Tijdelijke wet inkomensvoorziening gewezen binnenvaartondernemers

Versie geldig vanaf: 01-01-2001


Geschiedenis: Staatsblad 1997, 789;Staatsblad 2000, 571

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een aantal gewezen binnenvaartondernemers voor uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in aanmerking te doen komen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1996/97, 25 045.
Handelingen II 1996/97, blz. 5239.
Kamerstukken I 1996/97, 25 045 (260).
Handelingen I 1996/97, zie vergadering d.d. 27 mei 1997.

Artikel 1
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
b. gewezen zelfstandige: de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2 van de Ioaz.

2. In deze wet worden met gewezen zelfstandige gelijkgesteld:
a. de partner in de zin van artikel 3.16, vierde lid, of artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 die voldoet aan artikel 2, eerste lid, onderdeel a of b, van de Ioaz;
b. de persoon die voldoet aan artikel 2, eerste of tweede lid, van de Ioaz en die met anderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien:
1°. de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werd uitgeoefend en
2°. de financiële risico's van het bedrijf of beroep alleen of met die anderen werden gedragen;
c. de persoon die voldoet aan artikel 2, eerste of tweede lid, van de Ioaz en die, anders dan als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap.
Artikel 2
De voorwaarden voor het recht op uitkering krachtens de Ioaz, genoemd in artikel 5, tweede en derde lid, van die wet gelden niet ten aanzien van de gewezen zelfstandige, die:
a. in het jaar 1998 een uitkering ingevolge de Bedrijfsbeëindigingsregeling binnenvaart heeft ontvangen, en;
b. voor 1 juli 1999 een aanvraag om uitkering ingevolge de Ioaz heeft ingediend.
Artikel 3
Het recht op uitkering van de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2, ontstaat niet eerder dan met ingang van 1 januari 1999.

Artikel 4
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1999 en vervalt met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 5
Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet inkomensvoorziening gewezen binnenvaartondernemers.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 30 mei 1997

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. P. W. Melkert

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven zeventiende juni 1997

De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager