Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor de rijnvaart

Bijlage 2


Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel
1.01. Toepassing
1.02. Doel van de bochtaanwijzer
1.03. Typekeuring
1.04. Aanvraag tot typekeuring
1.05. Typegoedkeuring
1.06. Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
1.07. Verklaring fabrikant
1.08. Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
Hoofdstuk 2 Algemene minimum eisen voor bochtaanwijzers
2.01. Constructie en uitvoering
2.02. Uitgezonden radiostoringen en EMC
2.03. Bediening
2.04. Gebruiksaanwijzing
2.05. Inbouw en controle van het functioneren
Hoofdstuk 3 Operationele eisen voor bochtaanwijzers
3.01. Operationele beschikbaarheid van de installatie
3.02. Aanwijzen van de draaisnelheid
3.03. Meetbereiken
3.04. Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing
3.05. Gevoeligheid
3.06. Controle van het functioneren
3.07. Ongevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip
3.08. Ongevoeligheid voor magnetische velden
3.09. Dochterindicatoren
Hoofdstuk 4 Technische minimum eisen voor bochtaanwijzers
4.01. Bediening
4.02. Dempinrichtingen
4.03. Aansluiten van toegevoegde apparatuur
Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor bochtaanwijzers
5.01. Veiligheid, bestendigheid en uitgestraalde storing
5.02. Uitgezonden radiostoringen en EMC
5.03. Keuringsmethodes
Fig. 1. Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.01. Toepassing
In deze voorschriften zijn de technische en operationele minimum eisen voor aanwijzers van de snelheid van draaiing (bochtaanwijzers) voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.

Artikel 1.02. Doel van de bochtaanwijzer
Het doel van de bochtaanwijzer is het vergemakkelijken van het varen met behulp van radar en het meten en aanwijzen van de snelheid van draaiing van het schip naar bakboord en stuurboord.

Artikel 1.03. Typekeuring
Inbouw van bochtaanwijzers aan boord van een schip is slechts toegestaan wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat het apparaat aan de in deze voorschriften gestelde minimum eisen voldoet.

Artikel 1.04. Aanvraag tot typekeuring
1. De aanvraag tot typekeuring van een bochtaanwijzer moet bij de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België worden ingediend. De namen van deze autoriteiten moeten ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden gebracht.
2. Daarbij moet de volgende documentatie worden overgelegd:
a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;
b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;
c. twee bedieningshandleidingen.

3. De aanvrager moet zelf controleren of laten controleren dat aan de in deze voorschriften gestelde minimum eisen wordt voldaan. Het resultaat van deze keuring en de meetrapporten moeten gelijktijdig bij de aanvraag worden ingediend. Deze bescheiden en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden bij de bevoegde autoriteit bewaard.
4. Onder aanvrager wordt verstaan een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld.

Artikel 1.05. Typegoedkeuring
1. Na een geslaagde typekeuring geeft de bevoegde autoriteit een bewijs af. Bij het niet voldoen aan de minimum eisen worden de redenen van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld. De tyepegoedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit verleend. De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede welke typen zijn goedgekeurd.
2. Iedere bevoegde autoriteit is gerechtigd op elk tijdstip een apparaat uit de serie te controleren. Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd dat kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken. Tot de intrekking is de autoriteit bevoegd die ook de goedkeuring heeft verleend.
3. De typegoedkeuring heeft een geldigheidsduur van 10 jaar en kan op verzoek worden verlengd.

Artikel 1.06. Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
1. De tot een installatie behorende toestellen moeten duurzaam met de naam van de fabrikant, de typeaanduiding van de installatie, de toestelsoort en het serienummer zijn gekenmerkt.
2. Het door de bevoegde autoriteit toegekende goedkeuringsnummer moet duurzaam op de bedieningseenheid van de installatie zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.
Het goedkeuringsnummer is samengesteld als volgt:
R-N-NNN
R = Rijn
N = cijfer dat het land van de goedkeuring aangeeft
(1 = F, 2 = N, 4 = D, 6 = B, 7 = CH, 8 = L)
NNN = nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.
3. Het goedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende goedkeuring worden toegepast.
De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het goedkeuringsnummer.
4. De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commisie voor de Rijnvaart per omgaande het verleende goedkeuringsnummer mede.

Artikel 1.07. Verklaring fabrikant
Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimum eisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

Artikel 1.08. Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
1. Bij wijzigingen aan goedgekeurde installaties vervalt de goedkeuring. Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde autoriteit worden gemeld.
2. De bevoegde autoriteit beslist of de goedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is. Is er sprake van een nieuwe typegoedkeuring dan wordt ook een nieuw goedkeuringsnummer toegekend.

Hoofdstuk 2. Algemene minimum eisen voor bochtaanwijzers

Artikel 2.01. Constructie en uitvoering
1. De betreffende bochtaanwijzers moeten geschikt zijn voor de Rijnvaart.
2. Constructie en uitvoering moeten zowel mechanisch als elektrisch in overeenstemming zijn met het peil van de moderne techniek.
3. Voor zover niet reeds voorgeschreven volgens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn of in deze voorschriften niet expliciet vermeld, gelden voor de eisen aan de elektrische voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de toestellen aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu, de geluidsproduktie, alsmede voor de aanduidingen op de toestellen de in "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, General Requirements" opgenomen eisen en meetmethodes.
Aan alle in deze voorschriften genoemde eisen moet bij omgevingstemperaturen van de installaties tussen 0° en 40° C worden voldaan.

Artikel 2.02. Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

1. Uitgezonden radiostoringen
De veldsterkte van de uitgezonden radiostoringen mag in het frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz een waarde van 500 µV/m niet overschrijden. In de frequentiegebieden van 156 - 165 MHz, 450 - 470 MHz, en van 1,53 - 1,544 GHz mag de veldsterkte een waarde van 15 µV/m niet te boven gaan. Deze veldsterktes gelden voor een meetafstand van 3 m ten opzichte van het te keuren apparaat.

2. Electromagnetische compatibiliteit
Bij elektromagnetische veldsterktes tot 15 V/m in de directe nabijheid van het te keuren apparaat moeten de installaties in het frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz aan de minimum eisen voldoen.

Artikel 2.03. Bediening
1. Het aantal bedieningselementen dient te worden beperkt tot het voor de doelmatige bediening strikt noodzakelijke aantal. Uitvoering, aanduiding en werking moeten een eenvoudige, ondubbelzinnige en snelle bediening mogelijk maken. Zij moeten zo zijn geplaatst dat bedieningsfouten zoveel mogelijk worden vermeden. De niet voor normaal gebruik noodzakelijke bedieningselementen mogen niet direct bereikbaar zijn.
2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten zijn voorzien van symbolen en/of Engelse opschriften. De symbolen moeten voldoen aan de in de IEC Publicatie nr. 417 genoemde bepalingen. Cijfers en letters moeten ten minste 4 mm hoog zijn.
Indien kan worden aangetoond dat om technische redenen een hoogte van 4 mm niet mogelijk is en uit operationeel oogpunt gezien kleinere karakters acceptabel zijn wordt een vermindering van de hoogte tot 3 mm toegestaan.
3. De installatie moet zo zijn uitgevoerd dat hij door fouten bij de bediening niet buiten bedrijf kan raken.
4. Functies die boven de minimum eisen uitgaan en aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur moeten zo zijn uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimum eisen blijft voldoen.

Artikel 2.04. Gebruiksaanwijzing
Bij elke installatie moet een uitvoerige bedieningshandleiding worden meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:
a. inbedrijfstelling en bediening;
b. verzorging en onderhoud;
c. algemene veiligheidsvoorschriften.

Artikel 2.05. Inbouw en controle van het functioneren
1. Voor de inbouw, het vervangen en de controle van het functioneren gelden de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften.
2. Op het sensorgedeelte van de bochtaanwijzer moet de inbouwrichting ten opzichte van de lengte-as van het schip worden aangegeven. Aanwijzingen voor de inbouw met het oog op een minimale gevoeligheid tegen andere typische bewegingen van het schip moeten worden meegeleverd.

Hoofdstuk 3. Operationele minimum eisen voor bochtaanwijzers

Artikel 3.01. Operationele beschikbaarheid van de installatie
1. De bochtaanwijzer moet uiterlijk binnen 4 minuten na het inschakelen operationeel zijn en binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werken.
2. Het ingeschakeld zijn moet optisch worden aangegeven. De bediening en het waarnemen van de bochtaanwijzer moeten gelijktijdig mogelijk zijn.
3. Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.

Artikel 3.02. Aanwijzen van de draaisnelheid
1. Het aanwijzen van de snelheid van draaiing moet op een schaal met lineaire verdeling met het nulpunt in het midden plaatshebben. Het aflezen van de draaisnelheid moet in richting en grootte met de vereiste nauwkeurigheid mogelijk zijn. Het gebruik van wijzers en staafindicatoren is toegestaan.
2. De schaal van het aanwijsinstrument moet ten minste 20 cm lang zijn en mag zowel cirkelvormig als recht zijn uitgevoerd. Rechte schalen mogen uitsluitend horizontaal worden geplaatst.
3. Een uitsluitend numerieke indicatie is niet geoorloofd.

Artikel 3.03. Meetbereiken
Bochtaanwijzers mogen over één, maar ook over verscheidene meetbereiken beschikken. De volgende meetbereiken worden geadviseerd:
30°/min
60°/min
90°/min
180°/min
300°/min.

Artikel 3.04. Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing
De aangegeven waarde mag niet méér dan 2% van de eindwaarde van het bereik, respectievelijk niet meer dan 10% van de werkelijke waarde afwijken.
Daarbij is de hogere waarde van afwijking toegestaan (zie fig. 1).

Artikel 3.05. Gevoeligheid
Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1% van de aangegeven waarde.

