binnenvaartwetten  
Titel
21 JANUARI 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.

Bron :
VERKEERSWEZEN
Publicatie : 01-04-1998
Inwerkingtreding : 01-04-1998
Dossiernummer : 1998-01-21/36
Inhoudstafel
Art. 1-13
Tekst
Artikel 1. Artikel 8, 2°, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, wordt vervangen door wat volgt :
  "2° van de in goede staat bewaarde meetbrief met een geldigheidsduur van ten hoogste vijftien jaar of van een afschrift dat deze meetbrief vervangt, uitgereikt hetzij door het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart hetzij door de bevoegde autoriteit van één van de andere Staten, gebonden door de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966.
  De pleziervaartuigen met een romplengte kleiner dan 15 m dienen echter niet in bezit te zijn van een meetbrief.
  In uitzonderlijke gevallen en op aanvraag van de schipper kan de ingenieur-directeur van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, schriftelijke toelating verlenen om met een ledig vaartuig zonder meetbrief een bepaalde reisweg af te leggen. Die aanvraag vermeldt de redenen waarop ze steunt, de af te leggen reisweg, de afmetingen van het vaartuig, en naam en adres van de eigenaar;".
  Art. 2. Artikel 9, § 1, 3, eerste zin, van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "3. De plezierboten met een romplengte groter dan of gelijk aan 15 m zijn onderworpen aan de voorschriften van titel II, hoofdstuk I, van dit reglement."
  Art. 3. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 2, 8°, wordt opgeheven;
  2° § 6 wordt vervangen door wat volgt :
  "De sluismeesters maken zoveel mogelijk gebruik van eenzelfde schutting om twee in tegenovergestelde richting varende vaartuigen door te laten.
  Wanneer de te schutten vaartuigen te groot zijn om met twee of meer tegelijk geschut te worden, nemen de sluismeesters bij de schutting van een groot vaartuig één of meer vaartuigen van kleine afmetingen. De in § 2, 1°, opgesomde vaartuigen worden echter steeds afzonderlijk geschut."
  Art. 4. In artikel 67 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de 1. worden de eerste twee zinnen vervangen door wat volgt :
  "1. De vaartuigen worden gemeten door ambtenaren van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart, die tot scheepsmeter zijn aangesteld door de Minister die de Maritieme Zaken en de Scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft. De vaartuigen kunnen ook worden gemeten door andere personen of organisaties, die daartoe zijn gemachtigd door dezelfde Minister. Deze kan de scheepsmeters ontheffen van hun functie of de machtiging intrekken van de personen of organisaties die belast zijn met de uitvoering van de scheepsmeting.";
  2° de 2 wordt opgeheven;
  3° de 3 wordt vervangen door wat volgt :
  "3. De Minister die de Maritieme Zaken en de Scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft, stelt de regels vast voor de organisatie van de scheepsmeting, bepaalt de plaats en de organisatie van de inschrijvingskantoren en het model van de meetbrief."
  Art. 5. Artikel 68, 11°, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
  Art. 6. Artikel 71 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 71. § 1. Aan weerszijden van het vaartuig en op elk ijkmerk wordt door de scheepsmeter, in duidelijk leesbare en onuitwisbare tekens van 2,5 à 3 cm hoogte, het metingsmerk aangebracht. Het metingsmerk is samengesteld uit :
  a) de kenmerkende letters van het inschrijvingskantoor;
  b) het nummer van de inschrijving in het inschrijvingsregister;
  c) de onderscheidingsletter van het land (B voor België).
  Het metingsmerk moet minstens tweemaal in onuitwisbare tekens op de meest duurzame delen van het vaartuig door de scheepsmeter worden aangebracht.
  § 2. Het metingsmerk wordt door de schipper op de achtersteven van het vaartuig geschilderd."
  Art. 7. Artikel 72 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
  Art. 8. Artikel 74 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 74. § 1. In geval van geheel of gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging van de meetbrief moet de schipper hetzij het vaartuig laten hermeten, hetzij een afschrift van de meetbrief aanvragen bij de Scheepsmetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart.
  § 2. In geval van geheel verlies van de meetbrief dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies te voegen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan de in § 1 bedoelde dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
  § 3. In geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging van de meetbrief, dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, de gedeeltelijke of beschadigde meetbrief te voegen.
  § 4. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgeleverd dient dit document te vermelden :
  a) dat dit afschrift de meetbrief vervangt;
  b) de datum van aflevering.
  In het inschrijvingsregister en in het metingsregister dient daarenboven vermeld te worden dat er een afschrift werd afgeleverd, evenals de datum van aflevering.
  § 5. Naast de in vorige paragrafen vermelde afschriften kunnen uittreksels van meetbrieven, op losse bladen, bekomen worden bij de in § 1 bedoelde dienst. Deze uittreksels kunnen noch de meetbrief noch een afschrift ervan vervangen."
  Art. 9. In artikel 75 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt :
  "In geval het vaartuig een verbouwing ondergaat, die van invloed is op de in de meetbrief vermelde gegevens, moet de schipper het vaartuig laten hermeten.";
  2° de laatste zin wordt geschrapt.
  Art. 10. In artikel 76, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden "een scheepsmeter" vervangen door de woorden "de Scheepsmetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart".
  Art. 11. Artikel 77bis, § 1, van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 77bis. § 1. Vóór de sloping van een vaartuig aangevat wordt, zijn de eigenaar en de werf gehouden de Scheepsmetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart te verwittigen om deze in gelegenheid te stellen om de sloping vast te stellen en er akte van op te maken.
  De eigenaar dient de meetbrief in te leveren bij deze dienst. In geval van geheel verlies van de meetbrief, dient de eigenaar een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies aan deze dienst voor te leggen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan deze dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
  Een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte tot vaststelling van sloping kan bekomen worden op schriftelijke aanvraag, gericht aan deze dienst."
  Art. 12. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Art. 13. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 21 januari 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
Aanhef
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966, en voor wat België betreft in werking getreden op 19 april 1975;
   Gelet op artikel 37 van de Grondwet;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1936, 11 september 1936, 1 december 1938, bij de regentsbesluiten van 21 juni 1945, 2 juli 1945, 18 september 1945, 27 februari 1946, 10 juli 1946, 16 december 1946, 5 april 1947, 6 juli 1948 en bij de koninklijke besluiten van 7 september 1950, 13 juli 1951, 22 december 1951, 17 juni 1952, 11 december 1952, 31 oktober 1953, 12 januari 1954, 12 september 1956, 17 oktober 1956, 30 januari 1957, 12 juli 1957, 31 juli 1957, 22 oktober 1958, 25 maart 1964, 11 oktober 1967, 14 december 1971, 5 mei 1975, 3 november 1975, 25 juli 1977, 15 september 1978, 14 december 1979, 28 april 1981, 26 mei 1983, 3 oktober 1986, 19 december 1986, 28 maart 1988, 25 mei 1992 en 2 juni 1993;
   Overwegende dat de gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat het noodzakelijk is de Belgische wetgeving dringend in overeenstemming te brengen met de evolutie op het gebied van de meting der binnenvaartuigen, met inachtneming van de bepalingen van de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966 en voor wat België betreft in werking getreden op 19 april 1975; dat bovendien onverwijld wijzigingen dienen te worden aangebracht aan de vigerende wetgeving om een aantal personeelsleden van de voormalige Regie voor Maritiem Transport te kunnen aanstellen als scheepsmeter zodat de continuïteit van de meting der binnenvaartuigen verzekerd blijft; dat België blijkens de bovengenoemde Overeenkomst immers de verplichting op zich heeft genomen om de scheepsmeting op het Belgisch grondgebied te organiseren;
   Op de voordracht van Onze Minister van Vervoer,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :