Voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de rijnvaart

Bijlage 1


Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel
1.01 Toepassing
1.02 Doel van de radarinstallatie
1.03 Typekeuring
1.04 Aanvraag tot typekeuring
1.05 Typegoedkeuring
1.06 Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
1.07 Verklaring fabrikant
1.08 Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
Hoofdstuk 2 Algemene minimum eisen voor radarinstallaties
2.01 Constructie en uitvoering
2.02 Uitgezonden radiostoringen en EMC
2.03 Bediening
2.04 Gebruiksaanwijzing
2.05 Inbouw en controle van het functioneren
Hoofdstuk 3 Operationele minimum eisen voor radarinstallaties
3.01 Operationele beschikbaarheid van de installatie
3.02 Onderscheidingsvermogen
3.03 Afstandsbereiken
3.04 Variabele afstandsmeetring
3.05 Koerslijn
3.06 Decentrering van het radarbeeld
3.07 Peilschaal
3.08 Peilinrichtingen
3.09 Inrichtingen voor de onderdrukking van ongewenste echo's ten gevolge van golven en neerslag
3.10 Onderdrukking van storingen door andere radarinstallaties
3.11 Compatibiliteit met radarantwoordbakens
3.12 Versterkingsregeling
3.13 Frequentieafstemming
3.14 Nautische gegevens en hulplijnen op het beeldscherm
3.15 Systeemgevoeligheid
3.16 Nalichtspoor
3.17 Dochter-indicatoren
Hoofdstuk 4 Technische minimum eisen voor radarinstallaties
4.01 Bediening
4.02 Weergave van het radarbeeld
4.03 Eigenschappen van het radarbeeld
4.04 Kleur van de weergave
4.05 Beeldverversing en opslag
4.06 Lineariteit van de beeldweergave
4.07 Nauwkeurigheid afstand- en azimuthmeting
4.08 Eigenschappen van antenne en zendspectrum
Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor radarapparatuur
5.01 Veiligheid, bestendigheid en uitgezonden storing
5.02 Uitgezonden radiostoringen en EMC
5.03 Keuringsmethodes
5.04 Antennemetingen
Fig. 1 Onderscheidingsvermogen in azimuth voor de afstandsbereiken tot en met 1200 m
Fig. 2 Meetopstelling ter bepaling van het onderscheidingsvermogen van radarinstallaties

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.01. Toepassing
In deze voorschriften zijn de technische en operationele minimum eisen voor radarinstallaties voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaronder aan de minimum eisen moet worden voldaan.

Artikel 1.02. Doel van de radarinstallatie
De radarinstallatie moet een voor het voeren van een schip bruikbaar beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening, de contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belang zijnde werken en moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven van andere schepen en van boven het wateroppervlak van het vaarwater uitstekende obstakels.

Artikel 1.03. Typekeuring
Inbouw van een radarinstallatie aan boord van een schip is slechts toegestaan, wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat de installatie aan de minimum eisen van deze voorschriften voldoet.

Artikel 1.04. Aanvraag tot typekeuring
1. De aanvraag tot keuring van een radarinstallatie moet bij de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België worden ingediend. De namen van deze autoriteiten moeten ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden gebracht.
2. Bij de aanvraag moet de volgende documentatie worden overgelegd:
a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;
b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;
c. twee uitvoerige bedieningsvoorschriften;
d. twee beknopte bedieningsvoorschriften.

3. De aanvrager moet zelf controleren of laten controleren dat aan de in deze voorschriften gestelde eisen wordt voldaan.
Het betreffende testrapport en het meetrapport van het horizontale en vertikale antennestralingsdiagram moeten gelijktijdig bij de aanvraag worden ingediend.
Deze bescheiden en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden bij de bevoegde autoriteit bewaard.
4. Onder aanvrager wordt verstaan een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld.

Artikel 1.05. Typegoedkeuring
1. Na een geslaagde typekeuring geeft de bevoegde autoriteit een bewijs af.
Bij het niet voldoen aan de minimum eisen wordt de reden van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.
De typegoedkeuring wordt door de bevoegde autoriteit verleend.
De bevoegde autoriteit deelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede welke toestellen zijn goedgekeurd.
2. Iedere bevoegde autoriteit is gerechtigd op elk tijdstip een toestel uit de serie te controleren.
Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd dan kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken.
Tot intrekking is de autoriteit bevoegd die ook de typegoedkeuring heeft verleend.
3. De typegoedkeuring heeft een geldigheidsduur van 10 jaar en kan op verzoek worden verlengd.

Artikel 1.06. Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer
1. Op het tot een installatie behorend toestel moet duurzaam de naam van de fabrikant, de typeaanduiding van de installatie, de toestelsoort en het serienummer zijn aangebracht.
2. Het door de bevoegde autoriteit toegekende goedkeuringsnummer moet duurzaam op de beeldschermeenheid zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.
Het goedkeuringsnummer is samengesteld als volgt:
R-N-NNN
R = Rijn
N = cijfer dat het land van de goedkeuring aangeeft
(1 = F, 2 = N, 4 = D, 6 = B, 7 = CH, 8 = L)
NNN = nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.
3. Het goedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende goedkeuring worden toegepast.
De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het goedkeuringsnummer.
4. De bevoegde autoriteit deelt het verleende goedkeuringsnummer onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.

Artikel 1.07. Verklaring fabrikant
Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimum eisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

Artikel 1.08. Wijzigingen aan goedgekeurde installaties
1. Bij wijzigingen aan een goedgekeurde installatie vervalt de goedkeuring.
Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde autoriteit worden gemeld.
2. De bevoegde autoriteit beslist of de goedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is.
Is er sprake van een nieuwe typegoedkeuring dan wordt ook een nieuw goedkeuringsnummer toegekend.

Hoofdstuk 2. Algemene minimum eisen voor radarinstallaties

Artikel 2.01. Constructie en uitvoering
1. De betreffende radarinstallaties moeten geschikt zijn voor de Rijnvaart.
2. Constructie en uitvoering moeten zowel mechanisch als elektrisch in overeenstemming zijn met het peil van de moderne techniek.
3. Voor zover niet reeds voorgeschreven volgens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn of in de onderhavige voorschriften niet expliciet vermeld gelden voor de eisen aan de elektrische voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de toestellen aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu, de geluidsproductie, alsmede voor de aanduidingen op de toestellen de in "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, General Requirements" opgenomen eisen en meetmethodes. Bovendien gelden de eisen volgens de "ITU Radio Regulations". Aan alle in deze voorschriften genoemde eisen moet bij omgevingstemperaturen van de beeldschermeenheid tussen 0° C en 40° C worden voldaan.

Artikel 2.02. Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

1. Uitgezonden radiostoringen
De veldsterkte van de uitgezonden radiostoringen mag in het frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz een waarde van 500 µV/m niet overschrijden. In de frequentiegebieden van 156 - 165 MHz, 450 - 470 MHz, en van 1,53 - 1,544 GHz mag de veldsterkte een waarde van 15 µV/m niet te boven gaan. Deze veldsterktes gelden voor een meetafstand van 3 m ten opzichte van het te keuren apparaat.

2. Elektromagnetische compatibiliteit
Bij elektromagnetische veldsterktes tot 15 V/m in de directe nabijheid van het te keuren appparaat moeten de installaties in het frequentiegebied van 30 MHz tot 2000 MHz aan de minimium eisen voldoen.

Artikel 2.03. Bediening
1. Er mogen niet meer bedieningselementen aanwezig zijn dan het voor een goede bediening noodzakelijke aantal.
Uitvoering, aanduiding en werking moeten een eenvoudige ondubbelzinnige en snelle bediening mogelijk maken. Zij moeten zo zijn geplaatst dat fouten bij de bediening zoveel mogelijk worden vermeden.
De niet voor het normale gebruik noodzakelijke bedieningselementen mogen niet direct bereikbaar zijn.
2. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten zijn voorzien van symbolen en/of Engelse opschriften dragen. De symbolen moeten voldoen aan de in de IMO aanbeveling nr. A.278 (VIII) "Symbols for controls on marine navigational radar equipment" of aan de in de IEC Publicatie nr. 417 gegeven bepalingen. Cijfers en letters moeten minstens 4 mm hoog zijn.
Indien kan worden aangetoond dat om technische redenen een hoogte van 4 mm niet mogelijk is, en uit operationeel oogpunt gezien kleinere karakters acceptabel zijn, wordt een vermindering van de hoogte tot 3 mm toegestaan.
3. De installatie moet zo zijn uitgevoerd dat hij door fouten bij de bediening niet buiten bedrijf kan raken.
4. Functies die boven de minimum eisen uitgaan, alsmede aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur, moeten zo zijn uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimum eisen blijft voldoen.

Artikel 2.04. Gebruiksaanwijzing
1. Bij elke installatie moet een uitvoerige gebruiksaanwijzing worden meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:
a. inbedrijfstelling en bediening;
b. verzorging en onderhoud;
c. algemene veiligheidsvoorschriften (gevaren voor de gezondheid, bijv. beïnvloeding van pacemakers etc., door elektromagnetische straling);
d. aanwijzingen voor een technisch juiste inbouw.
2. Bij elke installatie moet een verkorte bedieningshandleiding in een duurzame uitvoering worden meegeleverd.
Deze moet eveneens in het Duits, Engels, Frans en Nederlands leverbaar zijn.

Artikel 2.05. Inbouw en controle van het functioneren
Voor de inbouw, het vervangen en de controle van het functioneren gelden de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften.

Hoofdstuk 3. Operationele minimum eisen voor radarinstallaties

Artikel 3.01. Operationele beschikbaarheid
1. De radarinstallatie moet uiterlijk 4 minuten na het inschakelen operationeel zijn. Het uitzenden moet daarna op elk gewenst moment kunnen worden onderbroken en weer kunnen worden hervat.
2. De bediening van de installatie en het waarnemen van het beeldscherm moeten door een persoon gelijktijdig mogelijk zijn.
Is een bedieningseenheid apart geplaatst dan moet deze van alle bedieningselementen zijn voorzien, die voor de normale radarnavigatie direct nodig zijn.
Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.
3. Het moet mogelijk zijn de beeldscherminformatie ook bij fel omgevingslicht te kunnen beoordelen. Eventueel voor goed zicht noodzakelijke hulpmiddelen moeten daartoe geschikt zijn en eenvoudig op de installatie zijn aan te brengen of te verwijderen.
Deze hulpmiddelen moeten ook door brildragers te gebruiken zijn.

Artikel 3.02. Onderscheidingsvermogen
1. Onderscheidingsvermogen in azimuth
Het onderscheidingsvermogen is afhankelijk van bereik en afstand. De eisen gesteld aan het minimale onderscheidingsvermogen voor lagere bereiken tot en met 1200 m worden in fig. 1 weergegeven.
Onder minimaal onderscheidingsvermogen wordt verstaan de minimum afstand gemeten in azimuth op de radargolf tussen twee standaardreflectoren (zie ook artikel 5.03, tweede lid), waarbij deze nog duidelijk gescheiden worden weergegeven.
2. Minimumafstand en onderscheidingsvermogen in afstand
Voor alle afstanden tussen 15 en 1200 m, in de bereiken tot en met 1200 m, moeten standaardreflectoren die zich bij dezelfde peiling op een onderlinge afstand van 15 m bevinden, duidelijk gescheiden op het beeldscherm worden weergegeven.
3. In de bereiken tot 2000 m mogen geen bedieningsmogelijkheden aanwezig zijn waarmee het onderscheidingsvermogen afneemt.

Artikel 3.03. Afstandsbereiken
1. De installatie moet zijn uitgerust met de hieronder genoemde afstandsbereiken en afstandsringen; deze moeten in de aangegeven volgorde inschakelbaar zijn:
bereik 1 500 m elke 100 m een ring
bereik 2 800 m elke 200 m een ring
bereik 3 1200 m elke 200 m een ring
bereik 4 1600 m elke 400 m een ring
bereik 5 2000 m elke 400 m een ring.
2. Er mogen meer in volgorde schakelbare afstandsbereiken aanwezig zijn.
3. Het ingestelde bereik, de onderlinge afstand van de ringen en de afstand van de variabele afstandsmeetring moeten in meters of in kilometers worden aangegeven.
4. De afstandsringen en de variabele afstandsmeetring mogen bij een normale instelling van de helderheid niet meer dan 2 mm breed zijn.
5. De weergave van deelbereiken en sectorvergrotingen is niet geoorloofd.

Artikel 3.04. Variabele afstandsmeetring
1. De installatie moet zijn uitgerust met een variabele afstandsmeetring.
2. Deze meetring moet binnen 8 seconden op elke willekeurige afstand zijn in te stellen.
3. De met de variabele afstandsmeetring ingestelde afstand mag na het schakelen op andere afstandsbereiken niet veranderen.
4. De afstandsaanduiding moet uit drie of vier cijfers bestaan.
De afleesnauwkeurigheid moet, tot en met het 2000 m-bereik, 10 m bedragen. De straal van de meetring moet met de cijferaanduiding overeenstemmen.

Artikel 3.05. Koerslijn
1. Een koerslijn moet van uit het punt op het radarbeeld, dat de positie van de antenne weergeeft, tot aan de uiterste rand van het radarbeeld lopen.
2. De koerslijn mag niet breder dan 0,5° zijn, gemeten aan de uiterste rand van het beeldscherm.
3. De radarinstallatie moet zijn voorzien van een correctiemogelijkheid waarmee iedere hoekverdraaiing die is ontstaan bij de inbouw van de antenne kan worden gecorrigeerd.
4. Na de correctie van de hoekverdraaiing mag na het inschakelen van de radarinstallatie de afwijking van de koerslijn ten opzichte van de lengte-as van het schip niet groter zijn dan 0,5°.

Artikel 3.06. Decentrering van het radarbeeld
1. Om het zicht recht vooruit te kunnen vergroten moet een decentrering van het radarbeeld in alle in artikel 3.03, eerste lid, genoemde bereiken mogelijk zijn.
Een decentrering mag uitsluitend een vergroting van het zicht recht vooruit bewerkstelligen, en moet minstens tot 1/4 en mag hoogstens tot 1/3 van de effectieve beeldschermdiameter instelbaar zijn.
2. Voor de bereiken met een vergroot zicht recht vooruit geldt dat het aantal afstandsringen ook moet worden uitgebreid en dat de variabele afstandsmeetring tot aan het maximum van het weergegeven bereik instelbaar en afleesbaar moet zijn.
3. Een vast ingebouwde vergroting van het zicht overeenkomstig het eerste lid is toegestaan, mits voor het centrale gedeelte van het radarbeeld de effectieve diameter overeenkomstig artikel 4.03, niet kleiner wordt en de peilschaal zo wordt uitgevoerd dat peilingen bedoeld in artikel 3.08 mogelijk blijven.
De mogelijkheid tot decentrering ingevolge het eerste lid is dan niet vereist.

Artikel 3.07. Peilschaal
1. De installatie moet zijn uitgerust met een peilschaal die zich aan de buitenrand van het radarbeeld bevindt.
2. De peilschaal moet ten minste in 72 delen van elk 5 graden zijn verdeeld. De deelstrepen voor 1° moeten duidelijk langer zijn dan de deelstrepen die 5° aangegeven.
De hoekwaarde 000 van de peilschaal moet zich in het midden van de bovenrand van het radarbeeld bevinden.
3. De peilschaal moet zijn voorzien van een drie-cijferige indeling van 000 tot 360 graden in de richting van de wijzers van de klok. De getallen moeten in Arabische cijfers voor elke 10° of 30° worden aangebracht. Het getal 000 mag door een duidelijke pijlmarkering worden vervangen.

Artikel 3.08. Peilinrichtingen
1. Inrichtingen voor het peilen van doelen zijn toegestaan.
2. Indien peilinrichtingen aanwezig zijn moet daarmee een doel binnen ca. 5 seconden, met een maximale fout van ± 1°, kunnen worden gepeild.
3. Indien een elektronische peillijn wordt gebruikt moet deze:
a. zich duidelijk onderscheiden van de koerslijn;
b. nagenoeg continu worden afgebeeld;
c. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te verdraaien zijn;
d. aan de buitenrand van het radarbeeld niet breder dan 0,5° zijn;
e. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
f. zijn voorzien van een decimale (drie of vier-cijferige) aanduiding in graden.

4. Bij gebruik van een mechanische peillijn moet deze:
a. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te verdraaien zijn;
b. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
c. zonder verdere aanduidingen zijn uitgevoerd;
d. zo zijn uitgevoerd dat echo's op het scherm niet onnodig worden bedekt.

Artikel 3.09. Inrichtingen voor de onderdrukking van ongewenste echo's tengevolge van golven en neerslag
1. De radarinstallatie moet zijn voorzien van met de handinstelbare inrichtingen waarmee storende effecten van golven en neerslag kunnen worden verminderd.
2. De golfonderdrukking (STC) moet in zijn eindstand tot ca. 1200 m werkzaam zijn.
3. De radarinstallatie mag niet met automatisch werkende inrichtingen ter onderdrukking van golf- en neerslagecho's zijn uitgerust.

Artikel 3.10. Onderdrukking van storingen door andere radarinstallaties
1. De installatie moet zijn voorzien van een schakelbare inrichting die een vermindering van storingen door andere radarinstallaties mogelijk maakt.
2. De werking van deze inrichting mag er niet toe leiden dat gewenste echo's daardoor worden onderdrukt.

Artikel 3.11. Compatibiliteit met radarantwoordbakens
Signalen van radarantwoordbakens overeenkomstig de IMO resolutie A 423 (XI) moeten bij uitgeschakelde neerslagonderdrukking (FTC), duidelijk worden weergegeven.

Artikel 3.12. Versterkingsregeling
Het regelbereik van de versterker moet de mogelijkheid bieden om enerzijds in het bereik van verminderde golfonderdrukking de ruis nog juist zichtbaar te maken en anderzijds sterke radarecho's met een equivalent reflecterend oppervlak van 10.000 m2 op willekeurige afstanden onzichtbaar te maken.

Artikel 3.13. Frequentieafstemming
De beeldschermeenheid moet over een afstemindicatie beschikken.
De wijzerschaal moet ten minste 30 mm lang zijn. De indicatie moet op alle afstandsbereiken functioneren, ook als er geen radarecho's zijn. De indicatie moet eveneens functioneren als de versterking of de golfonderdrukking wordt ingeschakeld.
Er moet een met de hand bedienbaar bedieningselement ter correctie van de afstemming aanwezig zijn.

Artikel 3.14. Nautische gegevens en hulplijnen op het beeldscherm
1. In het radarbeeld mogen uitsluitend koerslijn, peilingslijnen en afstandsmeetringen worden vertoond.
2. Buiten het radarbeeld mogen - naast informatie over de operationele toestand van de installatie - nautische gegevens worden weergegeven zoals:

a. draaisnelheid;
b. snelheid van het schip;
c. stand van het roer;
d. waterdiepte;
e. kompaskoers.

3. Alle beeldscherminformatie buiten het radarbeeld moet nagenoeg statisch worden weergegeven en de snelheid waarmee de beeldinformatie wordt vernieuwd moet in overeenstemming zijn met de operationele behoeften.
4. De eisen gesteld aan de weergave en de nauwkeurigheid van nautische informatie zijn dezelfde als die voor de hoofdinstallatie.

Artikel 3.15. Systeemgevoeligheid
De systeemgevoeligheid moet zodanig zijn bemeten dat bij elke omwenteling van de antenne een standaardreflector op een afstand van 1200 m correct op het radarbeeld wordt weergegeven.
Voor een radarreflector van 1 m2 op gelijke afstand, mag het quotiënt uit het aantal omwentelingen van de antenne, met een radarecho, gedurende een bepaalde tijdsduur en het totaal aantal omwentelingen van de antenne gedurende dezelfde tijdsduur op basis van 100 omwentelingen (blip-scan verhouding), niet kleiner zijn dan 0,8.

Artikel 3.16. Nalichtspoor
De posities van echo's, verkregen uit een voltooide omwenteling van de antenne, moeten als nalichtspoor kunnen worden weergegeven. Dit spoor moet nagenoeg continu en minder helder zijn dan de corresponderende echo. Het spoor moet de kleur hebben van het radarbeeld.
De lengte van het spoor mag eventueel worden aangepast aan de operationele eisen, doch mag niet langer dan twee omwentelingen duren.
De kwaliteit van het radarbeeld mag door het nalichtspoor niet verminderen.

Artikel 3.17. Dochterindicatoren
Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen als die welke aan radarinstallaties zijn gesteld.

Hoofdstuk 4. Technische minimum eisen voor radarinstallaties

Artikel 4.01. Bediening
1. Alle bedieningselementen moeten zodanig zijn aangebracht dat tijdens de bediening daarvan geen bijbehorende aanwijzing wordt afgedekt en de navigatie met behulp van radar zonder beperking mogelijk blijft.
2. Bedieningselementen voor het uitschakelen van de installatie of die, waarvan het inschakelen tot een verkeerde werking kan leiden, moeten afdoende tegen het per ongeluk inschakelen worden beveiligd.
3. Alle bedieningselementen en aanwijsinstrumenten moeten een niet verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting hebben die met een onafhankelijke instelling tot op nul kan worden gereduceerd.
4. De volgende functies moeten over eigen bedieningselementen beschikken en onmiddellijk toegankelijk zijn:
a. Stand by/on
b. Range
c. Tuning
d. Gain
e. Seaclutter
f. Rainclutter
g. Variable Range Marker
h. Cursor of Electronic Bearing Line (indien aanwezig)
i. Ships Heading Marker Suppression.

Als voor deze functies draaiknoppen worden gebruikt dan mogen deze niet concentrisch in of op elkaar zijn gegroepeerd.
5. De bedieningselementen voor versterking, golfonderdrukking en neerslagonderdrukking moeten in ieder geval met een draaiknop zijn in te stellen en hun werking moet ongeveer evenredig zijn met de hoekverdraaiing.
6. De werking van de bedieningselementen moet zo zijn dat door het verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar links of naar beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde ontstaat.
7. Bij gebruik van druktoetsen moeten deze zo zijn geconstrueerd dat deze knoppen ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend.
Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben.
8. De helderheid van de volgende presentaties moet onafhankelijk van elkaar van nul tot op de operationeel vereiste waarde te regelen zijn:
a. radarbeeld
b. vaste afstandsringen
c. variabele afstandsmeetringen
d. peilschaal
e. peilingslijn
f. nautische informatie bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.

9. Wanneer bij een aantal weer te geven grootheden de helderheidsverschillen slechts gering zijn en de vaste afstandsringen, de variabele afstandsring en de peilingslijn onafhankelijk van elkaar uitschakelbaar zijn, dan kan de weergave daarvan op de volgende wijze over vier helderheidsregelaars worden verdeeld:
a. radarbeeld en koerslijn
b. vaste afstandsringen
c. variabele afstandsmeetringen
d. peilschaal, peilingslijn en nautische informatie bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.

10. De helderheid van de koerslijn moet regelbaar zijn en mag niet tot nul kunnen worden gereduceerd.
11. Voor het uitschakelen van de koerslijn moet een druktoets aanwezig zijn die automatisch terugveert.
12. De neerslag- en golfonderdrukkingen moeten continu vanaf nul instelbaar zijn.

Artikel 4.02. Weergave van het radarbeeld
1. Het radarbeeld is de weergave op schaal van radarecho's van de omgeving op het beeldscherm van de beeldschermeenheid, verkregen bij één omwenteling van de antenne met relatieve beweging ten opzichte van het eigen schip, waarbij de lengte-as van het schip en de koerslijn in de zelfde richting wijzen.
2. De beeldschermeenheid is dat deel van de installatie waarin het beeldscherm is ondergebracht.
3. Het beeldscherm is een reflectie-arme indicator waarop óf alleen het radarbeeld óf het radarbeeld met aanvullende informatie wordt weergegeven.
4. De effectieve diameter van het radarbeeld is de diameter van het grootste volledig cirkelvormige radarbeeld dat binnen de peilschaal kan worden weergegeven.
5. De raster-scan weergave is de uit een omwenteling van de antenne verkregen nagenoeg statische weergave van het radarbeeld, overeenkomend met een televisiebeeld.

Artikel 4.03. Eigenschappen van het radarbeeld
1. De effectieve diameter van het radarbeeld mag niet minder dan 270 mm bedragen.
2. De diameter van de buitenste afstandsring in de afstandsbereiken bedoeld in artikel 3.03 moet tenminste 90% van de effectieve diameter van het radarbeeld zijn.
3. Op alle afstandsbereiken moet het punt in het radarbeeld, dat de plaats van de antenne weergeeft, zichtbaar zijn.

Artikel 4.04. Kleur van de weergave
De voor de weergave bestemde kleur moet naar fysiologisch inzicht worden gekozen. Als op het scherm meer kleuren kunnen worden weergegeven, moet het radarbeeld monochroom worden afgebeeld.
Weergave in andere kleuren mag nergens op het scherm tot mengkleuren of verkleuringen als gevolg van overlapping aanleiding geven.

Artikel 4.05. Beeldverversing en opslag
1. Het door de beeldschermeenheid weergegeven radarbeeld moet na maximaal 2,5 seconden door het actuele radarbeeld worden ververst.
2. Elke echo moet op het beeldscherm ten minste gedurende één omwenteling van de antenne zichtbaar blijven en ten hoogste gedurende twee omwentelingen van de antenne worden weergegeven.
De weergave van het radarbeeld kan op twee manieren plaatshebben: óf door een continue weergave óf door een periodieke beeldherhaling. Een periodieke herhaling moet met een frequentie van tenminste 50 Hz gebeuren.
3. Het verschil in helderheid tussen het schrijven van de echo en zijn nalichting tijdens een omwenteling van de antenne dient zo klein mogelijk te zijn.

Artikel 4.06. Lineariteit van de beeldweergave
1. De lineariteitsfout van het radarbeeld mag niet groter zijn dan 5%.
2. Een rechte, vaste oeverlijn op 30 m afstand van de radarantenne moet bij alle afstandsbereiken tot 2000 m zonder waarneembare vervormingen als één rechte samenhangend echostructuur worden weergegeven.

Artikel 4.07. Nauwkeurigheid afstands- en azimuthmeting
1. De bepaling van de doelafstand met behulp van de variabele of vaste afstandsmeetringen moet met een nauwkeurigheid van ± 10 m of ± 1,5% geschieden, waarbij de hoogste van deze waarden maatgevend is.
2. De hoek waarmee een object wordt gepeild mag niet meer dan 1° van de werkelijke waarde afwijken.

Artikel 4.08. Eigenschappen van antenne en zendspectrum
1. De aandrijving van de antenne en de antenne moeten windsnelheden tot 100 km/u kunnen verdragen zonder dat daarbij de werking van de radar wordt beïnvloed.
2. De antenne-eenheid moet van een veiligheidschakelaar zijn voorzien waarmee de zender en de aandrijving kunnen worden uitgeschakeld.
3. Het horizontale stralingsdiagram van de antenne, gemeten in één richting, moet aan de volgende eisen voldoen:

a. breedte van de hoofdlus: max. 1,2°, gemeten tussen de -3dB punten;
b. breedte van de hoofdlus: max. 3,0°, gemeten tussen de -20dB punten;
c. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus: minstens -25dB;
d. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus: minstens -32dB.

4. Het verticale stralingsdiagram van de antenne, gemeten in één richting, moet aan de volgende eisen voldoen:
a. breedte van de hoofdlus: maximaal 30°, gemeten tussen de -3dB punten;
b. het maximum van de hoofdlus moet op de horizontale as liggen;
c. zijlusdemping minstens -25 dB.

5. De uitgezonden hoogfrequente energie moet horizontaal gepolariseerd zijn.
6. De werkfrequentie van de installatie moet hoger zijn dan 9 GHz en moet liggen binnen een volgens de geldende ITU Radio Regulations voor navigatieradarinstallaties toegewezen frequentiegebied.
7. Het frequentiespectrum van de door de antenne uitgezonden hoogfrequente energie moet aan de eisen van de ITU Radio Regulations voldoen.

Hoofdstuk 5. Keuringsvoorwaarden en -methodes voor radarinstallaties

Artikel 5.01. Veiligheid, bestendigheid en uitgezonden storing
Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidhinder, gelden de eisen overeenkomstig de "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, General Requirements".

Artikel 5.02. Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit
1. De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de "IEC Publication 945 Marine Navigational Equipment, Interference", in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz, uitgevoerd.
Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, eerste lid, moet zijn voldaan.
2. Aan de eisen, bedoeld in artikel 2.02, tweede lid, inzake de elektromagnetische compatibiliteit, moet eveneens zijn voldaan.

Artikel 5.03. Keuringsmethodes
1. De meetopstelling volgens fig. 2 voor het keuren van de radarinstallatie moet op een ten minste 1,5 km lang en 0,3 km breed, zo rustig mogelijk, wateroppervlak of op een terrein met gelijkwaardige reflecterende eigenschappen worden opgebouwd.
2. Onder standaardreflector wordt verstaan een radarreflector, die bij een golflengte van 3,2 cm een equivalent reflecterend oppervlak van 10 m2 heeft.
Voor de berekening van het equivalent reflecterend oppervlak (sigma) van een radarreflector met driehoekige vlakken geldt voor een frequentie van 9 GHz (3,2 cm) de formule:


a = lengte van de zijde in m.
Voor een standaardreflector met driehoekige vlakken bedragen de zijden a 0,222 m.
De voor een golflengte van 3,2 cm vastgestelde afmetingen van een radarreflector worden eveneens toegepast indien de te keuren radarinstallatie op een andere golflengte dan 3,2 cm werkt.
3. Een standaardreflector moet worden geplaatst op afstanden van 15 m, 30 m, 45 m, 60 m, 85 m, 300 m, 800 m, 1170 m, 1185 m en 1200 m vanaf de plaats van de antenne.
Aan weerszijden van de standaardreflector op 85 m worden loodrecht op de peilrichting, op een afstand van 5 m, standaardreflectoren geplaatst. Naast de standaardreflector op 300 m, wordt op een afstand van 18 m loodrecht op de peilrichting, een reflector geplaatst met een equivalent reflecterend oppervlak van 300 m2.
Ook worden reflectoren met een equivalent reflecterend oppervlak van 1 m2 en 1000 m2 onder een zichthoek van ten minste 15° op 300 m vanaf de antenne geplaatst.
Naast de standaardreflector op 1200 m worden aan weerszijden loodrecht op de peilrichting, op een afstand van 30 m, standaardreflectoren en een reflector met een equivalent reflecterend oppervlak van 1 m2 geplaatst.
4. De beeldkwaliteit van de radarinstallatie moet optimaal worden ingesteld.
De versterking moet zodanig worden ingesteld dat in het gebied buiten het werkingsbereik van de golfonderdrukking juist geen ruis meer zichtbaar is.
Het bedieningselement voor de golfonderdrukking moet op de minimumwaarde worden geschakeld, terwijl de neerslagonderdrukking in de stand UIT moet worden gezet.
Tijdens de test op één bepaalde hoogte van de antenne mogen de bedieningselementen, die de beeldkwaliteit kunnen beïnvloeden, niet meer worden versteld; zij moeten op geschikte wijze onbeweeglijk worden vastgezet.
5. De antenne moet op een willekeurige hoogte tussen 5 en 10 m boven het wateroppervlak of het meetterrein worden geplaatst. De reflectoren moeten op een zodanige hoogte boven het wateroppervlak of het meetterrein worden opgesteld dat hun effectieve echo met de in het tweede lid bedoelde waarde overeenkomt.
6. Alle binnen het gekozen bereik opgestelde reflectoren moeten op alle afstandsbereiken tot en met 1200 m gelijktijdig en als duidelijk te onderscheiden echo's op het beeldscherm worden weergegeven, onafhankelijk van de richting van de meetopstelling ten opzichte van de koerslijn.
Signalen van radarantwoordbakens bedoeld in artikel 3.1l moeten correct worden weergegeven.
Alle in deze voorschriften gestelde eisen moeten bij elke willekeurige hoogte van de antenne tussen 5 en 10 m worden vervuld. Eventueel nodige instellingen mogen uitsluitend met behulp van de eigen bedieningselementen van de installatie worden gedaan.

Artikel 5.04. Antennemetingen
Hiervoor gelden de voorschriften volgens "IEC Publication 936: Shipborne Radar".
Fig. 1 Onderscheidingsvermogen in azimuth voor de afstandsbereiken tot en met 1200 m

<../grafik/img src="00001875.gif">


Fig. 2 Meetopstelling ter bepaling van het onderscheidingsvermogen van radarinstallaties