binnenvaartwetten  
Titel
19 NOVEMBER 1997. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 19 november 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart, betreffende de coördinatie van sommige bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 juni 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart, in uitvoering van het protocolakkoord van 14 mei 1997 omtrent een tewerkstellingsakkoord zoals bedoeld in hoofdstuk IV van titel III van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen voor de jaren 1997 en 1998. (Overeenkomst geregistreerd op 9 februari 1998 onder het nummer 47078/CO/139).

Bron :
TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 22-02-2002
Inwerkingtreding : 01-04-1997
Dossiernummer : 1997-11-19/41
Inhoudstafel
Toepassingsgebied.
Art. 1
Arbeidsduur.
Art. 2-3
Overwerk.
Art. 4
Betaling van overwerk.
Art. 5
Nachtrust.
Art. 6-8
Zondagsrust.
Art. 9
Betaling van werk op zondag.
Art. 10
Lonen.
Art. 11
Loon van de scheepsjongen.
Art. 12
Omzetting en berekening van het maandloon.
Art. 13-14
Onderbemand vaartuig.
Art. 15
Loon van het ontbrekend bemanningslid.
Art. 16
Vergoedingen, compensaties, premies.
Laden en lossen :
Art. 17-20
Eindejaarspremie.
Art. 21
Radarticket.
Art. 22
Reservepersoneel.
Art. 23-26
Verplaatsings- en verblijfkosten.
Art. 27
Bijzondere bepalingen.
Binnenvaart :
Vuile, ongezonde en hinderlijke lading :
Art. 28
Mondingsvaart.
Art. 29
Vuile, ongezonde en hinderlijke ladingen.
Art. 30
Tankvaart.
Art. 31-33
Indexkoppeling.
Art. 34-37
Tekst
Toepassingsgebied.
  Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen welke onder het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart ressorteren, met uitzondering van de ondernemingen welke zich bezighouden met het slepen, duwen of voorttrekken van zeeschepen op de binnenwateren.
  Arbeidsduur.
  Art. 2. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 en de krachtens of in uitvoering van deze wet genomen koninklijke besluiten, wordt de arbeidsduur bepaald op acht uur per dag, van maandag tot en met vrijdag.
  Art. 3. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet vangt de arbeidstijd, zowel tijdens als buiten de vaart, ten vroegste aan om 6 uur en ten laatste om 8 uur.
  Overwerk.
  Art. 4. Alle prestaties verricht tijdens de vaart, na 16 uur of uiterlijk na 18 uur en buiten de vaart na 14 uur of uiterlijk om 16 uur, naargelang de arbeidstijd aanvangt ten vroegste om 6 uur of uiterlijk om 8 uur, worden beschouwd als overwerk.
  Betaling van overwerk.
  Art. 5. Wanneer voor de behoeften van de werkgever-scheepsexploitant of van de reder, de arbeidsduur wordt overschreden, worden overlonen betaald welke per uur arbeidsprestaties minstens gelijk zijn aan 1/173,33 van het maandloon, verhoogd met 50 pct.
  Nachtrust.
  Art. 6. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet en de krachtens of in uitvoering van deze wet genomen koninklijke besluiten in verband met de jeugdige werknemers, heeft de bemanning tijdens de vaart recht op een nachtrust welke niet korter mag zijn dan :
  a) 12 uren gedurende de maanden november, december, januari en februari;
  b) 10 uren gedurende de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus, september en oktober.
  De nachtrust moet gelegen zijn tussen 18 en 8 uur.
  Art. 7. Bij afwijking van artikel 6 kan de nachtrust worden verkort :
  a) met ten hoogste twee uren, wanneer aan bederf onderhevige goederen worden vervoerd;
  b) ter voorkoming van bederf van goederen, doch slechts wanneer deze goederen worden vervoerd aan boord van schepen welke afzonderlijk worden gesleept of aan boord van motorschepen;
  c) in geval van ongeval of hulpverlening, overstroming, storm of plotseling ijsgevaar;
  d) op de dag van aankomst in de haven van eindbestemming, op voorwaarde dat de arbeidsduur van de bemanning aan boord op die dag niet wordt verlengd, tot na 22 uur;
  e) ingeval tijdens de reis blijkt dat de aansluiting met een zeeschip zou kunnen worden gemist.
  In de Rijn- en tankvaart kan de nachtrust bovendien nog worden verkort :
  a) met de tijd voor het schutten, of met ten hoogste twee uren voor het binnenvaren of aankomen in Belgische of Zeeuwse tijhavens alsmede in de haven van Dordrecht, komende van België of Zeeland;
  b) tijdens de reis boven Koblenz, in geval van onvoorziene en snelle val van het water en voor ten hoogste één nacht ten einde het lichten te vermijden.
  Nachtrustverkorting.
  Art. 8. Wanneer de nachtrust wordt verkort, wordt elk uur arbeidsprestatie minstens vergoed met 1/173,33 van het maandloon vermeerderd met 50 pct en dit onafhankelijk van het feit of de nachtarbeid al dan niet wordt gecompenseerd.
  Zondagsrust.
  Art. 9. De zondagen en de in België voorziene feestdagen zijn rustdagen voor de werklieden en de werksters bedoeld in artikel 1 ongeacht de plaats waar de vaartuigen zich bevinden.
  Betaling van werk op zondag.
  Art. 10. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971, alsmede de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft het varend personeel voor werk op zondag recht op betaling van 8/173,33 van het maandloon, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties, te verhogen met :
  a) voor arbeidsprestaties van maximum acht uren en minder :
  - 1/173,33 van het maandloon per uur arbeidsprestatie;
  b) voor arbeidsprestaties van meer dan acht uren, dus vanaf het negende uur :
  - het dubbel van hetgeen is voorzien onder a).
  Lonen.
  Art. 11. De minimum maandlonen van het varend personeel dat is tewerkgesteld aan boord van de binnenschepen voor vrachtvervoer met of zonder mechanische voortbewegingsmiddelen worden als volgt vastgesteld :

  I. Schippers
                                  Binnen- en Rijnvaart     Tankvaart
                                      BEF                         BEF
  Schepen tot 750 ton                57 826                      59 735
  Schepen vanaf 750 tot
   1 500 ton                         65 360                      68 544
  Schepen vanaf 1 500
   tot 2 250 ton                     66 846                      69 499
  Schepen vanaf 2 250
   ton en meer                       68 438                      71 621



  II. Stuurlieden in binnen-, Rijn- en tankvaart voor sleep- en motorschepen
                     met patent                         zonder patent
                       52 308 BEF                         50 715 BEF



  III. Matrozen
                         Minder dan twee jaar         Vanaf twee jaar dienst
                          dienst in het beroep         in het beroep
                              BEF                         BEF
  Matrozen                   46 470                      47 638
  Matroos-motordrijver       47 426                      48 593



  IV. Scheepsjongens van :
  17 jaar en ouder :                                              41 802 BEF
  na een jaar dienst :                                            43 817 BEF
  16 jaar :                                                       37 450 BEF
  na een jaar dienst :                                            39 149 BEF
  15 jaar :                                                       33 099 BEF
  V. Sleepbootpersoneel :
  Kapitein :                                                      60 585 BEF
  Machinist-stuurman :                                            60 373 BEF


  De minimumlonen voor het personeel van de ondernemingen voor het vervoer van personen inzonderheid de pleziervaart en de veerdiensten, worden als volgt vastgesteld :

  I. Schippers :
  tot en met 100 passagiers :                                     68 650 BEF
  van 101 tot en met 250 passagiers                               71 940 BEF
  vanaf 251 passagiers :                                          74 487 BEF
  II. Stuurlieden :
  tot en met 100 passagiers :                                     52 201 BEF
  van 101 tot en met 250 passagiers :                             54 747 BEF
  vanaf 251 passagiers :                                          57 188 BEF
  III. Matrozen :
  Alle schepen :
  minder dan 2 jaar dienst in het beroep :                        48 062 BEF
  vanaf 2 jaar dienst in het beroep :                             49 335 BEF


  Het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van de meerderjarige werklieden en werksters in de binnenscheepvaart, die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, bedraagt vanaf 1 april 1993 : 44 455 BEF.
  Loon van de scheepsjongen.
  Art. 12. Het volle matrozenloon is verschuldigd aan de scheepsjongen van zeventien jaar en ouder die minstens twee jaar, rekening houdend met effectieve en/of gelijkgestelde dagen, als lid van de dekbemanning op de binnenwateren heeft gevaren.
  Omzetting en berekening van het maandloon.
  Art. 13. Wanneer ingevolge bijzondere omstandigheden, de minimum maandlonen en -vergoedingen welke zijn vastgesteld in de artikelen 11, 24 en 29 in een dagloon of een dagvergoeding moeten worden omgezet, mag dit bedrag per dag arbeidsprestaties in geen geval lager zijn dan 8/173,33 van het maandloon of de maandvergoeding.
  Bij toepassing van artikel 20 van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen, is elke begonnen dag geheel verschuldigd.
  Art. 14. Voor de berekening van de in de artikelen 11, 24 en 29 vastgestelde minimummaandlonen en -vergoedingen, mogen geen bijlonen, commissielonen, premies of andere gebeurlijke aan het varend personeel toegekende vergoedingen of percenten in aanmerking worden genomen.
  Onderbemand vaartuig.
  Art. 15. Onder " onderbemand " vaartuig wordt verstaan :
  a) in de binnenvaart, het vaartuig dat niet voldoet aan de vereisten welke worden gesteld door het besluit van de Regent van 6 juli 1948 (artikel 5) en zoals het door latere besluiten is gewijzigd, inzake de minimumbemanning die zich aan boord van binnenschepen moet bevinden en dit voor de scheepsprestaties in België, Nederland en Frankrijk;
  b) in de Rijnvaart, het vaartuig dat inzake bemanning niet voldoet aan de vereisten voorzien in het reglement betreffende het onderzoek van vaartuigen en vlotten die de Rijn bevaren.
  Loon van het ontbrekend bemanningslid.
  Art. 16. Indien, wegens geval van overmacht of vertrek van het binnenschip, zoals voorzien bij artikel 12, derde lid van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op de binnenschepen, het vaartuig toevallig onderbemand dient te varen, worden 2/3 van het loon, en in voorkomend geval 2/3 van het overloon, van de ontbrekende bemanning toegekend aan de aanwezige bemanningsleden.
  Deze 2/3 worden in gelijke delen onder de aanwezige bemanningsleden verdeeld.
  Alleen de dagen waarop wordt geladen, gelost, gevaren of verhaald met het oog op de bevrachting worden weerhouden voor de berekening van deze 2/3.
  Het eerste lid van artikel 13 wordt toegepast voor de berekening van het loon van de ontbrekende bemanning.
  Voor de toepassing van dit artikel, wordt het vaartuig dat minstens 750 ton meet op volle diepgang, beschouwd als binnenschip voor vrachtvervoer.
  Vergoedingen, compensaties, premies.
  Laden en lossen :
  Art. 17. Voor de werkzaamheden bij het laden en lossen van binnenschepen in België bekomt het varend personeel de toepassing van het koninklijk besluit van 29 juli 1952 (Belgisch Staatsblad van 7 augustus 1952) tot vaststelling van de vergoedingen en compensaties voor het laden en lossen van binnenschepen uitgevoerd 's nachts, 's zondags of op een wettelijke feestdag of gedurende meer dan acht uur, alsmede alle daaraan aangebrachte wijzigingen.
  Laden en lossen van schepen op de rede te Antwerpen :
  Art. 18. De uitvoeringsmodaliteiten van het ministerieel besluit van 12 september 1955 (Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1955) betreffende de vergoeding voor laden of lossen op de rede van Antwerpen, van de binnenscheepvaart, worden als volgt vastgesteld :
  1. Duur van het werkelijk verblijf op de rede te Antwerpen, in aanmerking te nemen voor het betalen van de vergoeding :
  A. Aanvang van het verblijf :
  1° voor schepen welke op de rede moeten laden :
  a) wanneer het uur van aankomst van het schip op de laadplaats op de rede is vastgesteld in het bevrachtingscontract : twaalf uren voor het alzo vastgestelde uur;
  b) wanneer het uur van aankomst van het schip op de laadplaats niet is vastgesteld in het bevrachtingscontract : het uur waarop de bevrachtingsovereenkomst werd getekend.
  2° voor schepen welke op de rede moeten lossen :
  a) voor de schepen welke uit de dokken van Antwerpen komen : twaalf uur voor het uur vastgesteld door de onderrichtingen van de ontvanger van de goederen om zich op de laadplaats te bevinden;
  b) voor de schepen welke langs de Zeeschelde aankomen : twaalf uur voor het uur van aankomst op de rede, vastgesteld door de ontvanger van de goederen.
  B. Einde van het verblijf :
  Het uur van het hoge tij dat volgt op het beëindigen van het laden of het lossen, voor zover de formaliteiten werden vervuld.
  1° Het ogenblik waarop de onderrichtingen verstrekt en/of dat waarop het cognossement ter ondertekening aan de schipper wordt voorgelegd, bepaalt het uur van beëindigen van het laden.
  2° Anderzijds wordt het uur van beëindiging van het lossen bepaald door het ondertekenen van de ontlasting van het cognossement, of bij ontstentenis van zulke ontlasting, dit waarop de verklaring van vrijgave van het geloste schip wordt afgeleverd.
  2. Wijze van tellen van de dagen :
  Voor het berekenen van deze vergoeding, worden de dagen geteld per periode van 24 uren en niet per kalenderdag. Elke begonnen periode van 24 uur telt voor één dag.
  3. Vergoeding :
  De bemanning bekomt de helft van de vastgestelde vergoeding.
  Art. 19. Onverminderd de bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers is de reder verantwoordelijk voor de betaling van het overloon, en de vergoedingen welke zijn verschuldigd door derden, volgens de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen voor alle werkzaamheden van laden en lossen en enig andere scheepsarbeid mits voorlegging van geldige bewijsstukken.
  Bij ontstentenis van schriftelijke bewijsstukken wordt het getuigenbewijs aanvaard.
  Vrije dagen :
  Art. 20. De werklieden en werksters van de binnen-, Rijn- en tankvaart die niet met hun gezin aan boord verblijven, kunnen éénmaal per maand, op kosten van de werkgever naar huis reizen, om hun vrije dag(en) in familieverband door te brengen.
  Deze vrije dag(en) moet(en) op voorhand in gemeenschappelijk overleg worden vastgesteld; er mag in geen geval een onderbreking van de reis zijn en het schip moet steeds bewaakt blijven.
  Alle verplaatsingen per trein geschieden in tweede klas.
  Eindejaarspremie.
  Art. 21. De werklieden en de werksters hebben recht op een eindejaarspremie ten laste van het " Fonds voor de Rijn- en binnenscheepvaart " volgens de voorwaarden en modaliteiten welke zijn bepaald in de van kracht zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.
  Radarticket.
  Art. 22. Aan de personeelsleden die houder zijn van een officieel radarticket wordt een bijzondere vergoeding van 1 200 BEF per maand toegekend op voorwaarde dat het schip dat zij bemannen met een radarinstallatie is uitgerust.
  Reservepersoneel.
  Art. 23. Door reservepersoneel wordt verstaan : het varend personeel dat in vast verband is verbonden met een werkgever, om op eender welk schip een of ander bemanningslid te vervangen.
  De aan het reservepersoneel toegekende functie moet worden volbracht zoals zij wordt uitgeoefend door het vast personeel aan boord.
  Art. 24. De minimummaandlonen van het reservepersoneel worden als volgt vastgesteld :

  Reserveschipper tankvaart :                                     71 621 BEF
  Reserveschipper Rijnvrachtvaart                                 68 438 BEF
  Reserveschipper binnenvaart :                                   68 438 BEF
  Reserve stuurman :                                              52 308 BEF
  Reserve matroos :                                               47 638 BEF


  Art. 25. Eventuele vergoedingen welke geldig zijn op het bevaren schip zijn eveneens toepasselijk op het reservepersoneel.
  Art. 26. a) Elk gehuwd reservepersoneelslid bekomt een vergoeding van 5 200 BEF per maand en elk ongehuwd reservepersoneelslid een vergoeding van 3 820 BEF per maand voor huisvesting aan de wal.
  b) Indien 's nachts per trein moet worden gereisd, wordt voor deze verplaatsing een vergoeding van 870 BEF betaald.
  c) Voor verblijf aan boord buiten de agglomeratie van de thuishaven van het schip wordt een tussenkomst in de prijs van het voedsel van 419 BEF netto per dag verrekend.
  Verplaatsings- en verblijfkosten.
  Art. 27. Alle verplaatsingen per trein geschieden in tweede klas. Alle andere normale verblijfkosten worden terugbetaald op voorlegging van bewijsstukken afgeleverd door de betrokken inrichtingen.
  Bijzondere bepalingen.
  Binnenvaart :
  Vuile, ongezonde en hinderlijke lading :
  Art. 28. Voor de verlading en/of vervoer van vuile, ongezonde en hinderlijke ladingen worden de vergoedingen welke de exploitant ontvangt in toepassing van de clausule 7 van de bevrachtingsvoorwaarden van de Dienst der Regeling van de Scheepvaart, verdeeld in verhouding van 50 pct voor de scheepsexploitant en van 50 pct voor de bemanning.
  Het deel voor de bemanning wordt in gelijke delen verdeeld onder alle bemanningsleden.
  Mondingsvaart.
  Art. 29. a) De bemanningsleden zowel vrouwelijke als mannelijke van de schepen welke aan mondingsvaart doen, ontvangen onderstaande ondeelbare maandelijkse vergoedingen :

  Kapitein :                                                      11 355 BEF
  Stuurman :                                                       8 171 BEF
  Matroos-motorist :                                               6 579 BEF
  Matroos :                                                        4 988 BEF


  b) Deze vergoedingen zijn slechts verschuldigd indien er ten minste eenmaal per maand aan mondingsvaart wordt gedaan.
  c) De vertrekdatum is bepalend voor de maand waarvoor deze vergoeding moet worden betaald.
  d) Deze vergoeding komt niet in aanmerking voor het bepalen van het loon voor overwerk.
  Rijnvaart :
  Vuile, ongezonde en hinderlijke ladingen.
  Art. 30. Bij het verladen en/of het vervoer van de volgende vuile, ongezonde en hinderlijke ladingen, worden navermelde vergoedingen in gelijke delen onder al de bemanningsleden verdeeld. Deze vergoedingen zijn verschuldigd ongeacht of de scheepsexploitant verhoogde vrachtprijzen bekomt of niet.

  Benaming            Berekeningsbasis       Vergoedingen in overeenstemming
                                              met de scheepsmaten
                                             tot        tot        boven
                                              1 000 T    1 500 T    1 500 T
  Droge stofkolen     per bevrachting en
                       per schip             1 900 BEF  2 400 BEF  2 900 BEF
  Zout (los)          per bevrachting en
                       per schip               950 BEF  1 200 BEF  1 450 BEF


  Tankvaart.
  Art. 31. Indien de laadruimten (tanks) moeten worden schoongemaakt om een ander product te kunnen laden en de bemanningsleden deze werkzaamheden uitvoeren, wordt boven het normale dag- of overloon een bijkomende vergoeding per uur en per man toegekend ten bedrage van :
  160 BEF voor gasolietanks en cementtankers;
  200 BEF voor dieselolie- en chemicaliëntanks;
  210 BEF voor stookolietanks.
  Art. 32. Indien de aard van de lading vereist dat zij moet worden voorverwarmd, wordt aan het bemanningslid dat wacht aan dek loopt een forfaitaire vergoeding toegekend van 1 486 BEF in de zomermaanden en van 1 751 BEF in de wintermaanden.
  Art. 33. Indien ten gevolge van ter plaatse heersende reglementen geen vuur mag worden gemaakt en de werknemers bijgevolg geen warme maaltijden kunnen genieten, betaalt de werkgever als compensatie een bedrag gelijk aan het bedrag dat voor warme maaltijden is voorzien in artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, zoals laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 maart 1977 (Belgisch Staatsblad van 19 maart 1977).
  Indexkoppeling.
  Art. 34. De lonen en vergoedingen welke zijn vastgesteld bij de artikelen 11, 22, 24, 26, 29, 30, 31 en 32 en het gedeelte van de effectief betaalde hogere lonen en vergoedingen, zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk dat maandelijks wordt vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Zij staan tegenover het indexcijfer 120,62 en worden gestabiliseerd per indexschijven. Het indexcijfer 120,62 is de spil van de eerste stabilisatieschijf waarvan de hoogste en de laagste grens worden verkregen respectievelijk door de spil te vermenigvuldigen met en te delen door 1,02.
  Telkens wanneer het indexcijfer de hoogste of de laagste grens van de van kracht zijnde stabilisatieschijf overschrijdt, wordt een nieuwe stabilisatieschijf opgemaakt waarvan de spil gelijk is aan de overschreden grens en worden de grenzen van de nieuwe stabilisatieschijf berekend zoals in voorgaand lid is aangegeven.
  Bij toepassing van voorgaande bepalingen worden de volgende stabilisatieschijven opgemaakt :

  Laagste grens                    As                      Hoogste grens
     118,25                        120,62                     123,03
     123,03                        125,49                     128,00
     128,00                        130,56                     133,17
     133,17                        135,83                     138,55
     138,55                        141,32                     144,15
     144,15                        147,03                     149,97
     enz...


  De lonen en vergoedingen en het gedeelte van de lonen en vergoedingen hierboven bedoeld, welke van kracht zijn tijdens de maand waarvan het indexcijfer de hoogste of laagste grens overschrijdt, worden vanaf de eerste dag van de volgende maand verhoogd of verlaagd met 2 pct en vormen de nieuwe basisbedragen.
  De vergoeding wordt steeds afgerond op één frank, van 1 tot 49 centiemen vallen weg, van 50 tot 99 centiemen worden afgerond op de hogere frank.
  Art. 35. Indien op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze collectieve arbeidsovereenkomst in één van de betrokken ondernemingen voordeliger voorwaarden van toepassing zijn, blijven deze behouden.
  Art. 36. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 december 1993, gesloten in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart, houdende coördinatie van sommige bepalingen van het raamakkoord van 7 juni 1993 betreffende het protocol van akkoord 1993-1994, voor de dun continuvaart, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 januari 1996.
  Art. 37. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 april 1997 en is gesloten voor onbepaalde tijd.
  Zij kan worden opgezegd hetzij door de groep van de werkgeversvertegenwoordigers hetzij door de groep van de werknemersvertegenwoordigers welke deel uitmaken van het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart, mits een opzeggingstermijn van zes maanden wordt in acht genomen te rekenen van de eerste van de maand die volgt op deze waarin de opzegging werd gedaan.
  De opzegging geschiedt door een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart en aan de in dit comité vertegenwoordigde organisaties.
  Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 januari 2002.
  De Minister van Werkgelegenheid,
  Mevr. L. ONKELINX