binnenvaartwetten  
Titel
23 DECEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1998 en tekstbijwerking tot 30-08-2000).

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 30-12-1998
Inwerkingtreding : 01-01-1999
Dossiernummer : 1998-12-23/34
Inhoudstafel
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Modaliteiten tot het verkrijgen van de vaarbewijzen.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 5-7
Afdeling 2. - Lichamelijke en geestelijke geschiktheid : geneeskundig onderzoek.
Art. 8-12
Afdeling 3. - Examens over de vakkennis.
Art. 13-26
Afdeling 4. - Diensten aan dek.
Art. 27-39
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen voor de schipper die een schip met behulp van een radar wil besturen of die meer dan twaalf personen, naast de bemanning wil vervoeren.
Art. 40-44
HOOFDSTUK IV. - Controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
Art. 45
HOOFDSTUK V. - Retributies.
Art. 46
HOOFDSTUK VI. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 47-51
BIJLAGEN.
Art. N1, N2, N3, N4-2N4, N5, N6
Tekst
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° "de wet" : de wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk;
  2° "de Minister" : de Minister die de reglementering van het vervoer in zijn bevoegdheid heeft;
  3° " het Bestuur" : het Bestuur van het Vervoer te Land;
  4° "schip" : een binnenvaartuig bestemd voor het vervoer van goederen of personen;
  5° "schipper" : persoon die de nodige geschiktheid en kwalificaties bezit om een schip op de waterwegen te besturen en die aan boord het gezag voert;
  6° "lid van de dekbemanning" : een persoon die regelmatig bij de besturing van een schip betrokken is en aan het roer staat;
  7° "richtlijn" : de richtlijn van de Raad van de Europese Unie nr. 96/50/EG van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnen- vaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden.
  Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de schippers van alle types schepen zoals motorschepen, sleep- en duwboten, aken, duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van :
  1° de schippers van voor het vervoer van goederen bestemde schepen met een lengte van minder dan 20 meter;
  2° de schippers van voor het vervoer van passagiers bestemde schepen, die naast de bemanning, niet meer dan twaalf personen vervoeren;
  3° de schippers van de schepen van de diensten belast met controle en schepen van de brandweer;
  4° de schippers van militaire schepen.
  § 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op schippers van vissersschepen die in de officiële lijst der Belgische vissersvaartuigen ingeschreven zijn als behorende tot de Scheldevisserijvloot.
  Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit worden twee vaarbewijzen ingevoerd :
  1° het vaarbewijs A, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is;
  2° het vaarbewijs B, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de maritieme waterwegen vermeld in bijlage 1 bij dit besluit en met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is.
  De vaarbewijzen A of B afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie in uitvoering van de richtlijn, zijn geldig, respectievelijk :
  - op alle waterwegen van het Rijk;
  - op alle waterwegen van het Rijk met uitzondering van de Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 februari 1996.
  Het Groot patent afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte is geldig op alle waterwegen van het Rijk.
  Art. 4. § 1 De Minister of zijn gemachtigde is belast met de afgifte van vaarbewijzen A en B aan de aanvragers die aan de in artikel 3 van de wet bepaalde voorwaarden voldoen.
  § 2. De vaarbewijzen worden opgemaakt volgens het in bijlage 2 van dit besluit aangegeven model.
  § 3. Bij verlies of diefstal van het vaarbewijs kan de houder op voorlegging van een attest van verlies of diefstal gedaan bij politie- of rijkswachtdiensten een duplicaat verkrijgen bij de autoriteit die het origineel heeft afgegeven.
  Bij beschadiging van het vaarbewijs kan de houder tegen inlevering van zijn beschadigd vaarbewijs een duplicaat verkrijgen bij de autoriteit die het origineel heeft afgegeven.
  HOOFDSTUK II. - Modaliteiten tot het verkrijgen van de vaarbewijzen.
  Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
  Art. 5. De aanvraag tot het verkrijgen van het vaarbewijs wordt bij de Dienst voor Regeling der Binnenvaart ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald.
  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager en vermeldt het vaarbewijs waarvoor zij wordt ingediend.
  Art. 6. Bij het indienen van zijn aanvraag moet de aanvrager :
  1° ten volle 17 jaar oud zijn;
  2° een fotocopie van zijn identiteitskaart of paspoort en een recente pasfoto bijvoegen;
  3° het geneeskundig centrum van de Sociaal-medische Rijksdienst aanwijzen waar hij zich aan het geneeskundig onderzoek wenst te onderwerpen.
  Art. 7. De aanvraag kan worden ingediend zelfs wanneer de aanvrager de in artikel 27 bedoelde diensttijd nog niet heeft volbracht.
  Afdeling 2. - Lichamelijke en geestelijke geschiktheid : geneeskundig onderzoek.
  Art. 8. De aanvrager moet aantonen dat hij de vereiste lichamelijke en geestelijke geschiktheid heeft en moet zich hiertoe onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek in het door hem aangewezen geneeskundig centrum van de Sociaal-medische Rijksdienst.
  Dit geneeskundig centrum roept de aanvrager op binnen zestig dagen na de indiening van de aanvraag. Het geneeskundig onderzoek heeft plaats tussen de twintigste en de zestigste dag na de oproeping.
  Art. 9. Het geneeskundig onderzoek is bedoeld om na te gaan of de aanvrager niet lijdt aan lichaamsgebreken of kwalen die voor de veiligheid in de scheepvaart nadelig zouden kunnen zijn. Dit onderzoek heeft met name betrekking op :
  1° het gezichtsvermogen, het gehoor en het kleurenonderscheidingsvermogen;
  2° de toestand van hart, longen en de bloeddruk;
  3° de goede werking van de ledematen;
  4° de neurologische en psychische gesteldheid.
  De minimumnormen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn bepaald in bijlage 3 bij dit besluit.
  Art. 10. De Sociaal-medische Rijksdienst spreekt zich uit over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager.
  Binnen dertig dagen na het geneeskundig onderzoek, brengt de Rijksdienst zijn beslissing ter kennis van de aanvrager en zendt een afschrift ervan naar de Dienst voor Regeling der Binnenvaart.
  Art. 11. § 1. Binnen zestig dagen nadat de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat hij ongeschikt is bevonden, kan hij tegen die beslissing beroep instellen bij ter post aangetekende brief, gericht aan de Sociaal-medische Rijksdienst; die brief moet de naam en het adres van een geneesheer van zijn keuze vermelden.
  Binnen de daaropvolgende dertig dagen deelt de Sociaal-medische Rijksdienst de door de aanvrager aangewezen geneesheer de redenen mede die geleid hebben tot de ongeschiktheidsverklaring. Deze redenen mogen niet door de Sociaal-medische Rijksdienst aan de aanvrager worden medegedeeld.
  § 2. Binnen dertig dagen na de mededeling van de redenen voor de beslissing tot ongeschiktheidsverklaring, kan de aangewezen geneesheer :
  1° aan de Sociaal-medische Rijksdienst een verslag richten waarin die beslissing wordt betwist;
  2° of een onderzoek op tegenspraak aanvragen met de geneesheer-inspecteur die de beslissing getroffen heeft.
  De Sociaal-medische Rijksdienst doet uitspraak :
  1° binnen dertig dagen na ontvangst van het verslag bedoeld in het eerste lid, 1°;
  2° binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek om een onderzoek bedoeld in het eerste lid, 2°.
  Wanneer de aangewezen geneesheer en de Sociaal medische Rijksdienst het onderling eens zijn, is de beslissing definitief. De Rijksdienst brengt die beslissing ter kennis van de aanvrager en zendt een afschrift ervan aan de Dienst voor Regeling der Binnenvaart.
  In het geval zij het oneens zijn, wordt het geschil met het oog op een eindbeslissing voorgelegd aan de hoofdgeneesheer van de Sociaal-medische Rijksdienst of aan zijn gemachtigde.
  Die geneesheer mag in geen enkel stadium zijn tussengekomen bij het nemen van de betwiste beslissing.
  De Sociaal-medische Rijksdienst brengt de eindbeslissing ter kennis van de aanvrager en zendt een afschrift ervan naar de Dienst voor Regeling der Binnenvaart.
  Art. 12. De kosten van de door de Sociaal-medische Rijksdienst uitgevoerde geneeskundige onderzoeken zijn ten laste van de aanvrager.
  Afdeling 3. - Examens over de vakkennis.
  Art. 13. De aanvrager moet met gunstig gevolg een examen afleggen om aan te tonen dat hij de nodige vakkennis heeft.
  Art. 14. Er wordt een examencommissie opgericht, hierna te noemen "de Commissie", die belast is met de organisatie van de examens over de vakkennis met het oog op het behalen van de in artikel 3 bedoelde vaarbewijzen A en B.
  Zij bestaat uit vijf werkende leden aangewezen op grond van hun deskundigheid, onder wie een voorzitter, die ambtenaar is, en vier examinatoren. Voor ieder werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. De werkende en plaatsvervangende leden worden door de Minister benoemd voor een duur van drie jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.
  Art. 15. Een secretaris, aangewezen door de Directeur-generaal van het Bestuur, wordt aan de Commissie toegevoegd. Hij is niet-stemgerechtigd.
  Art. 16. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en bepaalt haar werkwijze.
  Art. 17. De beraadslagingen van de Commissie zijn geheim.
  Art. 18. De beslissingen van de Commissie worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  De beslissingen worden in een proces-verbaal opgenomen.
  Na sluiting van het proces-verbaal wordt elke kandidaat ervan in kennis gesteld of hij voor het examen geslaagd of mislukt is. De kandidaat die voor het examen geslaagd is ontvangt van de voorzitter van de Commissie een verklaring als bewijs.
  Een afschrift van het procesverbaal wordt aan de Dienst voor Regeling der Binnenvaart gezonden.
  Art. 19. De examens georganiseerd met het oog op het behalen van de in artikel 3 bedoelde vaarbewijzen hebben plaats volgens de noodwendigheden en ten minste éénmaal per jaar.
  De Commissie bepaalt :
  1° de datum van de examenzitting;
  2° de uiterste datum voor de indiening van de in artikel 5 bedoelde aanvraag.
  De examens worden bekendgemaakt met alle middelen die de Commissie gepast acht.
  Art. 20. De examens worden afgenomen in het Nederlands, het Frans of het Duits volgens de taal die de aanvrager in zijn aanvraag kiest.
  Art. 21. De examens lopen over de materie bepaald in hoofdstuk A van bijlage 4 bij dit besluit.
  Art. 22. De deelneming aan het examen is afhankelijk van het indienen van de aanvraag bedoeld in artikel 5.
  Art. 23. De kandidaten worden door de Commissie ten minste vijfenveertig dagen voor de datum van het examen per brief opgeroepen.
  Art. 24. Het examen is een schriftelijk examen. Bij de beraadslaging kan de Commissie besluiten een aanvullend examen af te nemen in de door haar bepaalde gevallen en op de wijze die is bepaald in het huishoudelijk reglement.
  Art. 25. Kandidaten, houder van een vaarbewijs B kunnen het vaarbewijs A bekomen na met goed gevolg het examen te hebben afgelegd over de bijkomende materie bepaald in deel 2 van hoofdstuk A van bijlage 4 bij dit besluit.
  Art. 26. Een afgevaardigde van iedere werknemersorganisatie die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd is mag de examens bijwonen.
  Afdeling 4. - Diensten aan dek.
  Art. 27. De aanvrager moet een diensttijd van ten minste vier jaar als lid van een dekbemanning aan boord van een schip hebben volbracht.
  Als een jaar diensttijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als diensttijd worden meegerekend.
  Art. 28. De in artikel 27 bedoelde diensttijd wordt met maximaal drie jaar verminderd :
  1° wanneer de aanvrager houder is van een einddiploma uitgereikt door een onderwijsinstelling waar theoretische en praktische cursussen over binnenvaart worden gegeven, voor zover deze onderwijscyclus door de Minister werd erkend; de vermindering mag de duur van de onderwijscyclus niet te boven gaan;
  2° wanneer de aanvrager kan aantonen als lid van de dekbemanning diensttijd op een zeeschip te hebben volbracht; voor de maximale vermindering met drie jaar moet de aanvrager aantonen minstens vier jaar ervaring in de zeevaart te hebben, waarbij 250 zeedagen als één jaar diensttijd gelden; de diensttijd op een zeeschip moet worden aangetoond door middel van een monsterboekje.
  Art. 29. De diensttijd mag op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, zonder onderscheid van de scheepvaartgebieden, zijn volbracht.
  Wat de waterwegen betreft die de buitengrens van de Europese Unie overschrijden, zoals de Donau, de Elbe en de Oder, zal de op alle trajecten van deze waterwegen opgedane ervaring in aanmerking worden genomen.
  Art. 30. Om in aanmerking te kunnen worden genomen moeten de diensten in het dienstboekje van de aanvrager worden ingeschreven. Dit dienstboekje dient bij afgifte en vervolgens telkens binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte ten minste éénmaal te zijn afgestempeld door de Minister of zijn gemachtigde of door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie.
  Het model van het dienstboekje is bepaald in bijlage 5 bij dit besluit.
  Art. 31. Het dienstboekje en de stukken die aantonen dat de diensttijd overeenkomstig artikel 28 kan worden verminderd moeten uiterlijk acht jaar na de indiening van de in artikel 5 bedoelde aanvraag aan de Dienst voor Regeling der Binnenvaart worden gezonden.
  Deze documenten worden gevalideerd door het Bestuur.
  Art. 32. Het Bestuur kan de aanvrager verzoeken aanvullende bewijsstukken over te leggen.
  Art. 33. Binnen zestig dagen na de indiening van de stukken die bewijzen dat de aanvrager de vereiste diensttijd heeft volbracht, brengt het Bestuur zijn beslissing ter kennis van de aanvrager en zendt een afschrift ervan naar de Dienst voor Regeling der Binnenvaart.
  Art. 34. Binnen zestig dagen nadat de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat de diensttijd onvoldoende vaststaat, kan hij tegen die beslissing beroep instellen bij ter post aangetekende brief gericht aan een hiertoe opgericht Beroepscomité.
  Art. 35. Het Beroepscomité bestaat uit :
  1° een voorzitter, ambtenaar van het Bestuur van minstens rang 13;
  2° een afgevaardigde van het Bestuur;
  3° een afgevaardigde van de Dienst voor Regeling der Binnenvaart;
  4° twee afgevaardigden van de werkgeversorganisaties die in het Paritair Comité voor de Binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn;
  5° twee afgevaardigden van de werknemersorganisaties die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn.
  Voor ieder werkend lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen.
  De werkende en de plaatsvervangende leden worden door de Minister benoemd voor een duur van drie jaar. Hun opdracht kan verlengd worden.
  Art. 36. Een secretaris, aangewezen door de Directeur-generaal van het Bestuur, wordt aan het Beroepscomité toegevoegd. Hij is niet stemgerechtigd.
  Art. 37. Het Beroepscomité stelt zijn huishoudelijk reglement op en bepaalt zijn werkwijze.
  Art. 38. De beraadslagingen van het Beroepscomité zijn geheim.
  Art. 39. De beslissingen van het Beroepscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  De beslissingen worden in een proces-verbaal opgenomen.
  Na sluiting van het proces-verbaal wordt de aanvrager die een beroep heeft ingesteld, in kennis gesteld van de beslissing van het Beroepscomité.
  Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de Dienst voor Regeling der Binnenvaart gezonden.
  HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen voor de schipper die een schip met behulp van een radar wil besturen of die meer dan twaalf personen, naast de bemanning wil vervoeren.
  Art. 40. § 1. Om een schip met behulp van een radar te mogen besturen, moet de schipper in het bezit zijn van een vaarbewijs voorzien van een aantekening waaruit blijkt dat hij bevoegd is tot het besturen van een schip met radar.
  Het radardiploma voor de Rijn afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van radardiploma's voor de Rijn, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte is gelijkwaardig aan de in lid 1 bedoelde aantekening.
  § 2. De aantekening dat de schipper bevoegd is tot het besturen van een schip met radar wordt door de Minister of zijn gemachtigde op het vaarbewijs van de aanvrager aangebracht op voorlegging van :
  1° ofwel zijn radarbrevet afgegeven overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 oktober 1993 tot instelling van een radarbrevet en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1988 betreffende het brevet van schipper ter baggervaart en van het brevet van stuurman voor de baggervaart;
  2° ofwel van zijn radardiploma voor de Rijn afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van radardiploma's voor de Rijn, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte.
  Art. 41. § 1. Om een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, naast de bemanning te besturen moet de schipper of een ander lid van de bemanning in het bezit zijn van een door de Minister of zijn gemachtigde afgegeven getuigschrift, volgens het model bepaald in bijlage 6 van dit besluit.
  § 2. Het getuigschrift afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie in uitvoering van artikel 10 van de richtlijn wordt als gelijkwaardig erkend als het getuigschrift bedoeld in § 1.
  § 3. Indien het de schipper zelf is die in het bezit is van het getuigschrift bedoeld in § 1 geeft de Minister of zijn gemachtigde door middel van een aantekening op zijn vaarbewijs aan dat hij bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, naast de bemanning.
  Art. 42. De aanvraag tot het verkrijgen van het getuigschrift bedoeld in artikel 41 wordt bij de Dienst voor Regeling der Binnenvaart ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald.
  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager.
  Bij het indienen van zijn aanvraag moet de aanvrager :
  1° ten volle 17 jaar oud zijn;
  2° een fotocopie van zijn identiteitskaart of paspoort bijvoegen.
  Art. 43. Het getuigschrift bedoeld in artikel 41 wordt afgegeven aan de aanvrager die met goed gevolg een examen heeft afgelegd over hoofdstuk B van bijlage 4 bij dit besluit en die tenminste 18 jaar oud is.
  De kennis van punt 2 van hoofdstuk B van bijlage 4 van dit besluit moet blijken uit een attest van minder dan vijf jaar oud, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie waaruit blijkt dat de aanvrager een opleiding genoten heeft inzake benadering van een noodsituatie, reanimatietechnieken, optreden bij een hartstilstand en optreden bij een uitwendige bloeding.
  Het examen over hoofdstuk B van bijlage 4 bij dit besluit wordt georganiseerd door de examencommissie bedoeld in artikel 14 volgens de modaliteiten van de artikelen 17, 18, 20, 23, 24 en 26.
  Art. 44. De examencommissie bedoeld in artikel 14 bepaalt :
  1° de datum waarop het examen over hoofdstuk B van bijlage 4 van dit besluit zal plaatsvinden;
  2° de uiterste datum voor indiening van de in artikel 42 bedoelde aanvraag.
  HOOFDSTUK IV. - Controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
  Art. 45. De houder van een vaarbewijs die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, dient zich binnen de drie daarop volgende maanden en verder ieder jaar aan het in artikel 9 bedoeld geneeskundig onderzoek te onderwerpen.
  Hij richt hiertoe tot de Dienst voor Regeling der Binnenvaart een aanvraag met de vermelding van het geneeskundig centrum van de Sociaal-medische Rijksdienst waar hij zich aan het geneeskundig onderzoek wenst te onderwerpen.
  Het geneeskundig onderzoek heeft plaats volgens de modaliteiten van afdeling 2, hoofdstuk II van dit besluit.
  De Minister of zijn gemachtigde tekent op het vaarbewijs aan dat de schipper aan de verplichting bedoeld in het eerste lid heeft voldaan.
  HOOFDSTUK V. - Retributies.
  Art. 46. Voor de hierna omschreven verrichtingen dient de ernaast vermelde retributie te worden betaald : afgifte van een vaarbewijs : (100 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Afgifte van een duplicaat van een vaarbewijs : (12,50 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Aantekening op het vaarbewijs dat de schipper bevoegd is tot het besturen van een schip met radar : (12,50 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Afgifte van een getuigschrift bedoeld in artikel 41 : (50,00 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Aantekening op het vaarbewijs dat de schipper bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan 12 personen, naast de bemanning : (12,50 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; ED : 01-01-2002>
  Aantekening op het vaarbewijs dat de schipper voldaan heeft aan de verplichting bedoeld in artikel 45 : (12,50 EUR); <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Vervanging van een stuurbrevet door een vaarbewijs overeenkomstig artikel 48 : (12,50 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De Minister kan het bedrag van de retributie aanpassen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. In dit geval, vermenigvuldigt hij het bedrag van de retributie met het indexcijfer van de voorbije maand en deelt het resultaat door het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand waarin dit besluit in werking is getreden. (Hij vermeerdert, in voorkomend geval, de uitkomst met ten hoogste 0,50 EUR of vermindert het met ten hoogste 0,49 EUR om een eenheid te verkrijgen). De aangepaste bedragen treden in werking de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt. <KB 2000-07-20/53, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  HOOFDSTUK VI. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
  Art. 47. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1993, 2 juni 1993, 27 oktober 1995 en 29 januari 1997;
  2° het koninklijk besluit van 29 april 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer;
  3° het koninklijk besluit van 27 oktober 1995 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 januari 1997.
  Art. 48. § 1. De stuurbrevetten A en B afgegeven vóór 8 april 1998 overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1993, 2 juni 1993, 27 oktober 1995 en 29 januari 1997 en de stuurbrevetten C en D afgegeven vóór 8 april 1998 overeenkomstig het koninklijk besluit van 27 oktober 1995 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 januari 1997 blijven zonder inwisselverplichting geldig.
  § 2. De in § 1 bedoelde stuurbrevetten afgegeven tussen 8 april 1998 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit dienen voor 1 oktober 1999 te worden ingewisseld.
  § 3. Wanneer een stuurbrevet dient te worden vervangen zal deze worden vervangen door een vaarbewijs volgens de hierna vermelde bepalingen :
  een stuurbrevet A wordt vervangen door een vaarbewijs A;
  een stuurbrevet B wordt vervangen door een vaarbewijs B;
  een stuurbrevet C wordt vervangen door een vaarbewijs A met een aantekening dat de houder bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, naast de bemanning;
  een stuurbrevet D wordt vervangen door een vaarbewijs B met een aantekening dat de houder bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, naast de bemanning.
  § 4. De getuigschriften afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie en die als gelijkwaardig zijn erkend aan de stuurbrevetten A, B, C of D overeenkomstig het ministerieel besluit van 6 januari 1993 tot erkenning van de getuigschriften gelijkwaardig aan het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer en het ministerieel besluit van 18 mei 1998 tot erkenning van de getuigschriften gelijkwaardig aan het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers, blijven geldig voor zover hun geldigheidsduur niet verstreken is.
  Art. 49. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren en de beambten vermeld in artikel 101 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen Reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, evenals de ambtenaren van het Bestuur die met een mandaat van gerechtelijke politie bekleed zijn, belast met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van dit besluit.
  Art. 50. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999.
  Art. 51. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  BIJLAGEN.
  Art. N1. Bijlage 1. Lijst van de maritieme waterwegen, waar enkel het vaarbewijs A geldig is.
  Koninkrijk België.
  Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 februari 1996.
  Bondsrepubliek Duitsland.
  Ems : van de verbindingslijn tussen de vuurtorens van Delfzijl en Knock, zeeinwaarts tot 53° 30' noorderbreedte en 6° 45' oosterlengte, dat wil zeggen iets buiten de overslagplaats voor droge-ladingschepen in de Alte Ems, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard en van de verbindingslijn van de haveningang naar Papenburg over de Ems, tussen het Diemer Schöpfwerk en de dijksluis bij Halte tot aan de verbindingslijn tussen de vuurtorens van Delfzijl en Knock, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard.
  Jade : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Schillighörn en de kerktoren van Langwarden.
  Weser : van de spoorwegbrug in Bremen tot aan de verbindingslijn tussen de kerktorens van Langwarden en van Cappel met de zijarm Schweiburg, met inbegrip van de zijarmen Kleine Weser, Rekumer-Loch en de rechter zijarm.
  Elbe : van de onderste grens van de haven van Hamburg tot de verbindingslijn tussen de Kugelbake bij Döse en de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) met de zijrivieren Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau en Stör (telkens van de vloedkering tot aan de monding) en met inbegrip van de Zij-Elbe.
  Meldorfer Bucht : binnenwaarts van de verbindingslijn van de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) tot het westelijke havenhoofd Büsum.
  Flensburger Förde : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Kekenis en Birknack.
  Eckernförder Bucht : binnenwaarts van de verbindingslijn van Bocknis-Eck tot de noordoostelijke punt van het vasteland bij Dnisch Nienhof.
  Kieler Förde : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Bulk en het marinegedenkteken Laboe.
  Leda : van de ingang tot de voorhaven van de zeesluis van Leer tot aan de monding.
  Hunte : van de haven Oldenburg en van 200 m beneden de Amalienbrug in Oldenburg tot aan de monding.
  Lesum : van de spoorwegbrug in Bremen-Burg tot aan de monding.
  Este : van de afsluiting bij Buxtehude tot aan de vloedkering Este.
  Lühe : van de molen 250 m boven het viaduct op de Marschdamm in Horneburg tot aan de vloedkering Lühe.
  Schwinge : van de voetgangersbrug beneden het Güldensternbastion in Stade tot aan de vloedkering Schwinge.
  Freiburger-Hafenpriel : van de sluizen bij Freiburg/Elbe tot aan de monding.
  Oste : van Mühlenwehr Bremervörde tot aan de vloedkering Oste.
  Pinnau : van de spoorwegbrug in Pinneberg tot aan de vloedkering Pinnau.
  Krückau : van de watermolen in Elmshorn tot aan de vloedkering Krückau.
  Stör : van Pegel Rensing tot aan de vloedkering Stör.
  Eider : van het Gieselaukanaal tot aan de vloedkering Eider.
  Nord-Ostsee-Kanal : van de verbindingslijn tussen de havenhoofden in Brunsbüttel tot aan de toegangsbakens in Kiel-Holtenau met Schirnauer See, Bergstedter See, Audorfer See, Obereidersee met Enge, Achterwehrer Schiffahrtskanal en Flemhuder See.
  Trave : van de spoorwegbrug en de Holstenbrug (Stadttrave) in Lübeck tot aan de verbindingslijn van de beide uiterste havenhoofden bij Travemünde met de Pötenitzer Wiek en de Dassower See.
  Schlei : binnenwaarts van de verbindingslijn van de havenhoofden Schleimünde.
  Koninkrijk der Nederlanden.
  Dollard, Eems, Waddenzee, IJsselmeer, Oosterschelde en Westerschelde.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  Art. N2. Bijlage 2. Model Vaarbewijs.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41728).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  Art. N3. Bijlage 3. Minimumnormen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de kandidaten voor een vaarbewijs.
  I. Gezichtsvermogen.
  1. De gezichtsscherpte :
  De gezichtsscherpte bij daglicht van het beste oog bedraagt met of zonder corrigerende glazen of contactlenzen ten minste 0,8. Met één oog zien is toegestaan.
  2. Nachtblindheid :
  Contrast 1 : 2, alleen in twijfelgevallen te onderzoeken.
  3. Gewenning aan de duisternis :
  Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Het resultaat mag niet meer dan een logeenheid van de normaal kromme afwijken.
  4. Gezichtsveld :
  In geval van twijfel dient perimetrisch onderzoek verricht te worden.
  5. Kleuronderscheidingsvermogen :
  Het kleuronderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd indien de kandidaat voldoet aan de test van Farnworth Panel D15 test, de test van Ishihara, volgens de platen 12 tot en met 20, of een andere als gelijkwaardig erkende test. In geval van twijfel onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij met genoemde testmethode een gelijkwaardige uitkomst bereikt moet worden.
  6. Motiliteit :
  Onbelemmerde beweeglijkheid van beide ogen, geen dubbelzien.
  7. Optische hulpmiddelen :
  Ook bij gebruik van optische hulpmiddelen (kontaktlenzen, bril) moet aan de eisen voor de gezichtsscherpte en het gezichtsveld voldaan zijn.
  II. Gehoor.
  Het gehoor wordt als voldoende beschouwd, wanneer de kandidaat aan elk van beide zijden een gefluisterd woord met of zonder gehoorapparaat kan horen :
  - op een afstand van 3 m, wanneer hij 25 jaar of jonger is;
  - op een afstand van 2 m, wanneer hij ouder dan 25 is.
  Bij het vermoeden van een toenemend gehoorverlies, alsmede in geval van twijfel moet een toon- of een spraakaudiogram gemaakt worden. Het gehoorverlies van het beste oor mag gemiddeld niet meer dan 40 decibel bedragen voor de frequenties 500, 1000 en 2000 hertz.
  III. Algemene toestand.
  In staat zijn om alleen een last van 20 kg te tillen.
  Er mogen geen andere bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de lichamelijke en geestelijke geschiktheid uitsluiten.
  Indien de navolgende ziekten of lichamelijke gebreken bij de aanvrager voorkomen kan dit aanleiding geven tot twijfel aan zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid :
  1. aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen;
  2. aandoeningen of laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard gaande met duidelijke functionele stoornissen; in het bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het ruggemerg en de daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na schedel- of hersenletsel, cerebrale doorbloedingsstoornissen;
  3. geestesziekten;
  4. suikerziekte met niet goed instelbare, aanzienlijke schommelingen van de bloedglucose-waarden;
  5. manifeste endocriene stoornissen;
  6. ernstige aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen;
  7. asthmatische bronchitis met aanvallen;
  8. aandoeningen of veranderingen in het hart of de bloedsomloop met beperking van de belastbaarheid in absolute, respectievelijk relatieve zin;
  9. aandoeningen of gevolgen na een ongeval, die leiden tot een aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de kracht in een der ledematen die voor de uit te oefenen arbeid van belang zijn;
  10. chronisch alcoholisme, alsmede verslaving aan verdovende middelen, of andere vormen van verslaving.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  Art. N4. Bijlage 4. Vereiste vakkennis voor het verkrijgen van de vaarbewijzen.
  Art. 1N4. HOOFDSTUK A. - Algemene vakkennis voor het verkrijgen van de vaarbewijzen A en B.
  Deel 1. - Gemeenschappelijke materie voor het behalen van de vaarbewijzen A en B.
  1. Navigatie.
  a) Nauwkeurige kennis van de verkeersregels op de binnenwateren met name van het "Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk" en van het Europees Reglement voor binnenlandse waterwegen (CEVNI) inclusief de markering en betonning van waterwegen, evenals wat ten aanzien van het varen op radar wordt bepaald.
  b) Kennis van de algemene kenmerken van de voornaamste binnenlandse waterwegen uit geografisch, hydrologisch, meteorologisch en morfologisch oogpunt.
  c) Routebepaling, nautische drukwerken en publikaties, betonningssystemen.
  2. Hanteren en besturen van het schip.
  a) Besturen van het schip, met inachtneming van het effect van wind, stroming, turbulentie en diepgang met het oog op voldoende drijfvermogen en stabiliteit.
  b) Rol en werking van roer en schroef.
  c) Ankeren en aanleggen in alle omstandigheden.
  d) Manoeuvers in een sluis of haven en manoeuvers bij tegengestelde en oplopende koersen.
  3. Constructie en stabiliteit van het schip.
  a) Kennis van de grondbeginselen van de scheepsbouw, vooral in verband met de veiligheid van passagiers, bemanning en schip.
  b) Elementaire kennis van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, omgezet bij koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.
  c) Elementaire kennis van de hoofdzaken van de scheepsconstructie.
  d) Theoretische kennis van de regels betreffende stabiliteit en drijfvermogen en de praktische toepassing daarvan met name de bevaarbaarheid.
  4. Machines van het schip.
  a) Elementaire kennis van de constructie en de werking van de scheepsmotoren om ervoor te zorgen dat deze goed functioneren.
  b) Bediening en controle van het functioneren van hoofd- en hulpmotoren en te volgen procedures in geval van nood.
  5. Laden en lossen.
  a) Gebruik van diepgangschalen.
  b) Bepaling van het gewicht van een lading met behulp van de meetbrief.
  c) Laden en lossen van het schip, stuwing van de lading (stuwplan).
  6. Gedrag in bijzondere omstandigheden.
  a) Basisprincipes van het voorkomen van ongevallen.
  b) Te nemen maatregelen bij averij, aanvaring of stranding, met inbegrip van het dichten van gaten in de scheepsromp.
  c) Gebruik van gereedschap en reddingsmateriaal.
  d) Eerste hulp bij ongevallen.
  e) Brandpreventie en gebruik van brandbestrijdingsinrichtingen en -apparaten.
  f) Voorkomen van vervuiling van de waterwegen.
  Deel 2. - Bijkomende materie voor het behalen van het vaarbewijs A.
  1. Navigatie.
  a) Nauwkeurige kennis van de verkeersregels op de maritieme waterwegen met name van het "Scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde", van het "Politiereglement van de Beneden-Zeeschelde" en van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
  b) Elementaire kennis van het "Politie- en scheepvaartreglement van de Belgische territoriale zee, kusthavens en -stranden".
  c) Kennis van de algemene kenmerken van de voornaamste maritieme waterwegen uit geografisch, hydrologisch, meteorologisch en morfologisch oogpunt.
  d) Peilingen en posities van het schip, het gebruik van zeekaarten, navigatiehulpmiddelen, procedures voor het controleren van het kompas en basiskennis inzake getijdenwerking.
  2. Constructie en stabiliteit van het schip.
  Aanvullende uitrusting op de maritieme waterwegen.
  3. Gedrag in bijzondere omstandigheden.
  Bijzondere omstandigheden bij het redden van personen, van het schip en van de lading op maritieme waterwegen, overleven op zee.
  Art. 2N4. HOOFDSTUK B. - Verplichte aanvullende vakkennis voor het personenvervoer.
  1. Summiere kennis van de technische voorschriften met betrekking tot de stabiliteit van passagiersschepen in geval van averij, waterdichte schotten, niveau van de grootste diepgang.
  2. EHBO.
  3. Brandpreventie en brandbestrijdingsinrichtingen.
  4. Omgaan met reddingsmiddelen en -materieel.
  5. Maatregelen voor de bescherming van passagiers in het algemeen en met name in geval van evacuatie, averij, aanvaring, standing, brand, explosie of andere panieksituaties.
  6. Kennis van de veiligheidsvoorschriften (nooduitgangen, valreep, gebruik van het noodroer).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  Art. N5. Bijlage 5. Dienstboekje.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41733 - 41745).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  Art. N6. Bijlage 6. Model bijkomend getuigschrift voor het personenvervoer.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41746).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 december 1998.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
Aanhef
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend te Rome op 25 maart 1957 en goedgekeurd door de wet van 2 december 1957;
   Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Unie nr. 96/50/EG van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden;
   Gelet op de wet van 15 maart 1971 betreffende de scheepvaartrechten te heffen op de waterwegen onder beheer van de Staat, inzonderheid op artikel 11;
   Gelet op de wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op [25 november 1998]; (Err., B.St. 10-03-1999, p. 7533)
   Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op [23 december 1998]; (Err., B.St. 10-03-1999, p. 7533)
   Overwegende dat de gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat de richtlijn van de Raad van de Europese Unie nr. 96/50/EG van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden, vóór 8 april 1998 diende omgezet te worden en dat het noodzakelijk is om onverwijld in de Belgische reglementering het eenvormig model van communautair vaarbewijs in te voeren teneinde enerzijds, aan de houders van dit certificaat, onderdaan van andere Lidstaten van de Europese Unie, toe te laten toegang te hebben tot de waterwegen van het Rijk en anderzijds te vermijden dat de Belgische schippers moeilijkheden zouden ondervinden voor de vaart op de andere communautaire waterwegen;
   Op de voordracht van Onze Minister van Vervoer,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Wijziging(en)
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
BEELD :
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
  • (GEWIJZIGD ART. : 46)