Artikel 3.06. Controle van het functioneren
1. Indien de bochtaanwijzer niet binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werkt, moet dit worden gesignaleerd.
2. Indien een tol wordt gebruikt moet de kritische wijziging van het toerental door middel van een aanduiding worden gesignaleerd. Als kritisch geldt een wijziging van het toerental, waardoor de nauwkeurigheid met 10% vermindert.

Artikel 3.07. Ongevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip
1. Slingeren met hellinghoeken tot 10° mogen bij hoeksnelheden tot 4°/s geen meetfouten veroorzaken die de tolerantiegrenzen overschrijden.
2. Schokbelastingen, die bijvoorbeeld bij het aanleggen kunnen optreden, mogen geen blijvende en tolerantiegrenzen overschrijdende fouten in de aanwijzing veroorzaken.

Artikel 3.08. Ongevoeligheid voor magnetische velden
De bochtaanwijzer moet ongevoelig zijn voor magnetische velden die normaal aan boord kunnen voorkomen.

Artikel 3.09. Dochterindicatoren
Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen die aan bochtaanwijzers worden gesteld.

Hoofdstuk 4. Technische minimum eisen voor bochtaanwijzers

Artikel 4.01. Bediening
1. Alle bedieningselementen moeten zodanig zijn aangebracht dat tijdens hun bediening geen bijbehorende aanwijzing wordt afgedekt en de navigatie met behulp van radar zonder enige beperking mogelijk blijft.
2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten een niet verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting hebben die met een onafhankelijke instelling tot op nul kan worden gereduceerd.
3. De werking van de bedieningselementen moet zo zijn dat door het verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar links of naar beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde ontstaat.
4. Bij gebruik van druktoetsen moeten deze zo zijn geconstrueerd dat deze knoppen ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend. Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben.

Artikel 4.02. Dempinrichtingen
1. Het sensorsysteem moet kritisch gedempt zijn. De tijdconstante van de demping (63% van de eindwaarde) mag niet meer dan 0,4 seconde zijn.
2. De aanwijzing moet kritisch gedempt zijn. Voor de extra vergroting van de demping mag een bedieningselement aanwezig zijn. De tijdconstante mag echter niet meer dan 5 seconden zijn.

Artikel 4.03. Aansluiten van toegevoegde apparatuur
1. Indien de bochtaanwijzer een mogelijkheid tot het aansluiten van bij voorbeeld dochterindicatoren heeft, dan moet het draaisnelheidssignaal als elektrisch signaal ter beschikking staan.
Het signaal moet galvanisch van massa zijn gescheiden en moet als proportionele analoge spanning van 20 mV/graad ± 5% bij een inwendige weerstand van maximaal 100 Ohm beschikbaar zijn.
De polariteit moet positief zijn voor een koerswijziging van het schip naar stuurboord, en negatief voor een koerswijziging van het schip naar bakboord.
Het reactiepunt mag een waarde van 0,3°/min niet overschrijden. De afwijking van het nulpunt mag 1°/min niet te boven gaan, bij omgevingstemperaturen van 0° tot 40° C.
Bij ingeschakelde bochtaanwijzer en een bewegingloze opstelling van de sensor mag de stoorspanning op het uitgangssignaal, gemeten achter een laagdoorlaat-filter van de eerste orde met een bandbreedte van 10 Hz, niet meer dan 10 mV zijn.
Het draaisnelheidssignaal moet beschikbaar zijn met een demping die binnen de grenzen bedoeld in artikel 4.02, eerste lid, blijft. 2. Een schakelcontact voor het inschakelen van een extern alarm moet aanwezig zijn. Dit schakelcontact moet galvanisch van de bochtaanwijzer zijn gescheiden.
Het externe alarm moet telkens door het sluiten van het schakelcontact worden geactiveerd, als:

a. de bochtaanwijzer uitgeschakeld is of
b. de bochtaanwijzer niet operationeel is of
c. de controle op het functioneren een grote fout signaleert (zie artikel 3.06).

Hoofdstuk 5. Keuringsvoorwaarden en -methodes voor bochtaanwijzers

Artikel 5.01. Veiligheid, bestendigheid en uitgestraalde storing
Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidhinder gelden de eisen overeenkomstig de "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, General Requirements".

Artikel 5.02. Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit
1. De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, Interference" in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz uitgevoerd. Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, eerste lid, moet zijn voldaan.
2. Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, tweede lid, inzake de elektromagnetische compatibiliteit moet zijn voldaan.

Artikel 5.03. Keuringsmethodes
1. De bochtaanwijzer wordt zowel onder nominale als extreme omstandigheden in bedrijf gesteld en op zijn goede werking onderzocht. Daarbij worden de omgevingstemperatuur en de bedrijfsspanning tot aan de voorgeschreven grenzen gewijzigd.
Bovendien worden radiozenders voor het opwekken van de grenswaarden van de veldsterkte in de omgeving van de bochtaanwijzers ingeschakeld.
2. Met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, moet de fout in de aanwijzing binnen de in fig. 1 gegeven tolerantiegrenzen liggen.
Aan alle andere eisen moet zijn voldaan.
Fig. 1 Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers