binnenvaartwetten  
Titel
1 JULI 1999. - Koninklijk besluit betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren.

Bron :
VERKEERSWEZEN
Publicatie : 13-07-1999
Inwerkingtreding : 13-07-1999
Dossiernummer : 1999-07-01/33
Inhoudstafel
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen.
Afdeling 1. - Aanwijzing en taken van de veiligheidsadviseur.
Art. 5-6
Afdeling 2. - Afgifte van het scholingscertificaat.
Art. 7-12
Afdeling 3. - Verlenging van het scholingscertificaat en duplicaten.
Art. 13-17
HOOFDSTUK III. - Controlebepalingen.
Art. 18-20
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen.
Art. 21
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 22-23
BIJLAGEN.
Art. N1, N2, N3, N4
Tekst
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
  Artikel 1. Dit besluit zet de richtlijn 96/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 1996 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren om in Belgisch recht.
  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " A.D.R. " : het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en zijn bijlagen ondertekend op 30 september 1957 en goedgekeurd door de wet van 10 augustus 1960;
  2° " richtlijn 96/35/EG " : de richtlijn 96/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 1996 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren;
  3° " gevaarlijke goederen " : de stoffen en voorwerpen die in het A.D.R. als gevaarlijke goederen worden omschreven;
  4° " klassen " : de klassen van gevaarlijke goederen, zoals gedefinieerd in randnummer 2002 van het A.D.R.;
  5° " UN-nummers " : de nummers die een gevaarlijk goed of een groep van gevaarlijke goederen identificeren zoals vastgelegd in hoofdstuk 3 van de " Recommendations on the Transport of Dangerous Goods - Model Regulations ", gepubliceerd door de Verenigde Naties, in zijn meest recente uitgave;
  6° " onderneming " : elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groepering van personen zonder rechtspersoonlijkheid en met of zonder winstoogmerk, alsmede elk onder de overheid ressorterend lichaam, ongeacht of het een eigen rechtspersoonlijkheid bezit of afhankelijk is van een overheid met rechtspersoonlijkheid, die gevaarlijke goederen vervoert, laadt of lost;
  7° " eindbestemming " : een onderneming waar transporten van gevaarlijke goederen toekomen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen, maar van waaruit geen dergelijke transporten vertrekken;
  8° " veiligheidsadviseur " : elke persoon die door de bedrijfsleider wordt aangewezen om de in artikels 5 en 6 bedoelde taken en functies te vervullen, en die in het bezit is van het in artikel 7 bedoelde scholingscertificaat;
  9° " bevoegde overheid " :
  - indien het gevaarlijke goederen van klasse 1 betreft, de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren;
  - indien het gevaarlijke goederen van klasse 7 betreft, het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle opgericht door de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle in de gevallen bepaald in artikels 5, 6 en 19 van dit besluit en de Minister van Binnenlandse Zaken in de andere gevallen;
  - indien het gevaarlijke goederen van de andere klassen betreft, de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort.
  Art. 3. § 1. Dit besluit is van toepassing op ondernemingen die :
  1° gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren vervoeren;
  2° de laad- en loswerkzaamheden verrichten die met het in 1° vermelde vervoer samenhangen met inbegrip van de overslag van de weg, het spoor of de binnenwateren naar een andere vervoerswijze of vice-versa.
  § 2. Dit besluit is niet van toepassing op de ondernemingen wier in § 1 omschreven activiteiten zich beperken tot :
  1° vervoer uitgevoerd met vervoermiddelen die eigendom zijn of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;
  2° vervoer van hoeveelheden gevaarlijke goederen waarvoor het A.D.R. in een vrijstelling volgens randnummers 10010 en 10011 voorziet;
  3° lossen van gevaarlijke goederen op hun eindbestemming;
  4° het binnenlands vervoer, of met dat vervoer samenhangende laad- en loswerkzaamheden, van minder dan vijftig ton netto gevaarlijke goederen per kalenderjaar, wanneer enkel gevaarlijke goederen behandeld worden die ingedeeld zijn bij de letters A, O of F van klasse 2 of bij de letter c) van klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 en 9.
  Art. 4. Elke onderneming waarop dit besluit van toepassing is, moet ten laatste op 31 december 1999 over één of meer veiligheidsadviseurs beschikken.
  HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen.
  Afdeling 1. - Aanwijzing en taken van de veiligheidsadviseur.
  Art. 5. § 1. De veiligheidsadviseur heeft onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleider in de eerste plaats tot taak om er, binnen de grenzen van de activiteiten van de onderneming, met alle mogelijke middelen en maatregelen voor te zorgen dat deze activiteiten gemakkelijker met inachtneming van de toepasselijke regelgeving en onder optimale veiligheidsvoorwaarden kunnen plaatsvinden. Zijn aan de activiteiten van de onderneming aangepaste taken worden omschreven in bijlage I bij dit besluit.
  § 2. De functie van veiligheidsadviseur mag ook door de bedrijfsleider, door een persoon die binnen de onderneming andere taken vervult of door een persoon die niet tot de onderneming behoort, worden uitgeoefend op voorwaarde dat de betrokkene zijn taken als adviseur daadwerkelijk kan vervullen.
  De bevoegde overheid neemt alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de veiligheidsadviseur zijn taken daadwerkelijk kan vervullen.
  Voor de ondernemingen, andere dan de overheidsbedrijven waarvan het personeel onder een statuut valt, moet een arbeidsovereenkomst of een contract voor huur van diensten de onderneming en haar adviseur binden, behalve wanneer de adviseur de bedrijfsleider is.
  § 3. Wanneer een veiligheidsadviseur bij een onderneming in functie treedt, deelt die onderneming zonder uitstel aan de bevoegde overheid het volgende mee :
  1° de naam, de voornamen, de nationaliteit, het adres en de geboortedatum van de veiligheidsadviseur;
  2° de plaats of plaatsen waar hij zijn activiteit in dienst van de onderneming uitoefent;
  3° de aard van zijn juridische band met de onderneming;
  4° een kopie van het scholingscertificaat indien dit in een andere Lid-Staat van de Europese Unie werd afgeleverd.
  Art. 6. § 1. Wanneer zich tijdens het vervoer of tijdens de laad- en loswerkzaamheden een ongeval heeft voorgedaan dat personen in gevaar heeft gebracht of schade heeft veroorzaakt aan bezittingen of aan het milieu, stelt de betrokken veiligheidsadviseur, na alle ter zake dienende inlichtingen te hebben ingewonnen, een voor de bedrijfsleiding bestemd ongevallenrapport op.
  Indien bij dit ongeval goederen van klasse 7 betrokken zijn, wordt een exemplaar van het ongevallenrapport overgemaakt aan het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en, in voorkomend geval, aan de Dienst voor Fysische Controle.
  Wanneer schade werd veroorzaakt aan het milieu, wordt steeds een exemplaar van het ongevallenrapport overgemaakt aan de terzake bevoegde gewestadministratie.
  De bevoegde overheid kan daarenboven bepalen dat een exemplaar van het ongevallenrapport overgemaakt dient te worden aan een door haar aan te wijzen dienst of instelling.
  § 2. De veiligheidsadviseur maakt elke opmerking of elk advies, dat hij in het kader van zijn in artikel 5, § 1, omschreven taak formuleert, schriftelijk aan de bedrijfsleiding over.
  Hij stelt daarenboven een jaarlijks rapport op, dat ten minste de in bijlage IV opgegeven informatie bevat. De bevoegde overheid kan eisen dat dit rapport andere informatie dient te bevatten.
  § 3. Het ongevallenrapport en het jaarlijks rapport moeten gedurende vijf jaar door de bedrijfsleiding bewaard worden en op eenvoudig verzoek ter beschikking van de bevoegde overheid worden gesteld.
  Afdeling 2. - Afgifte van het scholingscertificaat.
  Art. 7. De veiligheidsadviseur moet in het bezit zijn van een scholingscertificaat. Om het scholingscertificaat te behalen, moet de kandidaat een scholing volgen en slagen voor een examen.
  Art. 8. De scholing en het examen kunnen één of meerdere vervoerswijzen behelzen en zijn beperkt tot één van de volgende categorieën van gevaarlijke goederen :
  1° die van klasse 1;
  2° die van klasse 7;
  3° die van klasse 2;
  4° die van alle klassen, behalve klasse 1, 2 en 7;
  5° die geïdentificeerd door de UN-nummers 1202, 1203 en 1223.
  Art. 9. De scholing heeft in de eerste plaats tot doel voldoende kennis te verschaffen over de aan het vervoer van gevaarlijke goederen verbonden gevaren en een voldoende kennis van de wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de betrokken takken van vervoer en van de in bijlage I omschreven taken bij te brengen.
  De in artikel 7 bedoelde scholing bestaat, voor iedere in artikel 8 bedoelde categorie van gevaarlijke goederen, uit een gedeelte dat gemeenschappelijk is voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en uit één of meerdere gedeelten die specifiek zijn aan een vervoerswijze.
  De bevoegde overheid erkent de diensten of instellingen die de scholingscursussen verstrekken voor één of meerdere categorieën van gevaarlijke goederen. Zij maakt de erkenning en het intrekken ervan bekend in het Belgisch Staatsblad.
  Zij stelt nadere regels vast met betrekking tot de scholing, de erkenning en de intrekking van deze laatste.
  Art. 10. De in artikel 7 bedoelde examens hebben betrekking op de leerstof bedoeld in bijlage III.
  Het examen bestaat, voor iedere in artikel 8 bedoelde categorie van gevaarlijke goederen, uit een gedeelte dat gemeenschappelijk is voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en uit één of meerdere gedeelten die specifiek zijn aan een vervoerswijze.
  Elk deel van het examen bestaat uit een schriftelijke proef.
  Om te slagen voor het examen moet de kandidaat ten minste 60 % van de punten behalen op elk deel ervan.
  Een kandidaat moet maar één maal slagen voor het deel van het examen dat gemeenschappelijk is voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren.
  De overige modaliteiten met betrekking tot de examens worden bepaald door de bevoegde overheid.
  Art. 11. De bevoegde overheid stelt een examencommissie aan voor klasse 1, een voor klasse 7 en een voor de andere klassen.
  Zij regelt haar werking.
  De examencommissies stellen de vragen op voor de examens en de controletests.
  Ze stellen de procedures en regels vast met betrekking tot :
  1° de afname van de examens en de controletests;
  2° de inschrijving van de kandidaten voor de examens en de controletests;
  3° de keuze van de vragen en de verbetering van de antwoorden;
  4° het mededelen van de resultaten van de examens en de controletests.
  Ze duiden de verbeteraars aan.
  De bevoegde overheid mag een instelling die zij aanwijst, opdracht geven de examencommissie waarvoor zij bevoegd is, bij te staan voor de materiële organisatie van het examen. Zij mag deze instelling toelaten de inschrijvingskosten voor het examen te innen bij de kandidaten. De inschrijvingskosten dekken de kosten van de organisatie en van de verbetering. De inschrijving voor het examen is slechts ontvankelijk als de inschrijvingskosten betaald zijn.
  Art. 12. § 1. De scholingscertificaten worden opgesteld conform het model in bijlage II.
  Ze worden afgegeven door de in artikel 11 bedoelde examencommissies onder de handtekening van een daartoe door hun voorzitter aangeduid lid en hebben een geldigheid van vijf jaar.
  § 2. Het geldigheidsbereik van de scholingscertificaten kan één of meer vervoerswijzen behelzen en is beperkt tot één van de volgende categorieën van gevaarlijke goederen :
  1° die van klasse 1;
  2° die van klasse 7;
  3° die van klasse 2;
  4° die van alle klassen, behalve klasse 1, 2 en 7;
  5° die geïdentificeerd door de UN-nummers 1202, 1203 en 1223.
  Als de scholingscursussen en de examens ondergaan door eenzelfde kandidaat evenwel betrekking hebben op alle klassen van gevaarlijke goederen, wordt een scholingscertificaat dat geldig is voor het geheel van de gevaarlijke goederen afgeleverd door de voor de andere klassen dan 1 en 7 bevoegde examencommissie.
  § 3. Als een enkele veiligheidsadviseur in een onderneming actief is, moet hij houder zijn van een of meer scholingscertificaten die geldig zijn voor alle categorieën van goederen en alle vervoerswijzen waarop activiteiten van de onderneming waar hij zijn activiteiten uitoefent, betrekking hebben.
  Als in éénzelfde onderneming meerdere veiligheidsadviseurs actief zijn, moet het geheel van de scholingscertificaten geldig zijn voor alle categorieën gevaarlijke goederen en voor alle vervoerswijzen waarop de activiteiten van de onderneming betrekking hebben.
  § 4. De scholingscertificaten afgegeven door de bevoegde overheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie in uitvoering van Richtlijn 96/35/EG zijn tot hun vervaldatum geldig in België.
  Afdeling 3. - Verlenging van het scholingscertificaat en duplicaten.
  Art. 13. De geldigheidsduur van het certificaat wordt telkens voor vijf jaar verlengd indien de houder in het laatste jaar van de geldigheidsduur van zijn certificaat een bijscholing heeft gevolgd of in een controletest is geslaagd.
  Art. 14. De bijscholing en de controletest kunnen één of meer vervoerswijzen behelzen en zijn beperkt tot één van de volgende categorieën van gevaarlijke goederen :
  1° die van klasse 1;
  2° die van klasse 7;
  3° die van klasse 2;
  4° die van alle klassen, behalve klasse 1, 2 en 7;
  5° die geïdentificeerd door de UN-nummers 1202, 1203 en 1223.
  Art. 15. De in artikel 13 bedoelde bijscholing heeft tot doel de kennis van de veiligheidsadviseur bij te werken en heeft betrekking op de nieuwe ontwikkelingen op technisch en juridisch gebied.
  Voor elke in artikel 14 bedoelde categorie van gevaarlijke goederen, moet de bijscholingscursus door de bevoegde overheid erkend worden.
  De bijscholing bestaat, voor iedere categorie van gevaarlijke goederen, uit een gedeelte dat gemeenschappelijk is voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en uit één of meer gedeelten die specifiek zijn voor een vervoerswijze.
  Enkel de diensten of instellingen bedoeld in artikel 9, derde lid, zijn bevoegd om de bijscholingscursussen te verstrekken voor de categorieën van gevaarlijke goederen waarvoor ze werden erkend krachtens artikel 9.
  De bevoegde overheid bepaalt de overige modaliteiten met betrekking tot de bijscholing.
  Art. 16. De in artikel 13 bedoelde controletests hebben betrekking op de leerstof bedoeld in bijlage III.
  De controletest bestaat, voor elke categorie van gevaarlijke goederen bedoeld in artikel 14, uit een gedeelte dat gemeenschappelijk is voor het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en uit één of meerdere gedeelten die specifiek zijn aan een vervoerswijze.
  Elk deel van de test bestaat uit een schriftelijke proef.
  Om te slagen voor de test moet de kandidaat minstens 60 % van de punten behalen op elk deel ervan.
  Een kandidaat moet slechts één keer slagen in het deel van de test dat gemeenschappelijk is aan het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren.
  De bevoegde overheid bepaalt de overige modaliteiten met betrekking tot de controletest.
  Art. 17. § 1. Als het scholingscertificaat is verloren gegaan, gestolen, beschadigd, onleesbaar geworden of vernield, kan een duplicaat aangevraagd worden bij de bevoegde overheid.
  § 2. Om een duplicaat te verkrijgen :
  1° doet de houder bij de dichtstbijgelegen politiedienst aangifte van het verlies, van de diefstal of van de vernietiging van zijn certificaat en hij voegt bij zijn aanvraag het attest van die aangifte;
  2° voegt hij het te vervangen certificaat bij de aanvraag om een duplicaat als dit wordt aangevraagd om een andere reden dan diefstal, verlies of vernietiging.
  § 3. Het scholingscertificaat dat vervangen werd door een duplicaat verliest zijn geldigheid.
  Indien de houder, nadat hem een duplicaat is afgegeven, opnieuw in het bezit komt van het gestolen of verloren scholingscertificaat, dient hij dit onmiddellijk terug te bezorgen aan de overheid die het heeft afgegeven.
  De vermelding " duplicaat " wordt op elk duplicaat op duidelijke wijze aangebracht.
  HOOFDSTUK III. - Controlebepalingen.
  Art. 18. De ambtenaren van het Bestuur van het Vervoer te Land, van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur en van het Bestuur van de Maritieme Zaken en de Scheepvaart van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur door Ons gemachtigd, zijn belast met het toezicht op de naleving van dit besluit en van de ministeriële besluiten genomen krachtens dit besluit wat betreft de andere klassen dan 1 en 7. Zij stellen de overtredingen van die besluiten vast door processen-verbaal die gelden tot bewijs van het tegendeel.
  De ambtenaren van de Dienst der Springstoffen waken over de toepassing van de voorschriften van dit besluit en de ministeriële besluiten genomen krachtens dit besluit voor wat klasse 1 betreft.
  De ambtenaren van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle door Ons gemachtigd, zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit en de ministeriële besluiten genomen krachtens dit besluit voor wat klasse 7 betreft.
  De ambtenaren krachtens of door dit artikel gemachtigd, zijn eveneens belast met het toezicht op de naleving en met het vaststellen van de overtredingen van de voorwaarden die door de bevoegde overheid werden vastgesteld voor het erkennen of voor het intrekken van de erkenning van de diensten en instellingen vermeld in artikel 9.
  Zij stellen die overtredingen vast in processen-verbaal die bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.
  Art. 19. Ten einde de controles te bepalen en te verbeteren, wordt geregeld overleg gepleegd tussen de bevoegde overheden op initiatief van de Minister tot wiens bevoegdheid het vervoer van gevaarlijke goederen behoort.
  Art. 20. De inbreuken op de besluiten vermeld in artikel 18, eerste lid, worden bestraft met de straffen voorzien door artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg.
  De inbreuken op de besluiten vermeld in artikel 18, tweede lid, worden bestraft met de straffen voorzien in de artikelen 5 tot 9 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en daarmede geladen tuigen.
  De inbreuken op de besluiten vermeld in artikel 18, derde lid, worden bestraft met de straffen voorzien in de artikelen 49 en 50 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
  HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen.
  Art. 21. Tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 3, 9, 10, 14, 18 en 50 van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, is de volgende overgangsregeling van toepassing :
  1° in artikel 2, 9°, dient men bij het tweede en voorlaatste streepje het volgende te lezen : " indien het gaat over gevaarlijke goederen van klasse 7, de Minister van Binnenlandse Zaken ";
  2° in artikel 6, § 1, tweede lid, worden de woorden " aan het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle " vervangen door de woorden " aan de Minister van Binnenlandse Zaken ";
  3° het derde lid van artikel 18 dient als volgt gelezen te worden : " De ambtenaren van de Dienst voor Bescherming tegen Ioniserende Stralingen door Ons gemachtigd zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit en van de ministeriële besluiten genomen krachtens dit besluit, voor wat de gevaarlijke goederen van klasse 7 betreft ";
  4° het laatste lid van artikel 20 dient als volgt gelezen te worden : " De inbreuken op de besluiten vermeld in artikel 18, derde lid, worden bestraft met de straffen bepaald in de artikelen 7 en 8 van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren ".
  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
  Art. 22. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 23. Onze Minister van Economie, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Vervoer en Onze Minister van Veiligheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 1 juli 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  L. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  De Minister van Veiligheid,
  J. PEETERS
  BIJLAGEN.
  Art. N1. Bijlage I. Lijst van de taken van de veiligheidsadviseur bedoeld in artikel 5, § 1.
  De veiligheidsadviseur is in het bijzonder belast met de volgende taken :
  - nagaan of de voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen worden nageleefd;
  - de onderneming van advies dienen bij haar activiteiten die verband houden met het vervoer van gevaarlijke goederen.
  De adviseur dient bovendien volgende praktijken en procedures te onderzoeken, voor zover deze verband houden met het vervoer van gevaarlijke goederen :
  - de procedures die er moeten toe leiden dat de voorschriften betreffende de identificatie van de vervoerde gevaarlijke goederen nageleefd worden;
  - de werkwijze die de onderneming volgt om bij de aankoop van transportmiddelen rekening te houden met alle speciale vereisten, uitgaande van de vervoerde gevaarlijke goederen;
  - de procedures die gevolgd worden om het materieel te controleren dat gebruikt wordt bij het vervoer, het laden en/of het lossen van gevaarlijke goederen;
  - het feit dat de betrokken werknemers een passende opleiding hebben gekregen en dat die in hun dossier vermeld staat;
  - de invoering van geschikte noodprocedures bij eventuele ongevallen of incidenten die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen tijdens het vervoer, het laden of het lossen van gevaarlijke goederen;
  - het verrichten van analyses en zo nodig het opstellen van rapporten over de ongevallen, de incidenten of de ernstige inbreuken, die tijdens het vervoer, het laden of het lossen van gevaarlijke goederen vastgesteld worden;
  - het invoeren van geschikte maatregelen om een herhaling van ongevallen, voorvallen of ernstige inbreuken te voorkomen;
  - de manier waarop, bij de keuze en het gebruik van onderaannemers of andere tussenpersonen, rekening gehouden wordt met de wettelijke voorschriften en de bijzondere behoeften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen;
  - de controle of het personeel, dat ingezet wordt bij het vervoer, het laden of het lossen van gevaarlijke goederen, beschikt over gedetailleerde uitvoeringsprocedures en instructies;
  - het voeren van sensibilisatiecampagnes t.o.v. de gevaren die verbonden zijn aan het vervoer, het laden of het lossen van gevaarlijke goederen;
  - het invoeren van controlemethodes om erop toe te zien dat de veiligheidsdocumenten en -uitrustingen, die het transport moeten begeleiden, zich aan boord van de transportmiddelen bevinden en beantwoorden aan de voorschriften;
  - het invoeren van controlemethodes om erop toe te zien dat de voorschriften met betrekking tot het laden en lossen worden nageleefd.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 1 juli 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  L. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  De Minister van Veiligheid,
  J. PEETERS
  Art. N2. Bijlage II. - Scholingscertificaat voor veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 13-07-1999, p. 26970).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 1 juli 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  L. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  De Minister van Veiligheid,
  J. PEETERS
  Art. N3. Bijlage III. - Lijst van de stof voor het examen en de controletest.
  De voor de afgifte van het certificaat in aanmerking te nemen kennis moet ten minste betrekking hebben op de volgende onderwerpen :
  I. de algemene preventie- en veiligheidsmaatregelen :
  - kennis van de soorten gevolgen die kunnen ontstaan bij een ongeval waarbij gevaarlijke goederen betrokken zijn,
  - kennis van de voornaamste oorzaken van ongevallen;
  II. de nationale bepalingen, communautaire normen en bepalingen van internationale overeenkomsten en akkoorden betreffende de gebruikte tak van vervoer, met name inzake :
  1° de classificatie van gevaarlijke goederen :
  - de procedure voor de classificatie van oplossingen en mengels;
  - de structuur van de opsomming van de stoffen;
  - de klassen van gevaarlijke goederen en de beginselen waarop de classificatie berust;
  - de aard van de vervoerde gevaarlijke stoffen en voorwerpen;
  - de fysisch-chemische en toxicologische eigenschappen;
  2° de algemene verpakkingsvoorschriften, met inbegrip van tanks en tankcontainers :
  - de soorten verpakkingen, alsmede de codering en het merken ervan;
  - de eisen met betrekking tot de verpakkingen en de voorschriften inzake de beproeving van de verpakkingen;
  - de staat van de verpakking en de periodieke controle;
  3° de opschriften en gevaarsetiketten :
  - de tekst op de gevaarsetiketten;
  - het aanbrengen en verwijderen van de gevaarsetiketten;
  - signalisatie en etikettering;
  4° de aanduidingen op het vervoersdocument :
  - de inlichtingen op het vervoersdocument;
  - de verklaring van overeenstemming van de afzender;
  5° de wijze van verzending, de beperkingen inzake verzending :
  - volledig laden;
  - bulkvervoer;
  - vervoer van bulk in grote houders;
  - vervoer in containers;
  - vervoer in vaste of afneembare tanks;
  6° het vervoer van passagiers;
  7° verbod van en voorzorgen bij samenlading;
  8° het gescheiden houden van stoffen;
  9° het beperken van de vervoerde hoeveelheden en de vrijgestelde hoeveelheden;
  10° het laden en lossen en het stuwen :
  - laden en lossen (vullingsgraad);
  - stuwen en gescheiden houden;
  11° het reinigen en/of ontgassen voor het laden en na het lossen;
  12° de bemanning : beroepsopleiding;
  13° de voertuigdocumenten :
  - vervoersdocument;
  - schriftelijke instructies;
  - keuringsdocument van het voertuig;
  - vakbekwaamheidscertificaat voor de bestuurders van voertuigen;
  - opleidingscertificaat voor de Binnenvaart;
  - afschrift van de ontheffing;
  - overige documenten;
  14° de veiligheidsinstructies : het toepassen van de instructies en beschermingsuitrusting van de bestuurder;
  15° de voorschriften inzake bewaking : het parkeren;
  16° de regels en beperkingen met betrekking tot het verkeer of de binnenvaart;
  17° operationele of onvrijwillige lozingen van verontreinigende stoffen;
  18° de eisen met betrekking tot het vervoermaterieel.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 1 juli 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  L. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  De Minister van Veiligheid,
  J. PEETERS
  Art. N4. Bijlage IV. - Minimale inhoud van het jaarlijks rapport.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 13-07-1999, p. 26972).
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 1 juli 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  E. DI RUPO
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  L. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN
  De Minister van Veiligheid,
  J. PEETERS
Aanhef
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen;
   Gelet op de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, gewijzigd bij de wetten van 29 mei 1963, 3 december 1969, 14 juli 1983, 22 december 1989, 26 juni 1992 en 6 augustus 1993;
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 20 juli 1991;
   Gelet op de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en 28 juli 1987 en op artikel 3;
   Gelet op de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
   Gelet op de omstandigheid dat de Gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 9 december 1998;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 8 januari 1999 over de adviesaanvraag binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies van de Europese Commissie gegeven op 12 januari 1999;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 22 maart 1999 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996;
   Op de voordracht van Onze Minister van Economie, van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Vervoer, van Onze Minister van Veiligheid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :