binnenvaartwetten  
Titel
28 JUNI 2002. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende de steun voor de Binnenvaart.

Bron :
VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 05-11-2002
Inwerkingtreding : 05-11-2002
Opheffing : 31-12-2003
Dossiernummer : 2002-06-28/47
Inhoudstafel
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Indiening van de steunaanvraag.
Art. 5
HOOFDSTUK III. - Subsidiabele investeringen en uitgaven.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Art. 6-7
Afdeling II. - Technische aanpassingen.
Onderafdeling I. - Indiening van de steunaanvraag.
Art. 8
Onderafdeling II. - Termijnen.
Art. 9-10
Onderafdeling III. - Subsidiabele en uitgesloten investeringen.
Art. 11-13
Onderafdeling IV. - Minimuminvesteringsbedragen.
Art. 14
Onderafdeling V. - Steunhoogte.
Art. 15
Onderafdeling VI. - Terugvordering van de steun.
Art. 16
Afdeling III. - Steun voor adviesprojecten.
Art. 17-19
Afdeling IV. - Steun voor samenwerkingsverbanden.
Art. 20-25
HOOFDSTUK IV. - Geldigheidsduur.
Art. 26-28
Tekst
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
  Artikel 1. Dit besluit regelt de steunverlening aan ondernemingen in de sector van de binnenvaart met toepassing van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering.
  Art. 2. De steun wordt toegekend aan kleine ondernemingen onder de voorwaarden, bepaald in de richtlijnen VL 7.4 ter uitvoering van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering, met inachtneming van de specifieke bepalingen van dit besluit.
  Art. 3. De onderneming moet op het ogenblik van de indiening van de steunaanvraag gedurende minstens 5 jaar gedomicilieerd zijn in het Vlaamse Gewest en onderworpen zijn aan het sociaal en fiscaal stelsel in Belgiė.
  Art. 4. De steun op grond van dit besluit kan worden toegekend voor de vaartuigen, bedoeld in artikel 2, lid 1 en lid 3, van verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren.
  De vaartuigen, bedoeld in artikel 2, lid 2, van voornoemde verordening zijn uitgesloten van steun.
  HOOFDSTUK II. - Indiening van de steunaanvraag.
  Art. 5. § 1. De steunaanvraag moet worden ingediend voor de startdatum.
  De startdatum is de datum van de eerste factuur van de investeringen of uitgaven, eventueel een voorschotfactuur.
  Voor het bepalen van de subsidiabele investeringen of uitgaven kan niet tot voor de registratiedatum van de steunaanvraag worden teruggegaan.
  Het indienen van de steunaanvraag na de startdatum heeft een weigering van het volledige project tot gevolg, tenzij het project bestaat uit verschillende afzonderlijke, welomlijnde deelprojecten.
  § 2. De bepalingen van § 1 gelden voor de steunaanvragen die zijn ingediend vanaf 3 maanden na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor de steunaanvragen die tot 3 maanden na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad zijn ingediend, tot 12 maanden voor de registratiedatum van de steunaanvraag teruggegaan voor het bepalen van de subsidiabele investeringen en uitgaven.
  HOOFDSTUK III. - Subsidiabele investeringen en uitgaven.
  Afdeling I. - Algemene bepalingen.
  Art. 6. Uitsluitend de volgende investeringen en uitgaven zijn subsidiabel :
  1° technische aanpassingen;
  2° projecten van advies;
  3° samenwerkingsverbanden.
  Art. 7. Als voor dezelfde investeringen of uitgaven de steun die op grond van dit besluit wordt toegekend, gecumuleerd wordt met overheidssteun van een andere oorsprong - op het niveau van de Europese Unie, de federale overheid, de Vlaamse overheid, de provinciale of gemeentelijke overheid -, dan wordt de steun op grond van dit besluit voor de investeringen of uitgaven in kwestie verminderd totdat de totale gecumuleerde steun niet meer bedraagt dan de steunintensiteiten van dit besluit.
  Die bepaling geldt ongeacht de vorm of het doel van de steun.
  Afdeling II. - Technische aanpassingen.
  Onderafdeling I. - Indiening van de steunaanvraag.
  Art. 8. § 1. De steunaanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier dat te verkrijgen is bij de afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
  § 2. Om ontvankelijk te zijn, moet de steunaanvraag volledig zijn ingevuld, gedateerd, ondertekend en aangevuld met de nodige bewijsstukken.
  De steunaanvraag moet minstens de volgende gegevens en stukken bevatten :
  1° met betrekking tot het technische aspect :
  a) het curriculum vitae van het vaartuig;
  b) het euro-klassecertificaat;
  2° met betrekking tot het economische aspect :
  a) de aard van het beoogde vervoer;
  b) de rentabiliteitsvooruitzichten;
  3° met betrekking tot het professionele aspect :
  a) de vergunning voor de toegang tot het beroep;
  b) het getuigschrift van vakbekwaamheid;
  c) de datum van vestiging van de aanvrager als onderneming in de sector van de binnenvaart;
  d) het curriculum vitae van de schipper waaruit zijn nautische beroepsbekwaamheid en de bedrijfseconomische dynamiek blijkt;
  e) het attest van domiciliėring in het Vlaamse Gewest;
  f) het attest van aansluiting bij de sociale verzekeringskas;
  4° met betrekking tot het investeringsproject :
  a) de datum van de aanvang en het einde van de investeringen;
  b) de lijst van de investeringen, gestaafd door offertes.
  Onderafdeling II. - Termijnen.
  Art. 9. De investeringen moeten beėindigd zijn binnen 24 maanden vanaf de registratiedatum van de steunaanvraag.
  Art. 10. De minimumtermijn tussen twee steunaanvragen, waarvan de eerste het voorwerp is geweest van een gunstige beslissing, bedraagt ten minste twaalf maanden.
  Onderafdeling III. - Subsidiabele en uitgesloten investeringen.
  Art. 11. Uitsluitend de volgende investeringen worden beschouwd als technische aanpassingen die subsidiabel zijn :
  1° de laad- en losinstallaties op het vaartuig;
  2° de omschakeling naar containervervoer of zelfontlading;
  3° een beter kwaliteitsbeheer, bijvoorbeeld investeringen voor het behalen van een ISO-certificaat;
  4° een betere kwaliteitsbehandeling van de vracht, bijvoorbeeld informatisering;
  5° ecologische investeringen, namelijk emissiearme motoren, energiezuinige motoren, stalen of kunststof buikdenning, schroefaskokerafdichting;
  6° investeringen, gericht op nieuwe gecombineerde vervoertrafieken of nieuwe trafieken van gevaarlijke goederen;
  7° het polyvalent maken van het vaartuig, bijvoorbeeld aanpassingen voor containervervoer, afvalvervoer of om meer dan een soort vracht te kunnen vervoeren;
  8° investeringen ter verbetering van het comfort op het vaartuig, beperkt tot maximaal 12.400 euro per vaartuig.
  Enkel de ingebouwde en op maat gemaakte meubelen komen in aanmerking. Huishoudtoestellen zijn in ieder geval uitgesloten;
  9° veiligheidsinvesteringen conform de ADN-normen;
  10° technische aanpassingen die de bedrijfszekerheid van het vaartuig verhogen;
  11° technische aanpassingen om te voldoen aan de communautaire normen en de CCNR-normen.
  Art. 12. In ieder geval zijn de volgende investeringen uitgesloten :
  1° nieuwbouw van vaartuigen;
  2° aankoop van nieuwe vaartuigen of van tweedehandsvaartuigen;
  3° afbouw van aangekochte casco's. Technische aanpassingen in dat verband komen wel in aanmerking;
  4° kleine onderhouds- en herstellingskosten;
  5° investeringen, uitgevoerd op vaartuigen die zullen worden verhuurd.
  Art. 13. Er wordt geen afschrijvingsaftrek op de investeringen toegepast.
  De onderneming neemt de subsidiabele investeringen op in de afschrijvingstabel.
  De afschrijvingsduur van de investeringen moet minstens 3 jaar bedragen en moet conform de boekhoudwetgeving zijn.
  Onderafdeling IV. - Minimuminvesteringsbedragen.
  Art. 14. § 1. De steunaanvraag wordt negatief beoordeeld als het subsidiabele investeringsbedrag lager is dan :
  1° 12.400 euro voor vaartuigen tot en met 800 ton;
  2° 19.800 euro voor vaartuigen van meer dan 800 ton.
  Die minima gelden eveneens voor de definitief besliste steunaanvragen waarvan achteraf blijkt dat de werkelijk uitgevoerde investeringen lager zijn dan die minimumbedragen.
  Voor die steunaanvragen wordt een negatieve beslissing genomen met de terugvordering van de eventueel al uitbetaalde steun tot gevolg.
  § 2. Wanneer de steun wordt gevraagd voor investeringen in elektronische informatiesystemen, dan geldt geen minimuminvesteringsbedrag.
  § 3. Als de subsidiabele investeringen geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden met subsidiabele vreemde middelen, dan gelden er geen minimumbedragen per krediet of leasing.
  Onderafdeling V. - Steunhoogte.
  Art. 15. De steun bedraagt 15 % op de subsidiabele investeringen.
  Onderafdeling VI. - Terugvordering van de steun.
  Art. 16. § 1. De steun kan worden teruggevorderd overeenkomstig de richtlijnen VL 7.4 ter uitvoering van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering.
  § 2. In geval van een vervreemding van het vaartuig binnen een periode van 3 jaar vanaf de registratiedatum van de steunaanvraag kan de steun behouden blijven, enkel en alleen als de volgende drie voorwaarden tegelijkertijd zijn vervuld :
  1° de vervreemding van het vaartuig wordt op voorhand meegedeeld aan de afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;
  2° de economische activiteit wordt voortgezet met een rendabeler vaartuig;
  3° de laatst uitbetaalde schijf van de steun moet dateren van minstens 6 maanden vóór de vervreemding.
  Op die voorwaarden kan geen enkele afwijking of uitzondering worden toegestaan.
  Het akkoord of de weigering met het behoud van de steun wordt door de afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap per brief meegedeeld.
  Afdeling III. - Steun voor adviesprojecten.
  Art. 17. Projecten van advies waarbij de onderneming een beroep doet op een binnenvaartdeskundige kunnen voor steun in aanmerking komen.
  Art. 18. De steun bedraagt 15 % op de subsidiabele uitgaven met een absoluut maximumsteunbedrag van 3.700 euro per steunaanvraag.
  Art. 19. De steunaanvraag gebeurt per brief aan de afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
  Afdeling IV. - Steun voor samenwerkingsverbanden.
  Art. 20. Samenwerkingsverbanden kunnen voor steun in aanmerking komen als de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° het samenwerkingsverband bezit rechtspersoonlijkheid. Verenigingen zonder winstoogmerk zijn evenwel uitgesloten;
  2° het samenwerkingsverband moet minstens 30 vaartuigen tellen of een minimum capaciteit van 50 000 ton bezitten.
  De ladingscapaciteit van het samenwerkingsverband mag niet groter zijn dan 500 000 ton.
  De individuele capaciteit van elk van de ondernemingen die aan het samenwerkingsverband deelnemen, mag niet groter zijn dan 50 000 ton;
  3° de leden van het samenwerkingsverband zijn kleine ondernemingen zoals gedefinieerd in de richtlijnen VL 7.4 ter uitvoering van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering;
  4° het samenwerkingsverband is opgericht bij notariėle akte;
  5° het samenwerkingsverband moet 20 % eigen middelen inbrengen;
  6° de aandeelhouders van het samenwerkingsverband zijn ondernemingen, actief in de binnenvaart, en/of verladers, en/of bevrachters;
  7° het samenwerkingsverband moet gedurende minstens 5 jaar bestaan vanaf de datum van de oprichting.
  Art. 21. Uitsluitend de investeringen in terreinen, gebouwen en materiaal zijn subsidiabel voorzover ze rechtstreeks betrekking hebben op het samenwerkingsverband over een periode van maximaal 3 jaar.
  Uitgaven en kosten komen niet voor steun in aanmerking.
  Art. 22. Het maximale subsidiabele investeringsbedrag is 743.700 euro.
  Art. 23. De steun bedraagt 15 % op de subsidiabele investeringen met een absoluut maximumsteunbedrag van 49.600 euro per jaar.
  Art. 24. De steunaanvraag wordt negatief beoordeeld als het steunbedrag lager is dan 7.400 euro per jaar. Dat minimumbedrag geldt eveneens voor de definitief besliste steunaanvragen waarvan achteraf blijkt dat het werkelijke steunbedrag lager is dan dat minimumbedrag.
  Voor die steunaanvragen wordt een negatieve beslissing genomen met de terugvordering van de eventueel al uitbetaalde steun tot gevolg.
  Art. 25. De steunaanvraag gebeurt per brief aan de afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
  HOOFDSTUK IV. - Geldigheidsduur.
  Art. 26. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 27. Dit besluit houdt op van kracht te zijn op 31 december 2003.
  Art. 28. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Economisch Beleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 28 juni 2002.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  P. DEWAEL
  De Vlaamse minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
  J. GABRIELS.
Aanhef
   De Vlaamse regering,
   Gelet op verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, inzonderheid op artikel 4;
   Gelet op verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren, inzonderheid op artikelen 2 en 8;
   Gelet op de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering, gewijzigd bij de wetten van 10 februari 1981, 5 augustus 1981 en 12 augustus 1985 en de decreten van 15 december 1993, 20 december 1996 en 22 december 2000;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 14 december 2001;
   Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 14 december 2001, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 18 april 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting;
   Na beraadslaging,
   Besluit :