Règlement de la navigation sur la Meuse mitoyenne

 

Scheepvaartreglement gemeenschappelijke Maas

 
Ch.6

Chapitre 7
Règles de stationnement

H.6

Hoofdstuk 7
Regels voor het ligplaats nemen

 
 

Article 7.01 Principes généraux relatifs au stationnement

1. Un bâtiment doit stationner de manière à ne pas entraver la navigation.
2. Un bâtiment, une formation et un objet flottant en stationnement doivent être ancrés ou amarrés de façon telle que lors d'un changement de leur position, ils ne puissent constituer ni une gêne, ni un danger pour les autres bâtiments; à cet effet, il convient de tenir compte du vent, du courant et des variations du niveau de l'eau, ainsi que des remous et de l'effet de succion causés par les autres bâtiments.

Article 7.02 Stationnement (ancrage et amarrage)

1. Un bâtiment ne peut pas stationner, sauf dans les cas suivants :
a) dans une section ou à un endroit de la voie navigable désignés à cet effet par l'autorité compétente;
b) dans une aire de stationnement indiquée par un des signaux E.5 à E.7 y compris(annexe II);
c) dans le cas visé à l'article 6.30, deuxième alinéa.
2. Une bouée d'amarrage peut uniquement être placée dans une section ou à un endroit de la voie navigable, désignés à cet effet par l'autorité compétente.
3. L'autorité compétente peut dispenser des dispositions du présent article.

Articles 7.03-7.07 (non repris)

Article 7.08 Garde

Pour autant qu'il n'ait pas de conducteur, un bâtiment en stationnement doit être placé sous la garde d'une personne capable d'intervenir rapidement en cas de besoin, sauf si l'autorité compétente a dispensé un bâtiment de cette obligation ou si elle autorise qu'un bâtiment stationne sans garde.

 

Artikel 7.01 Algemene beginselen voor het ligplaats nemen

1. Een schip moet zodanig ligplaats nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.
2. Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind, stroom en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.

Artikel 7.02 Ligplaats nemen (ankeren en meren)

1. Een schip mag geen ligplaats nemen, met uitzondering van de volgende gevallen:
a) in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit;
c) op een ligplaats aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 (bijlage II);
d) in het geval bedoeld in artikel 6.30, tweede lid.
2. Een meerboei mag slechts worden uitgelegd in een vak van of op een plaats in de vaarweg aangewezen door de bevoegde autoriteit.
3. De bevoegde autoriteit kan van dit artikel ontheffing verlenen.

Artikelen 7.03-7.07 (niet overgenomen)

Artikel 7.08 Toezicht

Een stilliggend schip moet, voor zover het geen schipper heeft, zijn gesteld onder toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij de bevoegde autoriteit aan een schip van deze verplichting vrijstelling heeft verleend, dan wel zij gedoogt dat dit zonder toezicht stilligt.

 

 
    An.1.  

Bl.I