nl
  fr
 

Reglement betreffende het zeekanaal van Brussel naar de Rupel en de haveninrichtingen van Brussel

 

Règlement relatif au canal maritime de Bruxelles au Rupel et aux installations maritimes de Bruxelles

 
 

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1:
§ 1. Dit reglement is van toepassing op het zeekanaal van Brussel naar de Rupel en zijn aanhorigheden vanaf zijn verbinding met het kanaal van Charleroi, aan het benedenhoofd van de brug van het Saincteletteplein tot aan de ingebeelde lijn die, afwaarts de toegangsgeul tot de Rupel te Wintam, door het wit bakenlicht en een punt op halve afstand van en tussen de vierde en de vijfde dukdalf, vanaf de sluis, de dijken verbindt, en op zijn vertakking van Willebroek naar de Rupel tot de ingebeelde lijn die de benedenhoofden van de toegangsgeul te Klein-Willebroek verbindt.
§ 2 Het zeekanaal van Brussel naar de Rupel omvat:

A. De haven met:

a. het Beco-dok dat zich uitstrekt van het benedenhoofd van de vaste brug van het Sainctecletteplein tot het bendenhoofd van de vaste wegbrug aan het Redersplein;
b. het Vergote-dok dat zich uitstrekt vanaf het benedenhoofd van de vaste wegbrug aan het Redersplein tot aan het benedenhoofd van de vaste wegbrug aan het Jules de Troozplein, Lakenbrug genaamd;
c. het verbindingskanaal dat zich uitstrekt van het benedenhoofd van de vaste wegbrug aan het Jules de Troozplein tot aan het benedenhoofd van de Van Praetbrug.

B. De voorhaven, die zich uitstrekt van het benedenhoofd van de Van Praetbrug tot aan het benedenhoofd van de weg- en spoorbrug van Buda.

C. De industriële haven, die volgende secties omvat:

a. de sectie van het kanaal die zich uitstrekt van het benedenhoofd van de weg- en spoorbrug van Buda tot het benedenhoofd van de hefbrug te Grimbergen;
b. de sectie van het kanaal die zich uitstrekt van het benedenhoofd van de hefbrug te Grimbergen tot het benedenhoofd van de hefbrug te Kapelle-op-den Bos;
c. de sectie van het kanaal die zich uitstrekt van het benedenhoofd van de hefbrug te Kapelle-op-den-Bos tot aan de uitmonding van het kanaal in de Rupel te Wintam;
d. de vertakking van Willebroek naar de Rupel tot de benedenhoofden van de toegangsgeul te Klein-Willebroek.

 

TITRE I. Dispositions générales

Article 1er:
§ 1. Le présent règlement est applicable au canal maritime de Bruxelles au Rupel depuis sa jonction avec le canal de Charleroi, à la tête aval du pont de la place Sainctelette jusqu’à la ligne fictive reliant, à l’aval du chenal d’accès à Wintam, le signal lumineux blanc et un point situé à mi-chemin entre le 4e et le 5e duc d’albe à partir de l’écluse et, pour son embranchement de Willebroek au Rupel, jusqu’à la ligne fictive reliant les têtes aval du chenal d’accès à Klein-Willebroek.
§ 2. Le canal maritime de Bruxelles au Rupel comporte:

A. Le port avec:

a. le bassin Beco qui s’étend de la tête aval du pont fixe de la place Sainctelette jusqu’à le tête aval du pont-route fixe de la place des Armateurs;
b. le bassin Vergote qui s’étend de la tête aval du pont-route fixe de la place des Armateurs jusqu’à la tête aval du pont-route fixe de la place Jules de Trooz, dénommé «Pont de Laeken»;
c. le canal de jonction qui s’étend du pont aval du pont-route fixe de la place Jules de Trooz jusqu’à la tête aval du pont Van Praet.

B. L’Avant-Port qui s’étend de la tête aval du pont Van Praet jusqu’à la tête aval du pontroute et rail de Buda;

C. Le port industriel qui comporte les sections suivantes:

a. la section du canal qui s’étend de la tête aval du pont-route et rail de Buda jusqu’à la tête aval du pont-levant de Grimbergen;
b. la section du canal qui s’étend de la tête aval du pont-levant de Grimbergen jusqu’à la tête aval du pont-levant de Kapelle-op-den-Bos;
c. la section du canal qui s’étend de la tête aval du pont-levant de Kapelle-op-den-Bos jusqu’à l’embouchure dans le Rupel à Wintam;
d. l’embranchement de Willebroek au Rupel jusqu’aux têtes aval du chenal d’accès à Klein-Willebroek.

 
  Artikel 2:
Behoudens andersluidende bepalingen wordt in dit reglement verstaan onder:

a. "vaartuig", een zee- of binnenvaartuig, met inbegrip van kleine vaartuigen en veerponten, alsmede drijvende werktuigen;
b. "motorvaartuig", een vaartuig dat door eigen mechanische voortstuwingsmiddelen wordt voortbewogen, ongeacht of het daarbij al dan niet zeil voert of dat gedurende de vaart zijn voortstuwingswerktuigen tijdelijk niet in werking zijn;
c. "zeilvaartuig", elk vaartuig dat onder zeil is en geen voortstuwingsmachines gebruikt;
d. "zeevaartuig", elk vaartuig dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
e. "binnenvaartuig", elk vaartuig dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe
bestemd is;
f. "groot vaartuig" of "vaartuig met bijzondere afmetingen", elk vaartuig dat wegens zijn lengte of zijn diepgang en in verband met de toestand van het vaarwater bezwaarlijk voor andere vaartuigen kan uitwijken, en als zodanig door de havenkapitein wordt beschouwd;
g. "sleep", een samenstel van één of meer vaartuigen of vlotten en gesleept door één of meer motorvaartuigen; deze motorvaartuigen maken deel uit van de sleep;
h. “duweenheid”, een hecht samenstel bestaande uit een duwboot en één of meer duwbakken waarvan er ten minste één vóór de duwboot is gekoppeld;
i. “duwboot”, een vaartuig met eigen mechanische voortstuwingsmiddelen dat deel uitmaakt van een duweenheid en gebouwd of ingericht is om deze eenheid door duwen voort te bewegen;
j. “duwbak”, een vaartuig dat gebouwd of in het bijzonder ingericht is om door een duwboot te worden geduwd;
k. “drijvend werktuig”, een drijvend bouwsel met machines dat bestemd is om op waterwegen of in havens gebruikt te worden (baggermolen, drijvende bokken en
kranen, elevators, enz.);
l. “varend vaartuig”, een vaartuig dat noch ten anker of gemeerd ligt, noch aan de grond zit;
m. “pleziervaartuig of -bootje”, elk vaartuig dat bestemd is voor een sportief of ontspannings- en niet-winstgevend doeleinde;
n. “zichtbaar”, waarneembaar bij donkere nacht en heldere dampkring (term gebezigd met betrekking tot lichten);
o. “des daags”, de tijd begrepen tussen zonsopgang en zonsondergang;
p. “des nachts”, de tijd begrepen tussen zonsondergang en zonsopkomst;
q. “korte stoot”, een geluidsein van ongeveer één seconde;
r. “lange stoot”, een geluidsein van ongeveer vier tot zes seconden;
s. “aangehouden stoot”, een geluidsein van tien seconden of langere duur;
t. “kapitein” of “schipper”, ieder persoon die belast is met de leiding van een vaartuig, alsmede ieder persoon die hem vervangt, of ieder persoon die deze leiding in feite neemt;
u. “de Vennootschap”, de N.V. Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel;
v. de uitdrukking “de bevoegde personen”:
• de havenkapitein en zijn adjuncten
• de ingenieurs, conducteurs en toezichters van de technische diensten van de Vennootschap, de beambten gelast met het toezicht op of de bediening van de sluizen, bruggen, overlaten en elk ander kunstwerk;
• de beëdigde ambtenaren en agenten van de Vennootschap;

 

Article 2:
Sauf dispositions contraires du règlement, celui-ci désigne sous le nom:

a. «bâtiment», toute embarcation de navigation maritime ou fluviale y compris les petites embarcations, les pontons et les ateliers flottants;
b. «bâtiment à moteur», un bâtiment mû par sa propre puissance mécanique, qu’il se serve ou non de sa voile, et même s’il n’utilise pas temporairement sa puissance mécanique;
c. «bâtiment à voile», tout bâtiment mû par des voiles et n’utilisant pas sa puissance mécanique;
d. «bâtiment de mer», tout bâtiment naviguant ordinairement sur mer, ou destiné à cet usage;
e. «bâtiment d’intérieur», tout bâtiment naviguant ordinairement dans les eaux intérieures ou destiné à cet usage;
f. «bâtiment de grandes dimensions» ou «bâtiment de dimensions spéciales», tout bâtiment qui, eu égard à sa longueur ou à son tirant d’eau, et, compte tenu de l’état des eaux navigables, peut difficilement s’écarter de la route d’autres bâtiments et est
reconnu comme tel par le capitaine du port;
g. «convoi remorqué», tout groupement composé d’un ou de plusieurs bâtiments ou radeaux et remorqué par un ou plusieurs bâtiments à moteur, ces derniers faisant partie du convoi;
h. «unité de poussage», un ensemble composé d’un pousseur et d’une ou plusieurs barges de poussage dont une au moins est accouplée au pousseur;
i. «pousseur», un bâtiment muni de sa propre force de propulsion, qui fait partie d’une unité de poussage et qui est construit ou aménagé pour mouvoir celle-ci par poussage;
j. «barge de poussage», un bâtiment qui est conçu ou aménagé spécialement pour être mû par un pousseur;
k. «engin flottant», un ensemble flottant muni de machines destiné à être utilisé sur les voies d’eau ou dans les ports (dragues, bigues ou grues flottantes, élévateurs, etc.);
l. «bâtiment naviguant», un bâtiment qui n’est ni à l’ancre, ni amarré, ni échoué;
m. «bâtiment, barquette ou embarcation de plaisance», tout bâtiment destiné à un but sportif ou récréatif et non lucratif;
n. «visible», perceptible par nuit sombre et atmosphère pure (terme utilisé par rapport à des feux);
o. «de jour», le temps compris entre le lever et le coucher du soleil;
p. «de nuit», le temps compris entre le coucher et le lever du soleil;
q. «son bref», un signal sonore d’une durée d’environ une seconde;
r. «son prolongé», un signal sonore de quatre à six secondes de durée;
s. «son continu», un signal sonore de dix secondes ou plus de durée;
t. «capitaine», «batelier», toute personne qui est chargée de la conduite d’un bâtiment, de même que toute personne qui le remplace ou qui assume, de fait, cette conduite;
u. «Société», la S.A. du Canal et des Installations maritimes de Bruxelles;
v. «personnes compétentes»:
• le capitaine du port et ses adjoints;
• les ingénieurs, conducteurs et surveillants de la Société, les préposés à la manœuvre ou à la surveillance des écluses, des ponts, des déversoirs ou de tous autres ouvrages d’art;
• les fonctionnaires et agents assermentés de la Société.

 
  > Titel II  
> Titre II