moeten zijn vervaardigd van organisch glas (kunststofglas) of anorganisch glas (silikaatglas).
Trommellenzen en inzetglazen van silikaatglas moeten zijn vervaardigd van een glassoort van tenminste de hydrolytische klasse IV volgens ISO 719, waarbij hun blijvende bestandheid tegen water moet zijn gewaarborgd.
Cilinderglazen en inzetglazen van kunststofglas moeten in een even grote mate bestand zijn tegen water als die van silikaatglas.
Inzetglazen moeten spanningsarm zijn.
2. Trommellenzen en inzetglazen moeten zoveel mogelijk vrij zijn van vegen en luchtbellen, alsmede van verontreinigingen.
Het oppervlak mag geen gebreken, zoals matgeslepen delen, diepe krassen e.d. vertonen.
3. Trommellenzen en inzetglazen moeten voldoen aan de eisen bedoeld in artikel 3.01. De fotometrische en colorimetrische eigenschappen mogen zich onder deze omstandigheden niet wijzigen.
4. De rode en groene inzetglazen voor boordlantaarns mogen niet met elkaar verwisselbaar zijn.
5. Op de trommellenzen en inzetglazen moeten, op een plaats die ook na inbouw in de navigatielantaarns zichtbaar blijft, naast het fabrieksmerk het goedkeuringsmerk en de type-aanduiding goed leesbaar en permanent zijn aangebracht. Deze opschriften mogen er niet toe leiden dat niet meer wordt voldaan aan de fotometrische en colorimetrische minimumeisen.

Artikel 3.03. Elektrische lichtbronnen
1. In de lantaarns mogen alleen de volgens hun constructie daarvoor bestemde gloeilampen worden gebruikt. Deze moeten verkrijgbaar zijn voor nominale spanningen. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.
2. De gloeilamp mag in de navigatielantaarn slechts in de voorgeschreven stand kunnen worden bevestigd. Er worden ten hoogste twee standen toegestaan. Onopzettelijke verdraaiingen en tussenstanden moeten uitgesloten zijn. Voor het testen wordt de minst gunstige positie gekozen.
3. Gloeilampen mogen geen eigenschappen vertonen die hun prestatievermogen ongunstig beïnvloeden, b.v. strepen of vlekken op de ballon of gebrekkige opstelling van de gloeidraad in de ballon.
4. De bedrijfskleurtemperatuur van de gloeilamp mag niet lager zijn dan 2360 K.
5. Er moeten lamphouders en lampvoeten worden toegepast die voldoen aan de speciale eisen voor het optische stelsel en aan de mechanische belasting bij gebruik aan boord.
6. De lampvoet moet zo vast zijn verbonden met de ballon, dat de gloeilamp na een honderd-urig bedrijf en een overspanning van 10% een gelijkmatige draaiing met een daarbij optredend koppel van 25 kg/cm zonder veranderingen en schade verdraagt.
7. Op de ballon of op de voet van de gloeilampen moeten het fabrieksmerk, de nominale spanning, het nominale vermogen, en/of de nominale lichtsterkte, alsmede het goedkeuringsmerk goed leesbaar en duurzaam zijn aangebracht.
8. Gloeilampen moeten voldoen aan de volgende toleranties:
a. gloeilampen voor de nominale spanningen 230V, 110V en 24V.


Nom. spanning Nom. vermogen Opgemeten max. vermogen3) Nom. levensduur Testwaarden3) Gloeilichaam mm
        Horizontale lichtsterkte4 Kleur temperatuur    
V W W h cd K b 1
24 40 43   45 2360 0,72+0,1 13,5+1,35
110 60 69 1000 bis bis 0 0
            15+2,5 11,5+1,5
230 65 69   65 2856 0 0


Opmerkingen:
1 Toelaatbare afwijking ten opzichte van het hart van de lichtbron voor een lamp van 24V/40W: ± 1,5 mm.
2 L: de brede oriënteringsvleugel aan de lampvoet P 28s bij staande lampen bevindt zich links ten opzichte van de uitstralingsrichting.
3 Voor het meten van de beginwaarden moeten de gloeilampen in de gebruiksstand van te voren gedurende 60 minuten in gebruik zijn geweest.
4 De grenswaarden moeten in acht worden genomen in het gebied op ± 10° aan weerszijden van de horizontale lijn door het hart van het gloeilichaam bij een draaiing van de lamp van 360°.
b. gloeilampen voor de nominale spanningen 24V en 12V.


Nom. spanning Nom. vermogen Opgemeten max. vermogen1 Nom. levensduur Testwaarden1 Gloeilichaam
Horizontale lichtsterkte2 Kleur temperatuur
V W W h cd K 1 mm
12 12 9 tot 13
10 18 tot 2360 9 tot 17
24 1000 20 tot
12 30 2856
25 26,5 tot 9 tot 13
24 48


Opmerkingen:
1 Voor het meten van de beginwaarden moeten de gloeilampen in de gebruiksstand van te voren gedurende 60 minuten in gebruik zijn geweest.
2 Deze grenswaarden moeten in acht worden genomen in het gebied op 30° aan weerszijden van de horizontale lijn door het hart van het gloeilichaam bij een draaiing van de lamp van 360°.
c. De lampen worden op de lampvoet gemerkt met vermelding van de bijbehorende grootheden. Als deze merken zich op de ballon bevinden mag daardoor het functioneren van de lampen niet nadelig worden beïnvloed.
d. Indien in plaats van gloeilampen ontladingslampen worden gebruikt, dan zijn hiervoor de eisen voor gloeilampen van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Procedure voor keuring en goedkeuring

Artikel 4.01. Algemene procedureregels
Voor de werkwijze bij de keuring en toelating gelden de bepalingen van de Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart.

Artikel 4.02. Aanvraag tot typekeuring
1. De fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger moet de aanvraag tot typekeuring vergezeld doen gaan van de volgende opgaven en bescheiden alsmede van een proefmodel en eventueel de toebehoren hiervan:
a. opgave van de hoedanigheid van de navigatielantaarn (b.v. krachtig);
b. opgave van de handelsaanduiding en type-aanduiding van de navigatielantaarn, de lichtbron, en eventueel de toebehoren;
c. bij elektrische navigatielantaarns opgave van de nominale spanning waarop de lantaarns overeenkomstig hun bestemming zullen moeten werken;
d. een specificatie van alle technische gegevens en vermogens;
e. een beknopte technische beschrijving met opgave van de materialen waarvan het proefmodel is gemaakt, alsmede een schakelschema met een beknopte technische beschrijving ingeval er voor de navigatielantaarn toebehoren zijn bijgevoegd die invloed kunnen hebben op de werking;
f. voor de proefmodellen en eventueel hun toebehoren in tweevoud:
- een aan- of inbouwvoorschrift met gegevens omtrent lichtbron, bevestiging en houder;
- schetsen met maten, toegekende benamingen en type-aanduidingen, die ter identificatie van de conform het proefmodel vervaardigde en aan boord geïnstalleerde navigatielantaarns, alsmede eventueel hun toebehoren, nodig zijn;
- overige bescheiden zoals tekeningen, onderdelenlijst, schakelschema's, functioneringsvoorschriften en foto’s van alle belangrijke bijzonderheden die ingevolge de hoofdstukken 1 tot en met 3 van deze goedkeurings- en toelatingseisen van invloed kunnen zijn, en voor zover ter vaststelling van de overeenstemming van de uit een beoogde vervaardiging voortkomende apparaten met het proefmodel nodig zijn.


Dit betreft speciaal de volgende gegevens en tekeningen:
(1). Een langsdoorsnede die details van de opbouw van de lens en het profiel van de lichtbron (gloeilamp met gloeidraad) alsmede de bevestiging en de constructie van de houder toont.
(2). Een dwarsdoorsnede door de lantaarn ter hoogte van het midden van de lens die zowel bijzonderheden van de opstelling van de lichtbron, van de lens en eventueel van de optiek, als de horizontale spreidingshoek van de sectorlantaarns weergeeft.
(3). In het geval van een sectorlantaarn een achteraanzicht met bijzonderheden van de houder of de bevestiging.
(4). In het geval van een rondom schijnende lantaarn een illustratie met bijzonderheden van de houder of de bevestiging.
- gegevens van bij vervaardiging in serie toegestane afwijkingen van de lichtbron, van de lens, van de optiek, van de bevestiging of houder en van de in de lantaarn toegepaste lichtbron in verhouding tot de lens;
- gegevens van de horizontale lichtsterkte van de in serie vervaardigde lichtbronnen bij nominale spanning;
- gegevens van de bij vervaardiging in serie toegestane afwijkingen van gekleurde glazen in de kleursoort en doordringbaarheid bij standaard lichtsoort A, dan wel de lichtsoort van de beoogde lichtbron.

2. Bij de aanvraag moeten twee bedrijfsklare proefmodellen met ieder 10 lampen voor elke nominale spanning en eventueel vijf kleurfilters voor elke kleur, alsmede de bevestigingsinrichtingen en houders, worden meegeleverd. Bovendien moeten op verzoek bij het apparaat behorende hulpvoorzieningen, noodzakelijk bij de uitvoering van de keuring, ter beschikking worden gesteld.
3. Het proefmodel moet in alle details overeenstemmen met de beoogde produktie. Het moet in principe zijn uitgerust met alle toebehoren waarmee het aan boord overeenkomstig zijn bestemming zal worden gebruikt. Met toestemming van de bevoegde autoriteit kan voor deze toebehoren een uitzondering worden gemaakt.
4. Meer proefmodellen, bescheiden en aanvullende gegevens dienen op verzoek te worden geleverd.
5. De bescheiden moeten in de landstaal van de bevoegde autoriteit zijn gesteld.
6. Indien een aanvraag tot goedkeuring slechts voor een hulpinrichting wordt ingediend, gelden dienovereenkomstig de leden 1 tot en met 5, waarbij hulpstukken alleen in combinatie met goedgekeurde navigatielantaarns kunnen worden toegelaten.
7. Sectorlantaarns moeten in principe als een compleet stel worden aangeboden.

Artikel 4.03. Keuring
1. Bij de keuring van een nieuw ontwikkeld of gewijzigd, goedgekeurd type navigatielantaarn, alsmede van een nieuw ontwikkelde of gewijzigde, goedgekeurde hulpinrichting wordt vastgesteld of het proefmodel voldoet aan de voorwaarden van deze goedkeurings- en toelatingseisen en overeenstemt met de bescheiden bedoeld in artikel 4.02, eerste lid, onder f.
2. De keuring is gebaseerd op de aan boord van schepen voorkomende omstandigheden. De keuring heeft betrekking op al de mee te leveren lichtbronnen, filters en hulpinrichtingen die voor navigatielantaarns zijn bedoeld.
3. De fotometrische en colorimetrische keuring wordt bij de betreffende nominale spanning uitgevoerd.
De beoordeling van de navigatielantaarn vindt plaats met inachtneming van de horizontale bedrijfslichtsterkte IB en de bedrijfskleurtemperatuur.
4. De keuring van een afzonderlijk onderdeel of een hulpinrichting wordt alleen met het type navigatielantaarn verricht waarvoor dit of deze is bestemd.
5. Keuringen door een andere bevoegde autoriteit ten bewijze van de vervulling van de eisen bedoeld in hoofdstuk 3 kunnen, voor zover hun gelijkwaardigheid overeenkomstig het Aanhangsel (Test tegen invloeden van buitenaf) wordt aangetoond, worden erkend.

Artikel 4.04. Goedkeuring
1. Voor de goedkeuring van navigatielantaarns zijn de artikelen 11 tot en met 15 van de Voorschriften van toepassing.
2. Voor in serie te vervaardigen of vervaardigde lantaarns en hulpinrichtingen kan de goedkeuring aan de aanvrager worden verleend na een op zijn kosten verrichte keuring, als hij instaat voor een zorgvuldig gebruik van de hem door de goedkeuring toegekende rechten.
3. Bij goedkeuring wordt een certificaat van goedkeuring bedoeld in artikel 13 van de Voorschriften voor de overeenkomstige categorie navigatielantaarns verstrekt en wordt aan het type lantaarn een goedkeuringsmerk bedoeld in artikel 15 van de Voorschriften toegekend.
Het goedkeuringsmerk en het serienummer dienen op elke overeenkomstig het proefmodel vervaardigde navigatielantaarn, op een plaats die ook na inbouw aan boord zichtbaar blijft, op duidelijk leesbare en duurzame wijze te worden aangebracht.
Fabrieksmerken en type-omschrijvingen moeten goed leesbaar en duurzaam worden aangebracht. Er mogen op de lantaarns geen tekens worden aangebracht die kunnen leiden tot verwarring met het goedkeuringsmerk.
4. De goedkeuring kan aan een termijn worden gebonden en onder voorwaarden worden verleend.
5. Wijzigingen van een goedgekeurde lantaarn en toevoegingen aan goedgekeurde lantaarns behoeven de toestemming van de bevoegde autoriteit.
6. Indien goedkeuring aan een lantaarn wordt onthouden, wordt de reden van
7. Van elk goedgekeurd type moet een proefmodel aan de bevoegde autoriteit worden afgestaan.

Artikel 4.05. Intrekking van de goedkeuring
1. De goedkeuring van een proefmodel vervalt bij afloop van de termijn, bij intrekking en tengevolge van onthouden hiervan.
2. De goedkeuring kan worden ingetrokken als:
- de voorwaarden waaronder deze is verleend naderhand definitief niet meer bestaan;
- de goedkeurings- en toelatingseisen niet meer in acht worden genomen;
- een navigatielantaarn niet met het goedgekeurde proefmodel overeenstemt;
- de gestelde voorwaarden niet worden nagekomen;
- de houder van de goedkeuring onzorgvuldig is bij de toepassing daarvan.

De goedkeuring moet worden onthouden als de voorwaarden voor verlening niet zijn nagekomen.
3. Bij staking van de produktie van een type-goedgekeurde lantaarn dient de bevoegde autoriteit hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld.
4. Intrekking en onthouden van de goedkeuring hebben tot gevolg dat het gebruik van het toegekende goedkeuringsnummer is verboden.
5. Na het vervallen van de geldigheid van de goedkeuring dient het certificaat van goedkeuring aan de bevoegde autoriteit te worden voorgelegd voor het maken van een aantekening hierop van de ongeldigheid.
[1]Nominale spanning en nominale frequentie zijn de door de fabrikant aangegeven ingestelde waarden. Er kunnnen ook spannings- en/of frequentiegebieden worden genoemd.
[1] Nominale spanning en nominale frequentie zijn de door de fabrikant aangegeven ingestelde waarden. Er kunnnen ook spannings- en/of frequentiegebieden worden genoemd.