Wet structurele sanering binnenvaart

Versie geldig vanaf: 01-01-1998


Geschiedenis: Staatsblad 1995, 554.;Staatsblad 1997, 580.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen ter uitvoering van de Verordening nr. 1101/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (PbEG L 116), mede in verband met het door de Verdragsluitende Staten op 25 april 1989 te Straatsburg ter zake van een uniforme toepassing van voornoemde verordening in alle Verdragsluitende Staten ondertekende Aanvullend Protocol nr. 4 bij de op 17 oktober 1868 te Mannheim tot stand gekomen Herziene Rijnvaartakte (Trb. 1955, 161), alsmede de daarop betrekking hebbende Verklaring van de Overeenkomstsluitende Staten op grond waarvan het Aanvullend Protocol nr. 4 voorlopig kan worden toegepast voordat alle akten van bekrachtiging zijn nedergelegd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1988/89, 1989/90, 21276
Handelingen II 1989/90, blz. 529-546; 685
Kamerstukken I 1989/90, 21276 (76, 76a, 76b)
Handelingen I 1989/90, zie vergadering d.d. 30 januari 1990

Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. raadsverordening: Verordening nr. 1101/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1989 betreffende de structurele sanering van de binnenvaart (PbEG L 116),
b. commissieverordening: Verordening nr. 1102/89 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 27 april 1989 betreffende de werking van de raadsverordening (PbEG L 116),
c. sloopfonds: artikel 07.05 van de begroting van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat,
d. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,
e. Lid-Staten: Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, en
f. betrokken Lid-Staten: betrokken Lid-Staten als bedoeld in artikel 3 van de raadsverordening.
Artikel 2
1. Het sloopfonds omvat de uitgaven en de ontvangsten met betrekking tot de structurele sanering van de binnenvaart.
2. Het sloopfonds is het fonds, bedoeld in artikel 3 van de raadsverordening.

Artikel 3
1. Onze Minister pleegt omtrent het beheer van het sloopfonds overleg volgens door hem vastgestelde regels met de door hem aangewezen representatieve organisaties op het terrein van de binnenvaart.
2. Onze Minister stelt de regels, bedoeld in het eerste lid niet vast, dan na overleg met de in dat lid bedoelde organisaties.

Artikel 4
1. Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de commissieverordening, bijdragen als bedoeld in artikel 5, onderdeel b en c, op en draagt zorg voor de uitbetaling van uitkeringen als bedoeld in artikel 6, onderdeel a.
2. Onze Minister geeft met inachtneming van de raadsverordening en de commissieverordening voorschriften met betrekking tot het indienen van een aanvraag om een sloopuitkering alsmede het ontvangen van deze uitkering en geeft voorts uitvoering aan het bepaalde in artikel 8 van de raadsverordening.

Artikel 5
De ontvangsten van het sloopfonds zijn:
a. het totale bedrag aan speciale bijdragen bijgeschreven op een speciale rekening als bedoeld in de laatste volzin van artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de raadsverordening,
b. bijdragen als bedoeld in artikel 4 van de raadsverordening,
c. speciale bijdragen als bedoeld in artikel 8 van de raadsverordening, en
d. bijdragen van betrokken Lid-Staten, Staten, partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet zijnde een betrokken Lid-Staat, en Zwitserland in het kader van financiële solidariteit tussen de desbetreffende sloopfondsen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de raadsverordening.
Artikel 6
De uitgaven van het sloopfonds zijn:
a. uitkeringen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de raadsverordening, en
b. uitkeringen aan andere betrokken Lid-Staten, Staten, partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet zijnde een betrokken Lid-Staat, en Zwitserland in het kader van financiële solidariteit tussen de desbetreffende sloopfondsen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de raadsverordening.
Artikel 7
1. De eigenaar van een binnenschip wiens aanvrage voor een sloopuitkering is aanvaard, komt de verplichtingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede lid eerste volzin, en vierde lid eerste volzin, van de commissieverordening, na.
2. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien een binnenschip, dat in afwachting van de sloop definitief uit de vaart is genomen overeenkomstig artikel 7 van de commissieverordening, niet voor 1 december 1992 is gesloopt.

Artikel 8
Het is verboden een in artikel 8, eerste en tweede lid, van de raadsverordening bedoeld binnenschip in de vaart te brengen, voordat de eigenaar aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid van het genoemde artikel heeft voldaan, tenzij de eigenaar het bewijs, bedoeld in het derde lid van het meergenoemd artikel levert.

Artikel 9
De eigenaar draagt er zorg voor dat aan boord van elk van zijn binnenschepen waarop de raadsverordening van toepassing is, een bewijs van betaling als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de raadsverordening aanwezig is, met dien verstande dat bij binnenschepen zonder bemanning het bewijs aan boord is van het binnenschip dat die bedoelde binnenschepen voortstuwt.

Artikel 10
Het is verboden een binnenschip in gebruik te hebben zonder een bewijs van betaling als bedoeld in artikel 9 aan boord te hebben.

Artikel 11
1. Is een bijdrage als bedoeld in de onderdelen b en c van artikel 5 voor het geheel of een deel niet tijdig voldaan, dan maant Onze Minister de nalatige bij brief aan om hem alsnog binnen veertien dagen na ontvangst van die brief het bedoelde bedrag te betalen. Indien binnen de gestelde termijn geen betaling plaats heeft, vaardigt Onze Minister een dwangbevel uit, medebrengend het recht van parate executie. De betekening en tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op de bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordening (Stb. 1896, 156) ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven wijze.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt naast het in dat lid bedoelde bedrag eveneens het bedrag van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ingevorderd.
3. Binnen dertig dagen na de betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat.

Artikel 13
[Vervallen.]

Artikel 12
1. Met het toezicht op de naleving, van het bepaalde bij of krachtens deze wet, de raadsverordening en de commissieverordening zijn belast:
a. de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren,
b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane;
c. de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot het toezicht op de naleving.

Artikel 14
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Artikel 15
[Vervallen.]

Artikel 16
[Vervallen.]

Artikel 17
[Vervallen.]

Artikel 18
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 19
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 20
Het Besluit sloopregeling binnenvaart 1986 (Stb. 29) wordt ingetrokken.

Artikel 21
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1990. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1989, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij, met uitzondering van artikel 19, terug tot en met 1 januari 1990.
2. Deze wet vervalt op het tijdstip waarop de raadsverordening vervalt.
3. Het sloopfonds blijft voortbestaan voor zover dat voor de vereffening, bedoeld in artikel 10 van de commissieverordening noodzakelijk is.

Artikel 22
Deze wet kan worden aangehaald als Wet structurele sanering binnenvaart.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 1 februari 1990

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. R. H. Maij-Weggen

Uitgegeven de twintigste februari 1990

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin