binnenvaartwetten  
Titel
7 SEPTEMBER 1950. - Bijzondere reglementen van sommige scheepvaartwegen.

Publicatie : 14-10-1950
Inwerkingtreding : 14-10-1950
Dossiernummer : 1950-09-07/31
Inhoudstafel
Art. 1, 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 2, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 3, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5, 3.6, 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 4, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 4.15, 4.16, 4.17, 4.18, 4.19, 5, 5.1, 5.2, 5.3, 6, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8, 6.9, 6.10, 7, 7.1, 7.2, 7.3, 7.4, 7.5, 8, 8.1, 8.2, 8.3, 8.4, 8.5, 8.6, 8.7, 8.8, 8.9, 8.10, 8.11, 8.12, 8.13, 9, 9.1, 9.2, 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7, 9.8, 9.9, 10, 10.1, 10.2, 10.3, 10.4, 10.5, 10.6, 10.7, 11, 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5, 11.6, 11.7, 11.8, 11.9, 11.10, 11.11, 11.12, 11.13, 11.14, 11.15, 11.16, 11.17, 11.18, 11.19, 11.20, 11.21, 11.22, 11.23, 11.24, 11.25, 12, 12.1, 12.2, 12.3, 12.4, 12.5, 13, 13.1, 13.2, 13.2bis, 13.3, 13.4, 13.5, 13.6, 13.7, 13.7bis, 13.8, 13.9, 13.10, 13.11, 13.12, 14, 14.1, 14.2, 14.3, 14.4, 14.5, 14.6, 14.7, 14.8, 14.9, 14.10, 14.11, 14.12, 14.13, 14.14, 14.15, 14.16, 14.17, 14.18, 14.19, 14.20, 14.21, 14.22, 14.23, 14.24, 14.25, 14.26, 14.27, 14.28, 14.29, 14.30, 14.31, 15, 15.1, 15.2, 15.3, 15.4, 15.5, 15.6, 16, 16.1, 16.2, 16.3, 17, 17.1, 17.2, 17.3, 17.4, 7.5, 17.6, 17.7, 17.8, 17.9, 18, 18.1, 18.2, 18.3, 18.4, 18.5, 18.6, 18.7, 18.8, 18.9, 18.10, 18.11, 18.12, 18.13, 18.14, 18.15, 18.16, 18.17, 18.18, 18.19, 18.20, 18.21, 18.22, 18.22bis, 18.23, 18.24, 18.25, 18.26, 18.27, 18.28, 18.29, 18.30, 18.31, 18.32, 18.33, 19, 19.1, 19.2, 19.3, 19.4, 19.5, 19.6, 19.7, 19.8, 19.9, 19.10, 19.11, 20, 20.1, 20.2, 20.3, 20.4, 20.5, 20.6, 20.7, 20.8, 20.9, 20.10, 21, 21.1, 21.2, 21.3, 21.4, 21.5, 21.6, 21.7, 21.8, 21.9, 21.10, 21.11, 21.12, 21.13, 21.14, 21.14bis, 21.15, 21.15bis, 21.16, 21.17, 21.18, 21.19, 21.20, 21.21, 21.22, 21.23, 21.24, 21.25, 21.26, 22, 22.1, 22.2, 22.3, 22.4, 22.5, 22.6, 22.7, 22.8, 23-24, 24.1, 24.2, 24.3, 24.4, 24.5, 24.6, 24.7, 24.8, 24.9, 24.10, 24.11, 24.12, 25, 25.1, 25.2, 25.3, 25.4, 25.5, 25.6, 26, 26.1, 26.2, 26.3, 26.4, 26.5, 26.6, 27, 27.1, 27.2, 27.3, 27.3bis, 27.4, 27.5, 28, 28.1, 28.2, 28.3, 28.4, 28.5, 28.6, 29, 29.1, 29.2, 29.3, 29.4, 30, 30.1, 30.2, 30.3, 30.4, 31, 31.1, 31.2, 31.3, 31.4, 31.5, 31.6, 31.7, 31.8, 31.9, 32, 32.1, 32.2, 32.3, 32.4, 32.5, 32.6, 33, 33.1, 33.2, 33.3, 33.4, 33.5, 33.6, 33.7, 33.8, 33.9, 33.10, 33.11, 33.12, 33.13, 33.14, 33.15, 33.16, 33.17, 33.18, 33.19, 33.20, 33.21, 33.22, 33.23, 33.24, 33.25, 34, 34.1, 34.2, 34.2bis, 34.3, 34.4, 35, 35.1, 35.2, 35.3, 35.4, 35.5, 36, 36.1, 36.2, 36.3, 36.4, 36.5, 36.6, 36.7
Tekst
Artikel 1. <KB 14-12-1979, art. 1> Kanaal van Blaton naar Aat.
  Art. 1.1. <KB 14-12-1979, art. 1> Het kanaal van Blaton naar Aat heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die de twee kilometerpalen "Km 0", te dien einde geplaatst aan weerszijden van het kanaal te (Blaton) Bernissart, met elkaar verbindt. Het strekt zich uit over een lengte van 22 575 meter, tot de aansluiting aan de gekanaliseerde Dender te Aat (benedenhoofd van de sluis nr. 21).
  Art. 1.2. <KB 14-12-1979, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                   Sluizen
                                      -
   Bruikbare lengte    Bruikbare breedte    Vrije hoogte    Diepgang
         -                   -                   -             -
     41,05 m              5,10 m               3,74 m          1,90 m


  Art. 1.3. <KB 14-12-1979, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de linkeroever van het kanaal.
  Art. 1.4. <KB 14-12-1979, art. 1> De maximum snelheid van de vaartuigen is vastgesteld op 3,6 km per uur.
  Art. 1.5. <KB 14-12-1979, art. 1> Het ontvangstkantoor der scheepvaartrechten is gevestigd aan de sluis nr. 21 te Aat.
  Art. 2. <KB 09-04-1981, art. 1> Kanaal van Bossuit naar Kortrijk.
  Art. 2.1. <KB 09-04-1981, art. 1> Het kanaal van Bossuit naar Kortrijk heeft zijn oorsprong aan het uiteinde van de aanlegkaai, Scheldekant, van de sluis nr. 1 van Bossuit te Avelgem.
  Het strekt zich uit over een lengte van 15 213 m tot aan de benedenfrontmuur van de sluis nr. 11 te Kortrijk.
  Art. 2.2. <KB 09-04-1981, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang der vaartuigen zijn de volgende :

          VAKKEN                           Sluizen
            -                                 -
                          Bruikbare   Bruikbare   Vrije       Maximum
                            lengte     breedte    hoogte      diepgang
                              -           -         -            -
  - van de oorsprong te    115,00 m     12,50 m      4,50 m      2,30 m
    (Boussuit) 8,471 ter
    hoogte van de
    elektrische centrale
    te Zwevegem
  - van het afstandspunt    38,70 m      5,15 m      4,00 m      1,80 m
    8,471 gelegen ter
    hoogte van de
    elektrische centrale
    te Zwevegem tot aan
    de benedenfrontmuur
    van de sluis nr. 11
    te Kortrijk.


  Art. 2.3. <KB 09-04-1981, art. 1> In het kanaalsgedeelte gelegen tussen de oorsprong te (Bossuit) Avelgem en het afstandspunt 8,471 ter hoogte van de elektrische centrale te Zwevegem zijn de maximum afmetingen van de vaartuigen vastgesteld op 73 m voor de lengte en op 7,50 m voor de breedte.
  Art. 2.4. <KB 09-04-1981, art. 1> De vaartuigen met een maximum lengte van 38,50 m (roer inbegrepen) en een maximum breedte van 5,09 m worden toegelaten in de sluizen nr. 6 tot en met 11, gelegen in het kanaalsgedeelte dat zich uitstrekt van het afstandspunt 8,471 ter hoogte van de elektrische centrale te Zwevegem tot de benedenfrontmuur van de sluis nr. 11 te Kortrijk.
  Art. 2.5. <KB 09-04-1981, art. 1> In het gedeelte van het kanaal gelegen tussen de sluis nr. 6 te Zwevegem en de sluis nr. 11 te Kortrijk is het verboden vaartuigen op sleeptouw te nemen.
  Art. 2.6. <KB 09-04-1981, art. 1> De maximumsnelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever wordt als volgt vastgesteld :
  - in de verbrede gedeelten van het kanaal :
  - 15 km/uur voor de ledige vaartuigen;
  - 10 km/uur voor de geladen vaartuigen;
  - in de overige gedeelten van het kanaal :
  - 8 km/uur voor de ledige vaartuigen;
  - 5 km/uur voor de geladen vaartuigen.
  Art. 2.7. <KB 09-04-1981, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de linkeroever van het kanaal.
  Art. 2.8. <KB 09-04-1981, art. 1> De ontvangstkantoren voor de scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluis nr. 1 van Bossuit te Avelgem en aan de sluis nr. 11 te Kortrijk.
  Art. 3. <KB 14-12-1979, art. 1> Centrumkanaal.
  Art. 3.1. <KB 14-12-1979, art. 1> Het Centrumkanaal heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die de twee kilometerpalen "Km 0" te dien einde aangebracht aan weerszijden van het kanaal te (Houdeng-Goegnies) La Louvière, met elkar verbindt. Het strekt zich uit over een lengte van 18 651 meter, tot aan de aansluiting aan het kanaal Nimy-Blaton-Péronnes te (Nimy) Bergen, in de as van de spoorbrug van de lijn Bergen-Brussel.
  (Maakt eveneens deel uit van het Centrumkanaal, het vak gelegen te La Louvière en begrensd, door de fictieve lijn die de 2 daartoe geplaatste kilometerpalen "Km 0", verbindt en de eerste stuw gelegen op 611 m stroomafwaarts.
  Dit vak is enkel toegankelijk voor pleiziermotorboten) <KB 25-07-1986, art. 1>
  Art. 3.2. <KB 14-12-1979, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen en van de scheepsliften, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

        Vakken                        Sluizen of scheepsliften
          -                                    -
                               Bruikbare  Bruikbare  Vrije      Diepgang
                                lengte     breedte   hoogte
                                  -           -        -           -
   1. Tussen de oorsprong te     40,80 m     5,20 m     4,00 m     1,90 m
  (Houdeng-Goegnies) La
  Louviere en het beneden-
  hoofd van de scheepslift
  nr. 4 te (Thieu) Le Roeulx.
   2. Tussen het benedenhoofd    40,80 m     5,15 m     4,00 m     2,10 m
  van de scheepslift nr. 4 te
  (Thieu) Le Roeulx en het
  bovenhoofd van de sluis te
  (Havre) Bergen.
   3. Tussen het bovenhoofd     124,00 m    12,50 m     6,50 m     2,50 m
  van de sluis te (Havre)
  Bergen en het bovenhoofd
  van de sluis te (Obourg-
  Wartons) Bergen.
   4. Tussen het bovenhoofd      96,00 m    12,00 m     6,00 m     2,50 m
  van de sluis te (Obourg-
  Wartons) Bergen en het
  uiteinde te (Nimy)
  Bergen.


  Art. 3.3. <KB 14-12-1979, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de rechteroever. Tussen de sluis te (Obourg-Wartons) Bergen en het uiteinde te (Nimy) Bergen, is er een jaagpad op beide oevers.
  Art. 3.4. <KB 14-12-1979, art. 1> De maximum snelheid met betrekking tot de oever is vastgesteld :
  1° op 3,6 km per uur tussen de oorsprong van het kanaal en de sluis te (Havré) Bergen.
  In dit vak moet de snelheid tot 1,8 km per uur worden verminderd wanneer de vaartuigen dichtbij de oever varen om te kruisen of wanneer zij door een vernauwde vaargeul varen;
  2° op 8 km per uur tussen de sluis te (Havré) Bergen en het uiteinde te (Nimy) Bergen.
  Art. 3.5. <KB 14-12-1979, art. 1> Het is verboden schippersbomen, bootshaken, stangen en ander dergelijk tuig te gebruiken om vaartuigen voort te bewegen op het gedeelte gelegen :
  a) tussen het uiteinde van de steunmuren boven de draaibrug te (Houdeng-Aimeries) La Louvière en scheepslift nr. 2 te (Houdeng-Aimeries) La Louvière.
  b) tussen de ophaalbrug te (Strépy-Bracquegnies) La Louvière en sluis nr. 2 (Ville-sur-Haine) te Le Roeulx.
  c) in de trog van de scheepsliften.
  Art. 3.6. <KB 14-12-1979, art. 1> Onverminderd de voor het doorvaren van bruggen en sluizen voorgeschreven maatregelen zijn voor de doorvaart van de scheepsliften de volgende voorwaarden gesteld :
  1° De vaartuigen mogen de schutkolk niet in- of uitvaren dan met gebruik van de daartoe bestemde en aan de Staat toebehorende kabel en kaapstander. Deze laatste wordt uitsluitend door de aangestelde beambte bediend.
  2° De vaartuigen zetten hun voortstuwingsmotor af zodra zij de toegang en de schutkolk van de scheepslift binnenvaren, tot op het ogenblik dat zij er uit varen.
  3° De leirollen van de kaapstanders mogen niet gebruikt worden om de vaartuigen vast te meren.
  4° De bemanning van een vaartuig mag de toestellen van de scheepsliften niet in werking stellen noch rondlopen op de scheepsliften.
  Art. 3.7. <KB 14-12-1979, art. 1> De schroef van de vaartuigen mag niet draaien wanneer deze zich in de vaargeul van de keersluis van scheepslift nr. 1 te (Houdeng-Goegnies) La Louvière bevinden.
  Art. 3.8. <KB 14-12-1979, art. 1> 1° Een lichtsignaal met groen en rood licht boven elkaar is aangebracht boven en beneden de schutkolken van de 4 scheepsliften en de sluizen te (Havré) Bergen en te (Obourg-Wartons) Bergen.
  Wanneer het rood licht brandt, is het invaren van de schutkolk verboden; wanneer het groen licht brandt, mogen de dichtsbij gelegen vaartuigen de schutkolk invaren.
  2° Een lichtsignaal met groen en rood licht boven elkaar is aangebracht aan de bovenkant van de keersluis van de scheepslift nr. 1 te (Houdeng-Goegnies) la Louvière. Bij rood licht mogen de naar de scheepslift toevarende schepen de keersluis niet doorvaren, bij groen licht is de doorvaart toegestaan.
  Art. 3.9. <KB 14-12-1979, art. 1> Geladen vaartuigen mogen 's nachts niet stilliggen in het pand tussen de scheepslift nr. 4 te (Thieu) Le Roeulx en de sluis nr. 1 te (Thieu) Le Roeulx.
  Art. 3.10. <KB 14-12-1979, art. 1> De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluis nr. 1 te (Thieu) Le Roeulx en de sluis te (Obourg-Wartons) Bergen.
  Art. 4. <KB 16-12-1981, art. 1> Kanaal van Charleroi naar Brussel.
  Art. 4.1. <KB 16-12-1981, art. 1> § 1. Het kanaal van Charleroi naar Brussel heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die de twee op de linkeroever van de Samber te (Dampremy) Charleroi daartoe geplaatste kilometerpalen "Km 0" verbindt.
  Het strekt zich uit over een lengte van 68 202 meter tot en met de brug van het Saincteletteplein, te Brussel.
  § 2. Het kanaal heeft de volgende vertakkingen :
  1° de vertakking van Bellecourt, die haar oorsprong heeft te Seneffe, afstandspunt 23 667, op de linkeroever van het kanaal, en die zich uitstrekt over een lengte van 1 150 meter; 2° de hoofdvertakking, die haar oorsprong heeft te Seneffe, afstandspunt 26 206, op de linkeroever van het kanaal en die zich uitstrekt over een lengte van 6 321 meter tot aan de samenvloeiing met het Centrumkanaal te (Houdeng-Goegnies) La Louvière;
  3° de vertakking van La Croyère, die haar oorsprong heeft te (Houdeng-Goegnies) La Louvière, afstandspunt 4 485, op de linkeroever van de hoofdvertakking en die zich uitstrekt over een lengte van 1 000 meter;
  4° de vertakking van La Louvière, die haar oorsprong heeft te (Houdeng-Goegnies) La Louvière, afstandspunt 6 059, op de linkeroever van de hoofdvertakking en die zich uitstrekt over een lengte van 703 meter;
  5° de vertakking van Ronquières, die haar oorsprong heeft te (Ronquières) 's-Gravenbrakel, afstandspunt 36 077, op de rechteroever van het kanaal en die zich uitstrekt tot de opgevulde sluis nr. 25, te (Ronquières) 's-Gravenbrakel, over een lengte van 1 860 meter.
  § 3. Het kanaal heeft de volgende dok :
  Het dok van Feluy, dat zijn oorsprong heeft te (Feluy) Seneffe, afstandspunt 29 218, op de linkeroever van het kanaal en dat zich uitstrekt over een lengte van 500 meter.
  Art. 4.2. <KB 16-12-1981, art. 1> Het kanaal is hoofdvaarweg ten opzichte van de hoofdvertakking, de vertakking van Bellecourt, het dok van Feluy en de vertakking van Ronquières. De hoofdvertakking is hoofdvaarweg ten opzichte van de vertakking van La Croyère en van de vertakking van La Louvière.
  Art. 4.3. <KB 16-12-1981, art. 1> § 1. De bruikbare afmetingen van de kunstwerken, de vrije hoogte onder de bruggen en de toegelaten maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

     Vakken van de                Sluizen, bruggen en hellend vlak
   waterweg, van de                               -
   vertakkingen en van     Bruikbare  Bruikbare  Vrije      Maximum
      het dok               lengte     breedte   hoogte     diepgang
           -                  -          -         -           -
  A. Kanaal van Charleroi
  naar Brussel
   1. Tussen de oorsprong   85,00 m     11,50 m     6,10 m     2,50 m
  en de brug van Sou-
  dromont niet inbe-
  grepen (afstandpunt
  24.814) te Seneffe
   2. Tussen de brug van    85,00 m     11,50 m     5,30 m     2,50 m
  Soudromont (afstands-
  punt 24.814) te
  Seneffe en de brug
  van Klabbeek niet
  inbegrepen (afstands-
  punt 45 769) te
  (Klabbeek) Tubeke
   3. Tussen de brug te     geen       geen         5,00 m     2,50 m
  Klabbeek (afstands-
  punt 45.769) te
  (Klabbeek) Tubeke
  en de sluis nr. 6
  niet inbegrepen te
  (Lembeek) Halle
   4. Tussen de sluis nr.    81,60 m    10,50 m     4,50 m     2,50 m
  6 te (Lembeek) Halle
  tot het eindpunt van
  het kanaal te Brussel
  B. Vertakkingen
   1. Hoofdvertakking en    geen       geen         5,30 m     2,50 m
  vertakking van La
  Croyere
   2. Vertakking van
  Bellecourt
    a) tussen de oor-       geen       geen         5,30 m     2,50 m
  sprong en een punt                                         <Err. 04-
  gelegen op 300                                             03-1982>
  meter ervan
    b) tussen voormeld      geen         5,20 m     3,70 m     1,70 m
  punt en het uit-                                              tot
  einde van de ver-                                            1,00 m
  takking (over 850
  meter)
   3. Vertakking van La
  Louviere
    a) tussen de oor-       geen       geen         5,30 m     2,50 m
  sprong en een punt
  gelegen op 565 meter
  ervan
    b) tussen het voor-     geen         5,20 m     3,70 m     1,70 m
  meld punt en het                                              tot
  uiteinde van de                                              1,00 m
  vertakking (over
  138 meter)
   4. Vertakking van
  Ronquieres
    a) tussen de oor-        40,80 m     5,20 m     3,70 m     2,00 m
  sprong en de Boss-                                         <Err 04-
  schaertkaai (over                                          03-1982>
  600 meter)
    b) tussen de Boss-      geen       geen       geen         1,50 m
  schaertkaai en een
  punt gelegen op
  930 meter van de
  oorsprong
    c) tussen de sluis      geen       geen       geen         0,50 m
  nr. 26 (buiten
  dienst gesteld) en
  de sluis nr. 25
  (opgevuld)
  C. Dok van Feluy          geen       geen       geen         2,50 m


  § 2. De vaartuigen mogen zich niet begeven in de vakken van de vertakkingen vermeld in § 1, B, 2 b en B, 3 b, tenzij hun diepgang gelijk of minder is dan de diepgang aangegeven door de waterlijn op de palen, daartoe geplaatst aan de ingang van bovenvermelde vakken.
  Art. 4.4. <KB 16-12-1981, art. 1> Het jaagpad :
  1° is gelegen op de rechteroever, behalve :
  - tussen de oorsprong en de wegbrug van Bayemont (afstandspunt 1 942) te (Marchienne-au-Pont) Charleroi, waar het op de linkeroever is gelegen;
  - tussen de brug van Oostkerk (afstandspunt 43 507), te (Oostkerk) Tubeke, en het bovenhoofd van de sluis nr. 10, te Anderlecht (afstandspunt 62 574), waar het eveneens op de linkeroever is gelegen;
  2° is onbestaand tussen het bovenhoofd van de sluis nr. 10, te Anderlecht (afstandspunt 62 574), en het uiteinde van het kanaal, te Brussel;
  3° is gelegen op de linkeroever op alle vertakkingen zoals vermeld in artikel 1, § 2, behalve op de vertakking van Ronquières, waar het op de rechteroever is gelegen.
  Art. 4.5. <KB 16-12-1981, art. 1> Aan de ingang van het dok van Feluy zijn op de linkeroever lichtsignalen geplaatst, bestaande uit twee boven elkaar geplaatste rode lichten. Als minstens één van de lichten brandt, is het voor de vaartuigen verboden het dok binnen te varen.
  Art. 4.6. <KB 16-12-1981, art. 1> In de bakken van het hellend vlak te Ronquières moeten de vaartuigen bij het meren vastgemaakt worden met twee kabels per meerpunt.
  Art. 4.7. <KB 16-12-1981, art. 1> In de doorgang te Halle, te Anderlecht, te Sint-Jans Molenbeek en te Brussel is het verboden te kruisen en op te lopen op de plaatsen waar vaartuigen stilliggen. Op die plaatsen hebben de vaartuigen die zich naar het zeekanaal van Brussel naar de Rupel begeven, voorrang; de vaartuigen die zich naar Charleroi begeven, moeten de doorgang vrijhouden.
  Art. 4.8. <KB 16-12-1981, art. 1> Het kruisen is verboden onder de Bospoortbrug, te Halle (afstandspunt 51 612). Voor de doortocht onder dit kunstwerk hebben de vaartuigen die zich naar Brussel begeven voorrang.
  Art. 4.9. <KB 16-12-1981, art. 1> Tussen (Lembeek) Halle en het uiteinde van het kanaal te Brussel is het stilliggen van de vaartuigen verboden, behalve :
  1° op de hierna vermelde plaatsen waar het stilliggen toegestaan is over een maximumbreedte van 10,50 meter :
  a) op de richteroever, tussen de punten gelegen op 200 m en 500 m afwaarts van de voetbrug Malheyde, te (Lembeek) Halle, hetzij tussen de afstandspunten 49 500 en 49 800;
  (b) op de rechteroever, tussen de punten gelegen op 500 m afwaarts van de sluis nr. 7, te Halle en 200 m opwaarts Waterloobrug, te Halle, of tussen de afstandspunten 52 880 en 53 860;) <Err. 04-03-1982>
  c) op de rechteroever, tussen de punten gelegen op 1 200 m afwaarts van de sluis nr. 8, te (Lot) Beersel, en 200 m opwaarts van de voetbrug van Ruisbroek, te (Ruisbroek) Sint-Pieters-Leeuw, hetzij tussen de afstandspunten 57 400 en 58 250;
  d) op de rechteroever, tussen de punten gelegen op 500 m afwaarts van de sluis nr. 9, te (Ruisbroek) Sint-Pieters-Leeuw, en 100 m opwaarts van de Saricbrug, te Sint-Pieters-Leeuw, hetzij tussen de afstandspunten 59 800 en 60 350;
  e) Op de rechteroever, tussen de punten gelegen 150 m afwaarts van de Paepsembrug en 150 m opwaarts van de brug van het Klein-Eiland, te Anderlecht, hetzij tussen de afstandspunten 63 450 en 64 100;
  f) op de rechteroever, tussen de punten gelegen 100 m afwaarts van de brug van het Klein-Eiland en 200 m opwaarts van de Kuregembrug, te Anderlecht, hetzij tussen de afstandspunten 64 400 en 64 700;
  g) op de linkeroever, tussen de spoorwegbrug van de Ringspoorweg en de Godshuizenbrug, hetzij tussen de afstandspunten 65 058 en 66 352;
  h) op de rechteroever, tussen 200 m afwaarts de sluis nr. 11 en het uiteinde van het kanaal, hetzij tussen de afstandspunten 66 960 en 68 202.
  2° op de plaatsen waar de vaartuigen geladen of gelost worden. Op die plaatsen mogen de vaartuigen slechts blijven liggen gedurende de tijd die nodig is om te laden of te lossen.
  Art. 4.10. <KB 16-12-1981, art. 1> Elk vaartuig dat in de richting van Charleroi vaart en dat de sluis nr. 11 te Sint-Jans-Molenbeek (afstandspunt 66 760) doorvaart, moet tot de kom van Anderlecht verder varen. Het mag echter gedurende de tijd die nodig is om te laden of te lossen, stilliggen tussen de bovenvermelde punten.
  Art. 4.11. <KB 16-12-1981, art. 1> Op gans het kanaal en de vertakkingen is de maximumsnelheid met betrekking tot de oever vastgesteld op 8 km/u.
  De snelheid wordt echter teruggebracht :
  1° tot de 4 km/u :
  - wanneer de vaartuigen langs de oever varen om te kruisen;
  - wanneer zij varen op de vakken van de in artikel 3, § 1, B, 2, b, B, 3, b, en B, 4, vermelde vertakkingen;
  2° tot 3 km/u :
  - in de vernauwde doorgangen;
  - in het dok van Feluy.
  Art. 4.12. <KB 16-12-1981, art. 1> De vaartuigen kunnen gemeten worden in de kom van Anderlecht.
  Art. 4.13. <KB 16-12-1981, art. 1> De ontvangstkantoren van de scheepvaartrechten zijn gevestigd an de sluis nr. 1, te (Marchienne-au-Pont) Charleroi, in de bakken van het hellend vlak van Ronquières, aan de sluizen nr. 6, te (Lembeek) Halle, en nr. 11, te Sint-Jans-Molenbeek.
  Art. 4.14. <KB 16-12-1981, art. 1> De vaartuigen die wegens hun afmetingen niet kunnen zwaaien zonder de oever of de kunstwerken te raken, moeten zwaaien in de kommen die daartoe bestemd zijn, en op de plaatsen waar dit maneuver zonder hinder kan worden uitgevoerd.
  Art. 4.15. <KB 16-12-1981, art. 1> Het is verboden het anker te werpen of te slepen.
  Art. 4.16. <KB 16-12-1981, art. 1> De plezierboten mogen slechts te water gelaten worden langs de hellingen die daartoe bestemd zijn.
  Art. 4.17. <KB 16-12-1981, art. 1> Het gebruik van bootjes om te vissen is verboden.
  Behoudens machtiging afgeleverd door de hoofdingenieur-directeur van het ambtsgebied, is het voor de vissers verboden plaats te nemen tussen het water en de kruin van de oever.
  Art. 4.18. <KB 16-12-1981, art. 1> Viswedstrijden mogen slechts gehouden worden mits machtiging afgeleverd door de hoofdingenieur-directeur van het ambtsgebied.
  Art. 4.19. <KB 16-12-1981, art. 1> Het is verboden te zwemmen of te baden tot op 250 meter van beide kanten van de kunstwerken, alsmede in de vakken voor grote snelheid en in het dok van Feluy.
  Art. 5. <KB 12-11-1981, art. 1> Kanaal van Eeklo.
  Art. 5.1. <KB 12-11-1981, art. 1> Het kanaal van Eeklo heeft zijn oorsprong aan het dwarstalud ter hoogte van de "Nijverheidskaai", te Eeklo. Het strekt zich uit over een lengte van 1 693 meter tot aan de denkbeeldige lijn die zijn beide oevers verbindt en die getrokken is in het verlengde van de kruin van de rehteroever van het afleidingskanaal van de Leie.
  Art. 5.2. <KB 12-11-1981, art. 1> De vrije hoogte en de bruikbare breedte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                   Bruggen
                                      -
           Vrije hoogte     Bruikbare breedte      Maximumdiepgang
                -                   -                    -
              4,65 m           6,25 m                 2,30 m


  Art. 5.3. <KB 12-11-1981, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de linkeroever van het kanaal.
  Art. 6. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Ringvaart om Gent.
  Art. 6.1. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. De Ringvaart om Gent strekt zich uit over een lengte van 21 683 m tussen het kanaal van Gent naar Terneuzen te Gent en de Boven-Zeeschelde te Melle.
  § 2. De Ringvaart om Gent wordt begrensd :
  1. aan het kanaal van Gent naar Terneuzen, door de denkbeeldige lijn, getrokken tussen de uiterste punten van de betonkopbalken van de boordvoorzieningen op de linkeroever van het kanaal Gent-Terneuzen;
  2. aan de kruising met het kanaal van Gent naar Oostende, de Leie en de Boven-Schelde, door de denkbeeldige lijn die op elk van de oevers van de Ringvaart de oeverkruinen met elkaar verbindt;
  3. aan de Boven-Zeeschelde, door de denkbeeldige lijn, getrokken tussen beide oevers van de Ringvaart, in het verlengde van de kruin van de rechteroever van de Boven-Zeeschelde.
  Art. 6.2. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. Op het vak van de Ringvaart om Gent, begrepen tussen de benedenseinen van de sluizen te Merelbeke en de Boven-Zeeschelde, en dat onderhevig is aan tij, moet de schipper er zich van vergewissen dat de diepgang van zijn schip een volledige veilige vaart toelaat.
  § 2. Op het vak bedoeld in § 1 van dit artikel is de nachtvaart toegelaten.
  Art. 6.3. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De Ringvaart om Gent is een hoofdwaterweg ten opzichte van het kanaal van Gent naar Oostende, de Leie en de Boven-Schelde.
  Zij is een ondergeschikte waterweg ten opzichte van het kanaal van Gent naar Terneuzen.
  Art. 6.4. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. De nuttige lengte der sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en onder de sluishefdeuren, en de maximum toegelaten diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

      VAKKEN                         Sluizen
         -           Nuttige   Nuttige   Vrije      Maximum
                     lengte    breedte   hoogte     diepgang
                        -         -        -           -
  A. Van het kanaal   136 m      16 m       6,50 m     3 m
  van Gent naar
  Terneuzen tot
  het kanaal van
  Gent naar
  Oostende
  B. Van het kanaal   geen      geen        7,00 m     3 m
  van Gent naar       sluizen   sluizen              <Err. 28-02-
  Oostende tot                                       02-1981>
  de sluizen te
  Merelbeke, niet
  inbegrepen
  C. Van de sluizen   180 m      18 m       6,70 m   Veranderlijk
  te Merelbeke                                       volgens het tij
  inbegrepen tot
  de Boven-Zee-
  schelde


  § 2. De in A en B aangegeven vrije hoogten gelden ten opzichte van het normaal kanaalpeil. In C gelden zij ten opzichte van de gemiddelde hoogwaterstand.
  Art. 6.5. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De maximum toegelaten afmetingen voor de vaartuigen zijn 110 m in de lengte en 11,50 m in de breedte.
  Art. 6.6. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De maximum snelheid der vaartuigen ten opzichte van de oever wordt als volgt vastgesteld :
  a) 9 km/u voor sleeptreinen;
  b) 15 km/u voor vaartuigen die varen met een diepgang van 1 m en minder;
  c) 12 km/u voor vaartuigen die varen met een diepgang van 1,01 m tot 2 m;
  d) 10 km/u voor vaartuigen die varen met een diepgang van 2,01 m tot 2,50 m;
  e) 8 km/u voor vaartuigen die varen met een diepgang groter dan 2,50 m.
  Art. 6.7. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. Het in- en uitvaren van de sluizen wordt geregeld boven elkaar geplaatste rode en groene lichten.
  § 2. Stroomopwaarts en stroomafwaarts van de toegangsgeulen van de sluizen te Merelbeke is een sein geplaatst, bestaande uit een vast wit licht en een wit knipperlicht naast elkaar. De vaartuigen moeten de sluis nemen die zich aan de zijde van het knipperlicht bevindt.
  Art. 6.8. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. De scheepvaart is verboden op het waterafvoerkanaal, "tijarm" genaamd, dat zich uitstrekt van de Boven-Schelde te Zwijnaarde, op de rechteroever, tot de Ringvaart om Gent te Merelbeke.
  § 2. De bepalingen van titels I en II van het algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk zijn niet van toepassing op de "tijarm".
  Art. 6.9. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De spoorbrug S4 in de lijn Gent-Brussel te Melle heeft twee overspanningen. Elk vaartuig moet de doorvaartopening gebruiken die voor hem rechts (stuurbrood) gelegen is. In die doorvaartopening moeten de vaartuigen zoveel mogelijk links (bakboord) houden.
  Art. 6.10. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De ontvangkantoren van de scheepvaartrechten zijn gelegen aan de sluizen te Evergem en te Merelbeke.".
  Art. 7. Gemeentekanalen van Gent.
  Het reglement van deze kanalen werd door de gemeenteraad van de stad Gent aangenomen ter zitting van 19 April 1948.
  Het algemeen reglement van de bevaarbare waterwegen onder beheer van de Staat is van toepassing op de volgende Gentse gemeentekanalen :
  1° Het kanaal Het Meerhem;
  2° Het kanaal genoemd Handelsdok.
  Het Meerhem strekt zich uit over een afstand van 135 meter van het Tolplein tot aan zijn uitmonding in het verbindingskanaal (Tolhuiskom), over de uitmonding der Lieve en over de Tolbrug.
  Het kanaal genoemd Handelsdok strekt zich uit van de brug der Antwerpse poort (niet inbegrepen) tot en met de Muidebrug, over een lengte van 1,625 meter.
  Art. 7.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der schepen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

     Scheepvaartwegen.      Breedte der     Vrije hoogte.     Diepgang.
                             vaargeul.
           -                    -                -               -
       Meerhem                 8m80            3m35              1m50
      Handelsdok              20m00             -                5m50
                            (nieuwe brug)


  § 2. Hetgeen in hetzelfde artikel wordt gedoogd wat betreft de maximum-diepgang der motorvaartuigen is voor deze kanalen niet van toepassing.
  Art. 7.2. Langs het Meerhem geschiedt het jagen op de gehele linkeroever en ook nog op de rechteroever, tussen kilometerafstand 0,047 en het benedenuiteinde.
  Art. 7.3. De scheepvaart is vrij van alle rechten op beide Gentse gemeentekanalen, behoudens toepassing van de tariefreglementen der haven van Gent.
  Art. 7.4. In de doortocht van de stad, zijn de vaartuigen gehouden uitsluitend door middel van de mondhoorn aan te kondigen :
  1° Hun nadering tot een brug, een sluis, een openbaar veer en elk punt waar de vaartuigen moeten halt houden;
  2° Ten minste om de vijf minuten, hun aanwezigheid bij mistig weder.
  Art. 7.5. Het beheer, het toezicht over en de politie van beide kanalen zijn uitsluitend toevertrouwd aan het college van burgemeester en schepenen en aan de agenten van het gemeentebestuur, met uitzondering van de 18 meter brede middenstrook van het Handelsdok, welke door de Staat beheerd en onderhouden wordt.
  Art. 8. Demer en Dijle.
  (Het bevaarbaar gedeelte van de Demer strekt zich uit van een punt op 116 meter stroomafwaarts de brug der Waterpoort, te Diest, tot aan haar samenloop met de Dijle, te Wechter, over een lengte van 32 389 meter.) <KB 23-12-1975, art. 1>
  Het bevaarbaar gedeelte van de Dijle strekt zich uit van haar samenloop met de Demer tot aan het benedenhoofd der sluis stroomafwaarts Mechelen, over een lengte van 22,640 meter.
  Art. 8.1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen, in artikel 1 van het algemeen reglement vermeld, zijn de volgende :

     Scheepvaart-    Bruikbare   Breedte    Vrije           Diepgang.
      wegen en       lengte der    der      hoogte.            -
      vakken.         sluizen.   vaargeul.    -
         -               -          -
  Demer               123,00 m      4,97 m     0,70 m          1,00 m
                                                                tot
                                                               1,20 m
  Dijle :
   1. Van de             -          5,10 m   Onbeperkt       1,10 m van 1-4
  samenloop met                              afwaarts de     tot 30-9 en
  de Demer tot                               stuw van        1,50 m van
  de sluis boven                             Werchter.       1,10 tot 31-3.
  Mechelen (niet
  inbegrepen).
   2. Van de boven-    41,78 m      5,20 m   2,75 m voor     De Dijle is
  sluis tot beneden                          de vaartuigen   gekanaliseerd
  de Hoogbrug te                             met een maxi-   binnen Meche-
  Mechelen.                                  mumbreedte      len met water-
                                             van 5,10 en     peil vastges-
                                             bij een water-  teld op +
                                             stand van +     3,95 m, het-
                                             3,95 m.         geen overeen-
                                                             komst met een
                                                             diepgang van
                                                             2,50 m.
   3. Van de          109,45 m      7,25 m     6,00 m (a)    Idem.
  Hoogbrug beneden
  Mechelen tot
  beneden Mechelen.
   4. Dijle              -          6,35 m     1,14 m (b)    Verandert met
  afleiding te                                               het tij.
  Mechelen.
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) Tot Dijle-Sas te Mechelen, is de breedte der vargeul 10,50 m
      en de vrije hoogte onbeperkt.
  (b) Boven gemiddeld hoogwater. <KB 17-01-1956, art. 8>


  Art. 8.2. De schuiven en stuwen van de Demer zijn voor de schepvaart open de dagen en uren in de hiernavolgende tabel aangeduid :

      Stuwen.            Dagen en uren van             Dagen en uren van
        -                    opening.                      sluiting.
                                -                              -
  Diest              Zaterdag en Dinsdag, te 9     Zondag en Woensdag, te 5
                     uur 's avonds.                uur 's morgens.
  Zichem             Zaterdag en Dinsdag, te       Zondag en Woensdag, te 8
                     middernacht.                  uur 's morgens.
  Telstelt           Zondag en Woensdag, te 2      Zondag en Woensdag, te 9
                     uur 's morgen.                uur 's morgens.
  Aarschot           Zondag en Woensdag, te 7      Zondag en Woensdag, te 2
                     uur 's morgens.               u. 30 m. 's namiddags.
  Werchter           Zondag, Woensdag en           Zondag, Woensdag en Vrij-
                     Vrijdag te 10 u. 30 m.        dag, te 2 u. 30 m. 's
                     's morgens.                   namiddags.


  Art. 8.3. Het is verboden hout te laten drijven en met vlotten te varen op de bevaarbare gedeelten van de twee rivieren.
  De scheepvaart is er 's nachts geoorloofd.
  Art. 8.4. Het jagen geschiedt :
  1° Van Diest tot Zichem, met paarden op de rechteroever en met scheepstrekkers op de linkeroever;
  2° Van Zichem tot Aarschot, met paarden op de linkeroever en met scheepstrekkers op de rechteroever;
  3° In de doortocht Aarschot, met paarden en scheepstrekkers op de rechteroever en enkel met scheepstrekkers op een gedeelte van de linkeroever;
  4° Van de molenbrug te Aarschot tot aan de brug te Rijmenam, met paarden op de linkeroever en met scheepstrekkers op de rechteroever;
  5° Van de brug te Rijmenam tot aan de brug te Muizen, met paarden op de rechter- en met scheepstrekkers op de linkeroever;
  6° Van de brug te Muizen tot aan de stuw Mechelen, alleen met scheepstrekkers op beide oevers.
  Art. 8.5. De vaartuigen kunnen te Mechelen gemeten worden.
  Art. 8.6. Er worden geen scheepvaartrechten geheven. Afstandstabellen zijn bij wijze van inlichting gegeven.
  Art. 8.7. De aangelanden die hun weiden willen besproeien of ontwateren door middel van doorsteken welke in de Demer of de Dijle uitlopen, moeten de machtiging daartoe aanvragen bij de hoofdingenieur-directeur, die haar kan verlenen onder de voorwaarden welke hij nodig oordeelt. De doorsteken moeten van 20 Maart tot 1 November gesloten zijn.
  Art. 8.8. Wanneer de sluizen niet open zijn voor de scheepvaart, mogen de fabriekbazen, behoudens tegenbericht, het water van de rivieren benuttigen. De molenaars mogen niet malen vooraleer het water boven het maalpeil van hun molen gestegen is; zij moeten het malen stopzetten en de schuiven sluiten zodra het water opnieuw tot aan het peil zakt.
  In geen geval en onder geen voorwendsel mogen de fabrieksbazen en de sluiswachters het water boven het hoogste peil van hun stuw houden. Zij moeten zich in alle omstandigheden terstond naar de bevelen der beambten van het bestuur voegen.
  Art. 8.9. Van 15 Maart af moeten al de sluizen en schuiven geopend blijven, totdat het water dat gewoonlijk op dat tijdstip de lagere weiden bedekt, afgelopen is. Enkel op schriftelijk bevel van de ingenieur van bruggen en wegen of van zijn gemachtigde mogen de sluizen en de schuiven opnieuw gesloten worden.
  Art. 8.10. Bij hoog water moeten de fabrieksbazen en de sluiswachters al de schuiven en sluizen openen en de opzetstukken wegnemen, zodat de waterafloop geenszins belemmerd wordt, totdat het water op het gewoon peil gedaald is. De beambten van het bestuur moeten het bevel tot sluiten geven.
  Art. 8.11. Bij overvloedige regen tussen 15 Maart en 1 November, moeten de schuiven der sluizen opgehaald worden zodra het water troebel wordt en voor het wast, zodat alleen het lopend water zich in het bovenpand bevindt wanneer het water van regen of onweder er aankomt. Al de schuiven moeten open blijven totdat het water op het gewoon peil gedaald is.
  Art. 8.12. De schuiven op de ontlastingen of afleidingen zijn aan dezelfde bewaking en reglementen onderworpen als de sluizen van de twee rivieren.
  In afwijking van dit beginsel moeten de sluisjes, van de Hulpe en de Laarbeek, te Zichem, welke de gelijknamige rievierarmen voeden, en de sluisjes van het Hospitaal en van Nieuwerken, te Aarschot, welke de rivierarm de Laak voeden, in de gevallen bepaald bij de artikelen 10 en 11, slechts bediend worden volgens de onderrichtingen der beambten van het bestuur.
  Art. 8.13. In geen geval mag de fabrieksbaas of de sluiswachter zijn schuiven sluiten alvorens die van de bovenwaartse fabriek of stuw dicht zijn.
  Art. 9. <KB 11-12-1981, art. 1> GEKANALISEERDE DENDER.
  Art. 9.1. <KB 11-12-1981, art. 1> De gekanaliseerde Dender heeft zijn oorsprong aan de afwaartse keermuur van de sluis nr. 21 te Aat. Hij strekt zich uit over een lengte van 65 303 meter tot aan de denkbeeldige lijn dit zijn beide oevers in het verlengde van de kruin van de rechteroever van de Boven-Zeeschelde verbindt.
  Art. 9.2. <KB 11-12-1981, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                         Sluizen
                                            -
         VAKKEN            Nuttige    Nuttige    Vrije      Maximum
           -               lengte     breedte    hoogte     diepgang
                              -          -         -           -
   1. Tussen de oorsprong    41,85 m     5,20 m     3,95 m     1,90 m
  te Aat en de spoorbrug
  te (Erembodegem) Aalst
  (inbegrepen)
   2. Tussen de spoorbrug    41,85 m     5,20 m     3,95 m     2,10 m
  te (Erembodegem) Aalst
  en de sluis te Aalst
  (inbegrepen)
   3. Tussen de sluis te     55,00 m     7,50 m     6,07 m     2,10 m
  Aalst en de sluis te
  (Denderbelle) Lebbeke
  inbegrepen
   4. Tussen de sluis te    168,00 m    16,00 m     5,06 m     2,10 m
  (Denderbelle) Lebbeke
  en de sluis van Den-
  dermonde (inbegrepen)


  Art. 9.3. <KB 11-12-1981, art. 1> In het vak van de gekanaliseerde Dender gelegen tussen de sluis te Dendermonde en de monding in de Boven-Zee-Schelde en dat de onderhevig is aan tij, moet de schipper er zich van vergewissen dat de diepgang van zijn schip een volledige veilige vaart toelaat.
  Art. 9.4. <KB 11-12-1981, art. 1> De vaartuigen die wegens hun afmetingen niet kunnen zwaaien zonder de oevers van de rivier of de kunstwerken te raken, zijn verplicht te zwaaien in de bestaande zwaaikommen of op de plaatsen waar dit maneuver zonder hinder kan worden uitgevoerd.
  Art. 9.5. <KB 11-12-1981, art. 1> Wanneer in het pand Dendermonde-(Denderbelle) Lebbeke, het voor de waterbemeestering noodzakelijk is een waterdaling uit te voeren, moeten de opvarende vaartuigen stroomafwaarts van de sluis te Dendermonde en de afvarende vaartuigen stroomopwaarts van de sluis te (Denderbelle) Lebbeke stilhouden. Zij mogen slechts verder varen mits toelating door het sluizen-personeel wordt verleend.
  Art. 9.6. <KB 11-12-1981, art. 1> De maximum snelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever is vastgesteld op :
  6 km/u. voor de opvarende vaartuigen;
  7 km/u. voor de afvarende vaartuigen.
  Art. 9.7. <KB 11-12-1981, art. 1> De vaartuigen kunnen gemeten worden te Dendermonde.
  Art. 9.8. <KB 11-12-1981, art. 1> Het jaagpad langs de rivier is gelegen :
  1° van Aat tot de voetbrug te (Bilhée) Aat, op de linkeroever;
  2° van de voetbrug te (Bilhée) Aat tot de ophaalbrug te Lessen, op de rechteroever;
  3° van de ophaalbrug te Lessen tot de sluis te Lessen, op de linkeroever;
  4° van de sluis te Lessen tot de ophaalbrug van Twee-Acren te Lessen, op de rechteroever;
  5° van de ophaalbrug van Twee-Acren te Lessen tot de brug nr. 2 te Geraardsbergen, op de linkeroever;
  6° van de brug nr. 2 te Geraardsbergen tot de Sint-Annabrug te Aalst, op de rechteroever;
  7° van de Sint-Annabrug te Aalst tot de verbreding van de Dender, afstandspunt 62.660, op de linkeroever;
  8° van het afstandspunt 62.660 tot de monding te Dendermonde, op beide oevers.
  Art. 9.9. <KB 11-12-1981, art. 1> De ontvangstkantoren van de scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluis te Lessen, de sluis te Aalst en de sluis te Dendermonde.
  Art. 10. <KB 11-12-1981, art. 1> AFLEIDINGSKANAAL DER LEIE.
  Art. 10.1. <KB 11-12-1981, art. 1> Het gedeelte van het Afleidingskanaal der Leie, waarop dit reglement van toepassing is, heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de kruin van de noordelijke oever van de Leie ter hoogte van de Brielmeersen, te Deinze.
  Het strekt zich uit over een lengte van 27 517 meter tot aan de bovenhoofdmuur van de stuw van Balgerhoeke te (Adegem) Maldegem.
  Art. 10.2. <KB 11-12-1981, Art. 1> De bruikbare afmetingen der kunstwerken, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang der vaartuigen zijn de volgende :

         VAKKEN              Kunstwerken
           -            Bruikbare  Bruikbare  Vrije      Maximum
                         lengte    breedte    hoogte     diepgang
                           -          -         -           -
  I. Van de oorsprong    geen        15,30 m     5,20 m     2,30 m
  te Deinze tot het      sluis
  kanaal van Gent
  naar Oostende
  II. Van het kanaal      44,05 m     6,07 m     4,50 m     2,30 m
  van Gent naar Oos-
  tende tot aan de
  stuw van Balgerhoeke
  te (Adegem) Maldegem
  niet inbegrepen


  Art. 10.3. <KB 11-12-1981, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de beide oevers van het kanaal.
  Art. 10.4. <KB 11-12-1981, art. 1> De maximum snelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever wordt als volgt vastgesteld :
  - in het vak gelegen tussen de oorsprong te Deinze en het kanaal van Gent naar Oostende :
  15 km/u voor de ledige vaartuigen;
  8 km/u voor de geladen vaartuigen;
  - in het vak gelegen tussen het kanaal van Gent naar Oostende en de stuw van Balgerhoeke te (Adegem) Maldegem :
  8 km/u voor de ledige vaartuigen;
  5 km/u voor de geladen vaartuigen.
  Art. 10.5. <KB 11-12-1981, art. 1> In het vak gelegen tussen de oorsprong te Deinze en het kanaal van Gent naar Oostende zijn de maximum toegelaten afmetingen van de vaartuigen vastgesteld op 73 m voor de lengte en 8,35 m voor de breedte.
  Art. 10.6. <KB 11-12-1981, art. 1> Het kanaal is hoofdvaarweg ten opzichte van de Leie en secundaire vaarweg ten opzichte van het kanaal van Gent naar Oostende.
  Art. 10.7. <KB 11-12-1981, art. 1> Het ontvangstkantoor der scheepvaartrechten is gevestigd aan de sluis van Schipdonk te (Merendree) Nevele.
  Art. 11. BOVEN-ZEESCHELDE, DURME, RUPEL, BENEDEN-NETE, BENEDEN-DIJLE EN ZENNE.
  Het gedeelte der Schelde, waarop dit reglement van toepassing is, strekt zich uit over een lengte van 77,033 meter, van de sluis te Gentbrugge (benedenhoofd) tot aan het stroomopwaarts begin van de Antwerpse rede, op een punt, gelegen één kilometer stroomopwaarts de nieuwe kaaien die ten Zuiden van Antwerpen werden aangelegd.
  De Durme strekt zich uit van de samenloop van Moervaart en Zuidleede, aan de Splettersput van de gemeente Daknam, tot aan haar monding in de Schelde, over een lengte van 23,560 meter. (Bij nacht is de monding van de Durme in de Schelde afgebakend door middel van dichtbij opgestelde lichten : een rood lichtstroomopwaarts en een wit stroomafwaarts.
  De Rupel strekt zich uit van de samenloop van Dijle en Nete tot aan de Schelde, over een lengte van 11,980 meter.
  De Beneden-Nete strekt zich uit van het benedenhoofd der Molbrug te Lier, tot aan de oorsprong van de Rupel, over een lengte van 15,070 meter.
  De Beneden-Dijle strekt zich uit van de retourmuur der benedensluis te Mechelen, tot aan de samenloop van Dijle en Nete, over een lengte van 5,875 meter.
  Het door de Staat beheerde gedeelte van de Zenne strekt zich uit van de bovengrenzen van het grondgebied Vilvoorde tot aan haar monding in de Dijle, over een lengte van 26,420 meter.
  Art. 11.1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

    Scheepvaartwegen    Bruikbare lengte  Breedte der  Vrije       Diepgang
      en vakken.          der sluizen.     vaargeul.   hoogte.
           -                   -              -          -            -
  Boven-Zeeschelde :
   1. Vanaf de sluis        -               10,00 m       4,35 m       (b)
  van Gentbrugge tot                       (minimum)       (a)
  de brug te
  Schoonaarde.
   2. Beneden de brug       -               22,00 m     Onbeperkt      (b)
  te Schoonaarde.
   3. Beneden de brug       -               29,70 m     Onbeperkt      (b)
  te Dendermonde
   4. Beneden de brug       -                 -            -           (b)
  te Temse.
  Durme :
   1. Beneden               -                 (b)         4,66 m       (b)
  "Stationbrug" te                                         (a)
  Lokeren.
   2. Beneden de brug       -                9,50 m     Onbeperkt      (b)
  te Waasmunster.
  Rupel :
   1. Vanaf en              -               20,00 m     Onbeperkt      (b)
  bovenwaarts de
  spoorbrug te Boom.
   2. Beneden de            -                 -            -           (b)
  spoorbrug te Boom.
  Beneden Nete :
   1. Boven de wegbrug      -                8,00 m       4,80 m       (b)
  te Duffel.                                               (a)
   2. Beneden de            -               20,00 m       4,80 m       (b)
  wegbrug te Duffel.                                       (a)
  Beneden Dijle             -                 -            -           (b)
  Zenne :
   Beneden de kapel         -                8,00 m       2,15 m       (b)
  Ten Ham                                                  (a)
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  a) boven het gemiddeld hoogwater.
  b) de breedte der vaargeul en de diepgangen kunnen niet worden vastgesteld,
     daar de breedte en de vaardiepte veranderen, volgens het te bevaren
     gedeelte der rivier, het regiem der vaargeulen en banken, de stand van
     het tij en de omstandigheden die op het tij invloed uitoefenen.
     <KB 17-10-1956, art. 9>


  Art. 11.2. De zeeschepen moeten hun naam en die van hun thuishaven in duidelijke letters op de achtersteven voeren.
  Niet van toepassing er op zijn de artikelen :
  8 betreffende de scheepspapieren;
  55 betreffende de uurtabellen van de regelmatige diensten;
  57 betreffende de duidelijk zichtbare aanwijzing van de maximum-diepgang van de motorboten,
  van het algemeen reglement.
  Art. 11.3. De vaartuigen moeten voorzien zijn van ankers met kettingen, zo geschikt dat zij onmiddellijk kunnen uitgeworpen worden.
  Art. 11.4. De kleine zeilboten (minder dan 10 meter lang), de kano's, kajaks en andere kleine pleziervaartuigen moeten voorzien zijn :
  1° Van de scheepvaartreglementen;
  2° Van de nummerplaat af te leveren door het Bestuur van bruggen en wegen;
  3° Van een kleine misthoorn of van een dubbele-toonfluit;
  4° Van een meertouw van ten minste 10 meter lengte;
  5° Van een enterhaakje.
  Er moeten tevens voorhanden zijn :
  A. Op de kleine zeilboten :
  6° Een reddingboei of -gordel;
  7° Een riem;
  8° Een ankertje;
  B. Op de overige kleine vaartuigen :
  een opblaasbare reddingboei of opblaasbare kussens;
  C. Op de eenzitters alleen :
  een reservepaddel;
  D. Op de vouwboten alleen :
  opblaasbare puntluchtzakken voor en achter.
  Art. 11.5. Het jagen geschiedt gewoonlijk :
  1° Langs de Schelde :
  a) stroomafwaarts Gent tot aan het veer te Appels, op de linkeroever;
  b) van dit veer tot aan de brug te Dendermonde, op de rechteroever;
  2° Langs de Durme :
  a) tot 1,200 meter stroomafwaarts de stuwbrug te Daknam, op de rechteroever;
  b) van de stuwbrug te Daknam tot aan de Statiënbrug te Lokeren, op de linkeroever;
  c) tussen de Statiënbrug en de Oudebrug te Lokeren, op de rechteroever;
  d) van de Oudebrug tot aan de monding, op beide oevers;
  3° langs de Beneden-Nete :
  a) van de Molbrug tot aan de monding van de afleiding te Lier, op beide oevers;
  b) van de afleiding tot aan de wegbrug te Duffel, op de rechteroever;
  c) van de wegbrug te Duffel tot aan die te Walem, op de linkeroever;
  d) tussen de wegbrug te Walem en de Rupel, bijna uitsluitend op de linkeroever en slechts tot 500 meter van de wegbrug;
  4° Langs de Beneden-Dijle :
  op de linkeroever;
  5° Langs de Zenne :
  stroomafwaarts de brug te Hombeek, op beide oevers.
  Art. 11.6. Des nachts is de scheepvaart zonder beperking toegelaten op de Boven-Zeeschelde, de Rupel, de Beneden-Nete, de Beneden-Dijle en de Zenne.
  Op de Durme is zij toegelaten :
  1° Zonder beperking stroomafwaarts de Statiënbrug te Lokeren;
  2° In de nacht van Dinsdag op Woensdag, tussen de stroomafwaarts gelegen tijden der Statiënbrug en der brug onder de spoorweg Dendermonde-Lokeren. De laatste Woensdag van de maand October, wordt de Statiënbrug slechts geopend tot 5 uur 's morgens.
  Art. 11.7. De bepalingen in acht te nemen in zake lichten, seinen, te volgen weg en uit te voeren bewegingen zijn die van het scheepvaartreglement van de Beneden-Zeeschelde, behalve de volgende uitzonderingen :
  1° De gejaagde vaartuigen voegen zich naar het algemeen reglement, hoofdstuk II, afdeling II, wat betreft de te volgen weg en de uit te voeren bewegingen. De woorden "opvarend vaartuig" en "afvarend vaartuig" zijn voor dit reglement van toepassing op het vaartuig dat tegen de stroom opvaart of met de stroom afvaart.
  2° Om te kennen te geven dat zij bestemd zijn naar de sluis te Wintam (in de monding van het kanaal van Brussel naar de Rupel), mogen de vaartuigen, die op de Rupel varen, wanneer zij zich tussen de Nielse Beek en het Tolhuis bevinden, met de sirene of de stoomfluit drie lange stoten, gevolgd door drie korte, geven.
  3° Op de Schelde, tussen het stroomopwaartse begin van de Antwerpse rede en de monding van de Rupel, en op de Rupel, van zijn monding tot en met de sluisingang Witam, moeten vaartuigen van minder dan 10 meter (van steven tot steven) wijken voor die van 10 meter en meer.
  4° Deze laatste kunnen zich kenbaar maken door op een goed zichtbare plaats een wit ruitvorming kenteken met een diagonaal van ten minste 3 decimeter te voeren.
  Art. 11.8. Het is verboden het anker te werpen op te slepen in de zones, die zijn afgebakend door de palen op de oevers, stroomopwaarts en stroomafwaarts de kettingen van de veer-ponten, de ingedompelde water- of gasleidingen en electrische kabels.
  Art. 11.9. In afwijking van artikel 29 van het algemeen reglement moeten de zeilvaartuigen, die voor een brug komen, hun zeilen niet volledig strijken, wanneer de doorvaart toegelaten en de wind gunstig is.
  Art. 11.10. <KB 13-11-1953, art. 3> § 1. Tussen zonsondergang en zonsopgang en bij mistig weder, worden de doorvaarten der vaste bruggen waar de scheepvaart des nachts toegelaten is, stroomafwaarts en stroomopwaarts aangeduid met lichten die als volgt zijn opgesteld :
  1° Bruggen van Heusden en Schoonaarde :
  Een groen licht aan ieder der steunpunten die de doorvaartopening begrenzen en een oranje licht in het midden boven de doorvaartopening. Een rood licht boven de geul die verboden is voor de scheepvaart.
  2° Vroegere Van Enschodtbrug :
  De vaargeul is afgebakend door groene lichten.
  (3° Wegbrug te Walem :
  De vaargeul is afgebakend door een groen licht aan elk der steunpunten die de doorvaartopening begrenzen. Het midden van de doorvaartopening wordt aangeduid door een oranje licht.) <KB 17-10-1956, art. 10>
  4° Spoorbrug te Sint-Katelijne-Waver :
  De vaargeul is afgebakend door een wit licht op elk der steunpunten die de doorvaartopening begrenzen.
  5° Wegbrug te Waasmunster :
  Een wit licht boven de doorvaartopening en een rood licht boven de vaargeul die verboden is voor de scheepvaart.
  § 2. De vaargeulen dezer bruggen worden over dag bij helder weder niet aangeduid. De andere vaste bruggen zijn van geen signalisatie voorzien.
  Art. 11.11. <KB 13-11-1953, art. 3> § 1. De vaargeulen der hierna opgesomde beweegbare bruggen en de doorvaart bij die bruggen worden als volgt aangeduid, met dien verstande dat de zogenaamde nachtsignalisatie tussen zonsondergang en zonsopgang alsmede bij mistig weder wordt gebruikt :
  1° Bruggen van Melle, Wetteren en Uitbergen :
  Bij dag :
  Verbod van doorvaart wordt aangeduid door een rode schijf met witte rand.
  De vrije doorvaart wordt aangeduid door een witte schijf met groene rand.
  Deze schijven staan boven het beweegbaar gedeelte van de brug.
  Bij nacht :
  De vaargeul is bestendig afgebakend door een groen licht aan weerszijden van de doorvaartopening.
  Verbod van doorvaart wordt aangeduid door een rood licht boven het groene licht aan één der pijlers. Een rood licht boven een geul, verbiedt de scheepvaart door die geul. Aan de bruggen van Wetteren en Uitbergen duidt een oranje licht de onderkant van het beweegbaar bruggedeelte aan.
  2° Scheldebrug te Dendermonde :
  Alleen de vaargeul onder het beweegbare gedeelte van de brug is voor de scheepvaart toegankelijk. Boven de andere geulen brandt steeds een rood licht. De doorvaart is vrij voor alle schepen waarvan het hoogste punt 0.30 m lager ligt dan de onderkant van de brug.
  De vaargeul is bij dag afgebakend door een rood licht, bij nacht door een groen en een rood licht aan elk van de pijlers van de doorvaartopening.
  Een oranje licht duidt de onderkant van het beweegbaar bruggedeelte aan.
  Een tweede rood licht aan de pijler langs de rechteroever van de doorvaartopening duidt aan dat de brug niet kan bediend worden.
  3° Spoorbrug te Boom :
  Bij dag :
  Een rode vlag duidt aan dat de brug niet kan bediend worden.
  Bij nacht :
  De vaargeul van het beweegbaar gedeelte is afgebakkend door groene lichten.
  Verbod van doorvaart wordt aangeduid door een rood licht boven de vaargeul.
  Aan de andere pijlers is een wit licht aangebracht.
  4° Autostradebrug te Boom :
  Bij dag :
  Geen signalisatie bij gesloten stand.
  Bij geopende stand is de doorvaart vrij wanneer groene lichten alleen de doorvaartopening afbakenen en is zij verboden wanneer rode lichten de doorvaartopening afbakenen.
  Bij nacht :
  Voor de schepen die de bediening van het beweegbaar bruggedeelte niet behoeven, is de vaargeul onder het vast gedeelte van de brug afgebakend door groene lichten aan de twee steunpunten en door een oranje licht in het midden der overspanning.
  Voor de schepen die de bediening van het beweegbaar bruggedeelte wel behoeven, moeten de voorschriften van de geopende stand bij dag in acht genomen worden.
  5° Wegbrug te Hamme :
  Bij dag :
  Bij gesloten stand : geen signalisatie.
  Bij gesloten stand, wanneer de brug niet kan bediend worden wegens het in aantocht zijn van een tram : rode lichten verbieden de doorvaart.
  Bij geopende stand : de doorvaart is toegelaten door de vaargeul afgebakend door groene lichten en verboden door de vaargeul afgebakend door rode lichten.
  Bij nacht :
  Bij gesloten stand : rode lichten verbieden de doorvaart.
  Bij geopende stand : hetzelfde als bij dag.
  6° Spoorbrug te Hamme :
  Bij dag :
  Geen signalisatie.
  Bij nacht :
  Bij gesloten stand : het rood licht op het beweegbaar bruggedeelte verbiedt de doorvaart.
  Bij geopende stand : de doorvaart is vrij wanneer het rood licht op het beweegbaar bruggedeelte niet zichtbaar is.
  Het rood licht aan het vast gedeelte van de brug blijft steeds zichtbaar.
  7° Oude brug te Lokeren :
  Bij dag :
  Bij gesloten stand : geen signalisatie.
  Bij geopende stand : de doorvaart is vrij wanneer enkel groen licht en een wit licht branden tot aanduiding der vaargeul. De doorvaart is verboden wanneer het rood licht brandt.
  Bij nacht :
  Het rood licht geeft het verbod van doorvaart aan.
  De doorvaart is vrij wanneer alleen het groen licht en het wit licht branden.
  § 2. De andere beweegbare bruggen zijn noch bij dag noch bij nacht van enige signalisatie voorzien.
  Art. 11.12. Aan de brug over de Schelde, te Temse, mag de doorvaart slechts geschieden langs de vaargeul, afgebakend aan weerszijde, over dag door een rode schijf en twee zwarte bollen; des nachts een wit licht met een rood er boven.
  Aan de pijlers, waartussen de doorvaart niet mag geschieden, hangt over dag een rode schijf; des nachts een rood licht met een groen er boven.
  Art. 11.13. Tussen de seinpost en de brug te Wetteren mag de snelheid der vaartuigen in geen geval meer bedragen dan 100 meter per minuut.
  De beweegbare bruggen over de Zeeschelde te Melle, te Wetteren, te Uitbergen en te Dendermonde mogen nooit langer open blijven dan nodig is voor de doorvaart van twee sleeptreinen die elkander op ten hoogste 100 meter afstand volgen. Er moeten tien minuten verlopen tussen het ogenblik waarop men ze begint te sluiten en dat waarop men ze opnieuw opent.
  De sleeptreinen moeten hun vaart derwijze regelen dat ze niet te vroeg voor een van die bruggen komen. Wanneer ze minder dan 1,200 meter er van verwijderd zijn, mogen ze elkaar niet meer voorbijvaren.
  Stroomopwaarts en stroomafwaarts de kunstwerken duiden palen de verschillende afstanden aan, waarvan in dit artikel spraak is.
  Art. 11.14. Het gedeelte van de Rupel tussen haar monding en de toegangsgeul van het zeekanaal van brussel tot de Rupel is bebakend door middel van zes electrische lichten, die op ongeveer 4m50 boven het peil van gemiddeld hoog water zijn geplaatst; op de linkeroever, vier groene lichten, respectievelijk op het staketwerk der monding, op 325 meter stroomopwaarts, vervolgens op 825 meter en op 500 meter stroomafwaarts de ingang van voornoemde toegangsgeul; op de rechteroever, twee rode lichten, namelijk een onmiddellijk stroomopwaarts de steiger van het Tolhuisveer en het andere op 600 meter stroomopwaarts.
  De gedeelten nieuwe oevers van de Rupel stroomafwaarts Niel, zijn overdag aangeduid door rijen rode bakens op de rechteroever en door blauwe op de linkeroever. (De aandacht van de schippers wordt er op gevestigd dat het staketsel van de toegangsgeul tot de sluis te Wintam insgelijks electrisch verlicht is. Deze verlichting houdt geen verband met het afbakenen der vaargeul van de Rupel.
  Art. 11.15. § 1. Te Dendermonde mogen de vaartuigen, die het gunstig tij afwachten, op ten hoogste vijf rijen meren aan de dukdalven stroomafwaarts de brug, ter plaatse genaamd "Lang Rek".
  § 2. Tussen de monding van de Durme en het stroomopwaarts gelegen uiteinde der rede van Antwerpen is het, behoudens bijzondere machtiging, verboden :
  1° Zeeschepen boord aan boord te meren aan de aanlegplaatsen, steigers, kaaien, enz.;
  2° Langs de boord van een gemeerd zeeschip meer dan een rij lichters te plaatsen;
  3° Lichters op meer dan drie rijen, boord aan boord, te meren aan de aanlegplaatsen, steigers, kaaien, enz.;
  4° Vaartuigen te ankeren :
  a) onder de linkeroever (Vlaamse wal), stroomafwaarts de steiger van het openbaar veer Kruibeke-Hoboken (Kapelstraat), te Kruibeke;
  b) onder de rechteroever (Antwerpse wal), stroomopwaarts de steiger van hetzelfde veer, te Hoboken.
  § 3. Op de linker Rupeloever mogen de vaartuigen, die aan het Noorderhoofd der toegangsgeul tot de sluis te Klein-Willeboek liggen, op de rivier niet meer innemen dan een breedte van 16 meter, gemeten van de beschoeiing van het hoofd. De vaartuigen welke in deze strook geen plaats kunnen vinden, moeten onder de rechteroever ten anker komen.
  Op de rechter Rupeloever, ter hoogte van de gemeentekaai te Niel, moeten de schepen meren binnen een strook van ten hoogste 21 meter breed, gemeten van de kaaimuur of de aldaar bestaande aanlegpalen.
  Art. 11.16. In dringende gevallen, waarover het Bestuur alleen oordeelt, is de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen of elk ander bevoegd ambtenaar gemachtigd onmiddellijk en ambtshalve de nodige maatregelen te nemen, om een gezonken of gestrand vaartuig vlot te brengen of desnoods te vernietigen.
  Art. 11.17. De werken, die men uitvoert op de aan dit reglement onderworpen waterwegen of langs de oevers, worden bij dag aangeduid door rode schijven van minstens 0m75 doormeter, of door rode vlaggen; 's nachts door rode lichten waarboven groene lichten geplaatst zijn, die ten minste een zeemijl (1,852 meter) ver zichtbaar zijn.
  Dezelfde schijven of vlaggen en lichten worden geplaatst op het uiteinde (rivierkant) van steigers, dukdalven en andere soortgelijke kunstwerken, welke in de waterweg vooruitsteken tot voorbij de gemiddelde laagwaterlijn, of welke niet zichtbaar zijn bij hoogwater, met uitzondering :
  1° Voor die, welke dienen voor de bebakening of verlichting van het vaarwater;
  2° Voor de meerboeien voor de binnenvaartuigen.
  Art. 11.18. Wat betreft de maximumsnelheid van de motorboten, vallen de Beneden-Dijle, de Zenne en de Durme stroomopwaarts de Statiënbrug te Lokeren onder het algemeen reglement. Op de andere waterwegen en vakken zijn de maximumsnelheden de volgende (a) :

  Waterwegen    Motorboten die geen gebruik          Motorboten die gebruik
     en          maken van wat gedoogd wordt          maken van wat gedoogd
   vakken.        inzake maximum-diepgang.                wordt inzake
     -                        -                        maximum-diepgang.
                Van 90 ton en     Van meer dan               -
                   minder.          90 ton.          Met         Met
                     -                 -           inrichting  vaste bui-
                Minder  2m50     Met     Zonder    tegen de    ten de romp
                 dan    breed   machti-  machti-   golfslag.   uitstekende
                 2m50    en     ging.    ging.                 schroef.
                breed.  meer.                        -            -
                  -       -      -        -
  Boven-
  Zeeschel-
  de : 
  I. Stroom-                     onbeperkte snelheid
  afwaarts
  de brug te
  Dendermonde.
  II. Stroom-    250     200     200      150       200         150
  opwaarts de
  brug te
  Dendermonde.
  Durme :
  I. Stroom-                     onbeperkte snelheid
  afwaarts de
  Hammeburg.
  II. Tussen     250     200     200      150       200         150
  de Hamme-
  brug en
  de brug te
  Waasmunster.
  III. Tussen    200     150     150      100 (b)   150         100 (b)
  de brug te
  Waasmunster
  en de Sta-
  tienbrug
  (Lokeren).
  Rupel :                        onbeperkte snelheid
  Beneden-
  Nete :
  I. Stroom-                     onbeperkte snelheid
  afwaarts de
  wegbrug te
  Walem.
  II. Stroom-    250     200     200     150       200         150
  opwaarts de
  wegbrug te
  Walem.
  (a) Alle snelheden zijn aangeduid in meters, per minuut en met betrekking
      tot de oever.
  (b) Overeenkomstig het algemeen reglement vervangt het maximum van 7
      kilometer per uur ieder minder gunstig maximum voor afvarende schepen.
  Nota. - De aandacht van de schippersbazen, die op de Rupel varen, wordt
  inzonderheid gevestigd op artikel 21 van het algemeen politie- en
  scheepvaartreglement, dat onder meer voorschrijft de vaartsnelheid der
  schepen te vertragen voor de los- en laadkaaien ten einde alle gevaar
  of beschadiging te vermijden. De strandingsbermen zijn overigens begrepen
  onder de algemeen rubriek "los- en laadkaaien".


  Art. 11.19. <KB 26-03-1954, art. 1> (Op de Schelde, stroomafwaarts van de brug te Dendermonde), en op de Rupel, stroomafwaarts van de spoorburg te Boom, in de gedeelten waar de breedte der vaarwaters het mogelijk maakt zonder het kruisen te belemmeren, mogen de gesleepte vaartuigen zijdelings aan de sleper vastgemeerd worden, ten hoogste één langs iedere zijde mits de breedte van het geheel niet meer dan 15 meter bedraagt. <KB 17-10-1956, art. 11>
  Op dezelfde gedeelten mogen al de gesleepte binnenvaartuigen gekoppeld worden voor zoveel de breedte van de sleep niet meer dan 15 meter bedraagt. Ze mogen met vier tegelijk worden gesleept, mits de totale lengte van de sleep, de sleepboot inbegrepen, niet meer dan 200 meter bedraagt.
  Op de andere gedeelten en de andere waterwegen mogen slechts binnenvaartuigen gekoppeld worden waarvan de breedte niet meer dan 2 m 65 bedraagt.
  Art. 11.20. Op de Schelde, stroomafwaarts de brug te Dendermonde, en op de Rupel mogen vlotten en houttreinen slechts varen, indien ze door een motorvaartuig gesleept worden.
  Art. 11.21. Op de Schelde, stroomafwaarts de brug te Dendermonde en op de Rupel, is het aan ieder vaartuig van minder dan 10 meter (van steven tot steven), verboden zonder noodzaak in de sluismonding en in het grootscheepvaartwater te vertoeven, zeeschepen en sleeptreinen op minder dan 30 meter te naderen en hun verkeer op enigerlei wijze te hinderen.
  Het verbod inzake het naderen is niet van toepassing op de sleepboten, noch op de vaartuigen van 's Rijksdiensten, noch op vaartuigen welke hulp verlenen in geval van nood, noch op die welke, met de vereiste machtiging, een verbinding met de wal onderhouden.
  Art. 11.22. <KB 25-09-1957, art. 4> Binnenvaartuigen kunnen worden gemeten te Melle, Dendermonde, Baasrode, Temse, Antwerpen, in het Scheldevak begrepen tussen Rupelmonde, en de Petroleumpier, te Antwerpen, Hamme, Tielrode, op gans de Rupel, te Lier en Mechelen.
  Art. 11.23. De Staat heft geen scheepvaartrechten voor de afgelegde afstanden. Afstandstabellen worden bij wijze van inlichting gegeven.
  Art. 11.24. De bepalingen van het algemeen reglement zijn slechts toepasselijk op de Zenne, voor zover ze niet gewijzigd zijn door de wet van 7 Juli 1887, die de Regering machtigt de Zenne te beheren.
  Art. 11.25. De eigenaars of huurders van langs de Zenne gelegen fabrieken moeten hun waterwerken in goede staat onderhouden en zich voegen naar de bevelen van de ambtenaren en agenten van het Bestuur, wat betreft de bediening van de werken, in verband met hoog water, ruimingswerken of de dienst van de rivier in het algemeen.
  Art. 12. <KB 14-12-1979, art. 1> SPIEREKANAAL.
  Art. 12.1. <KB 14-12-1979, art. 1> Het Spierekanaal heeft zijn oorsprong aan de Franse grens te (Leers-Noord) Estaimpuis. Het strekt zich uit over een lengte van 8 403 meter, tot aan de denkbeeldige lijn in het verlengde van de (linkeroever) van de Schelde te (Spiere) Spiere-Helkijn. <err. 15-07-1980>
  Art. 12.2. <KB 14-12-1979, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                Sluizen
                                   -
                Bruikbare lengte       Bruikbare breedte
                       -                       -
                  38,43 m                 5,19 m


  Art. 12.3. <KB 14-12-1979, art. 1> Het jaagpad is gelegen op de rechteroever van het kanaal.
  Art. 12.4. <KB 14-12-1979, art. 1> De maximum snelheid van de vaartuigen is vastgesteld op 3,6 km per uur.
  Art. 12.5. (Opgeheven)) <KB 06-06-1988, art. 6>
  Art. 13. KANAAL VAN GENT NAAR OOSTENDE.
  (Het kanaal van Gent naar Oostende strekt zich uit van de Bargiebrug - niet inbegrepen - te Gent, tot het bovenhoofd der sluizen van Slijkens, te Oostende, over een lengte van 66 294 meter.) <KB 29-06-1977, art. 1>
  Art. 13.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

         Vakken.            Bruikbare       Breedte    Vrije      Diepgang.
           -               lengte der        der       hoogte.       -
                            sluizen.        vaargeul.    -
                                 -            -
   1. Tussen de  Bargie-
  brug  - niet inbegre-
  pen - te Gent, en de
  voormalige grens van                         7,50 m     4,20 m
  Brugge en Assebroek                           (b)        (b)       2,30 m
  <KB 14-11-1975, art. 2>                     10,85 m     5,42 m
  <KB 29-06-1977, art. 2>                       (c)        (c)
   2. Tussen die grens         -
  en de nieuwe Damme-
  poortsluis te Brugge.                       12,00 m     6,50 m     2,30 m
   3. In de nieuwe Damme-    70,00 m (d)
  poortsluis te Brugge.      89,70 m (e)      12,00 m      -         2,30 m
   4. In de doortocht        70,00 m,
  te Brugge.                Coupuresluis       8,20 m      -         2,10 m
                            en 62 m, oude
                            Dammepoort-
                            sluis (f).
   5. Tussen de Damme-         -              12,00 m      -       Zomer
  poort te Brugge en                          12,00 m      -         3,80 m
  Halfmijlhuis.                                 (g)                Winter
                                                                     3,35 m
                                                                      (h)
   6. Vanaf Halfmijlhuis    282,50 m          18,00 m      -       Zomer
  tot en met het sasdok                                              6,00 m
  van Oostende.                                                    Winter
                                                                     5,55 m
                                                                      (h)
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) In gewone omstandigheden, bedraagt de breedte van het kanaal, op
      2,30 m beneden het normaal peil van 5,61 E.M. : 14 meter tussen de
      oorsprong en het verbindingskanaal te Gent; 22,40 m tussen Gent en
      Schipdonk; 12,40 m tussen Schipdonk en de grens van Oost- en
      West-Vlaanderen; 14 meter tussen die grens en Brugge.
  (b) Stroomopwaarts van de ringvaart om Gent.
  (c) Stroomafwaarts van de ringvaart om Gent. <KB 14-11-1975, art. 2>
  (d) Voor de vaartuigen met een breedte van ten hoogste 11,90 m.
  (e) Voor de vaartuigen met een breedte van hen hoogste 10,20 m.
  (f) De Oude Dammepoortsluis slechts toegankelijk voor schepen van ten
      hoogste 52 meter lengte.
  (g) Slechts 7,55 m aan de voorlopige Stalhillebrug.
  (h) Ingeval waterlozing kan het normaal peil een verlaging ondergaan
      aan 1 meter te Slijkens en 0,50 m te Brugge.<KB 17-10-1956, art. 13>


  § 2. Tussen Gent en Brugge mogen de vaartuigen van meer dan 7 meter breed slechts varen met de voorafgaande toelating van de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen, die de diepgang bepaalt.
  De vaartuigen van meer dan 5 meter breed mogen er slechts op de volgende plaatsen goederen laden of lossen :
  1° Tussen Gent en hectometerpaal nr 132 te Merendree, de vaartuigen van 7 meter breed of minder;
  2° Tussen Steenbruggen en de Dammepoort te Brugge, al de vaartuigen;
  3° Tussen de Sint-Katelijnebrug en de Dammepoortsluis (rechteroever) te Brugge enkel die vaartuigen, welke er door de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen toegelaten zijn;
  4° Langs de Prinses-Elisabethlaan (rechteroever), te Bredene, enkel de vaartuigen die toegelaten zijn als onder 3°.
  Art. 13.2. Het jagen geschiedt :
  (1° tussen Gent en Brugge :
  a) tussen de (Bargiebrug) te Gent - niet inbegrepen - en een punt gelegen op 140 meter stroomopwaarts van de Keizerinnestuw te Brugge, op de linkeroever; <KB 29-06-1977, art. 1>
  b) tussen dit punt en de nieuwe Dammepoortsluis, op de rechteroever.) <KB 14-11-1975, art. 3>
  2° In de doortocht te Brugge :
  d) tussen de Ijzerhekkenbrug en de Molenbrug, op de rechteroever;
  e) tussen de Molenbrug en de Sint-Annabrug, op de linkeroever;
  f) tussen de Sint-Annabrug en de oude Dammepoortsluis, op de rechteroever;
  3° Tussen Brugge en Oostende :
  g) tussen de Dammepoortsluis en de Scheepdalebrug, op de rechteroever (op dit gedeelte is er echter geen jaagpad tussen een punt gelegen op 150 meter stroomafwaarts de Dammepoortsluis en de Warandebrug);
  h) tussen de Scheepdalebrug en de sluizen van Slijkens, op beide oevers.
  Art. 13.2bis. <Ingevoegd bij KB 18-06-1956, art. 1> In afwijking van artikel 28 van het algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, wordt aan de Nieuwe Dammepoortsluis, te Brugge, de rangorde van het binnenvaren in de sluis geregeld door de van dienst zijnde sluiswachters, die de plaats van de schepen in de sluiskolk aanduiden, rekening houdend met de afmetingen van het schip.
  Voor de schepen bestemd voor het kanaal van Brugge naar Sluis (Belgisch gedeelte), dienen de schippers zich bij hun aankomst bij de sluiswachters aan te bieden, die hen de schutting waarmee zij zullen versast worden, alsook hun ligplaats in de sluiskolk zullen aanduiden.
  Art. 13.3. Tussen de Dammepoortsluis en de Warandebrug te Brugge mogen de vaartuigen, in afwijking van artikel 38 van het algemeen reglement aan de rechteroever meren op ten hoogste drie rijen.
  Art. 13.4. De stilliggende vaartuigen moeten derwijze gemeerd worden, dat zij ingevolge de schommeling van het waterpeil de grond niet kunnen raken. De schippersbazen zijn volledig verantwoordelijk voor de schade, die aan hun eigen vaartuigen, aan derden en aan de waterweg wordt berokkend, en voor de storingen welke, door hun onachtzaamheid bij het meren, aan de watervangers worden veroorzaakt. Zij kunnen van het Bestuur niet vergen, dat het hun gestrande vaartuigen vlotmaakt, door het opdrijven van het waterpeil.
  Art. 13.5. In de doortocht te Gent, en eveneens tussen de grens van Brugge en Assebroek enerzijds en de Wagelaterspoorbrug anderzijds, zijn alle vaartuigen, met inbegrip van de sleepboten, gehouden uitsluitend door middel van de mondhoorn aan te kondigen :
  1° hun nadering tot een brug, een sluis, een openbaar veer en elk punt waar de vartuigen moeten halt houden;
  2° ten minste om de vijf minuten, hun aanwezigheid bij mistig weder.
  Art. 13.6. In geval van hoge waterstand of van waterschaarste kan het bestuur het aantal schuttingen aan de sluizen te Brugge beperken.
  Art. 13.7. In afwijking van het algemeen reglement, zijn de maximumsnelheden van de motorboten de volgende :

    Vakken.           Motorboten die geen            Motorboten die gebruik
      -           gebruik maken van wat gedoogd       maken van wat gedoogd
                  wordt inzake maximum-diepgang.      wordt inzake maximum-
                                 -                         diepgang.
                                                               -
                  Van 90 ton en    van meer dan
                     minder.         90 ton.           Met       Met
                      -                 -           inrichting  vaste
                 Minder  2m50                       tegen de    buiten
                  dan    breed     Met    Zonder    golfslag.   de romp
                 2m50     en     machti-  machti-        -      uitste-
                 breed.  meer.    ging.    ging.                 kende
                                                                schroef.
                   -      -        -        -                      -
  I.Tussen Gent   250     200     120      100       120         100
  en Brugge.
  II. Tussen      250     200     180      120       180         120
  Brugge en
  Oostende.


  Art. 13.7bis. <Ingevoegd bij KB 03-10-1951, art. 1> Tenzij het algemeen reglement vroegere uren vastelt, is de scheepvaart op de werkdagen vanaf 5 u. 30 m., officieel uur, toegelaten van een punt gelegen 100 meter stroomopwaarts de brug over het benedenhoofd van de sasdok te Oostende tot aan het begin der haveninstellingen van Oostende.
  De toegang en de doorvaart der kunstwerken worden 's nachts aangeduid door groene en rode lichten op de uiterste punten van het sluishoofd. Twee groene lichten betekenen dat toegang en doorvaart toegelaten worden. Twee rode lichten betekenen dat toegang en doorvaart verboden worden.
  Art. 13.8. De hoofdingenieurs-directeurs van bruggen en wegen kunnen de motorvaartuigen toelating geven 's nachts te varen, ten einde ze in staat te stellen hetzij 's ochtends hun gewone dienst te hervatten, hetzij op tijd te Oostende aan te komen om, gebruik makend van het hoog tij, in zee te steken.
  Degenen, die de toelating genieten, nemen alleen de ganse verantwoordelijkheid op voor hun nachtelijke vaart.
  Art. 13.9. <KB 25-09-1957, art. 6> De vaartuigen kunnen te Gent, Oostkamp, Brugge en Oostende gemeten worden.
  Art. 13.10. Van de scheepvaartrechten en van de vergunning tot ledigvaren zijn ontslagen, de schepen die uit zee naar België komen en omgekeerd, en de vaartuigen die de ladingen van zulke schepen vervoeren. Laatsbedoelde vaartuigen moeten voorzien zijn van een door het tolwezen afgeleverd getuigschrift van overlading en moeten die verklaring op het eerste ontvangstkantoor achterlaten.
  Art. 13.11. (De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd te Schipdonk, aan de Dammepoort te Brugge, en te Plassendale (kanaal van Plassendale naar Nieuwpoort).) <KB 13-07-1951, art. 9>
  Art. 13.12. Dit reglement en het algemeen reglement gelden voor het afleidingskanaal der vestinggrachten van Brugge, met inbegrip van de Gulden-Vliesstuw en aanhorigheden.
  Art. 14. KANAAL VAN GENT NAAR TERNEUZEN (BELGISCH GEDEELTE) EN VERTAKKINGEN. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.1. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.2. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.3. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.4. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.5. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.6. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.7. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.8. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.9. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.10. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.11. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.12. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.13. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.14. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.15. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.16. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.17. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.18. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.19. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.20. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.21. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.22. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.23. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.24. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.25. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.26. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.27. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.28. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.29. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.30. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 14.31. (Opgeheven) <KB 1992-09-23/36, art. 57, 002; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
  Art. 15. GROOTE NETE.
  Het bevaarbaar gedeelte der Groote Nete strekt zich uit van de overlaat te Oosterlo-Geel tot aan de samenloop met de Kleine Nete, 405 meter stroomopwaarts de voorlopige brug der Leuvense Poort, te Lier, over een lengte van 44,292 meter.
  Tijdelijk is de Groote Nete alleen bevaarbaar aan haar monding, stroomafwaarts de Maasfortbrug te Lier.
  Art. 15.1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

    Breedte der vaargeul.      Vrije hoogte.        Diepgang.
             -                     -                   -
       5m00                    Veranderlijk (a)     Veranderlijk (a)
  (a) Verschilt volgens het afvoervermogen van de rivier en de hoogte der
      tijen.


  Art. 15.2. Het jagen geschiedt op beide oevers.
  Art. 15.3. De bepalingen van het algemeen reglement betreffende het geheel of gedeeltelijk aflaten van het water zijn van toepassing wanneer de stuwen der rivier moeten geopend worden voor het bevloeien van de weiden.
  Art. 15.4. In afwijking van het algemeen reglement, zijn de maximum-snelheden der motorboten de volgende (a) :

             Motorboten die geen gebruik             Motorboten die
        maken van de tolerantie betreffende       gebruik maken van de
               de maximum-diepgang.              tolerantie betreffende
                                                     de diepgang.
                       -                                   -
      Van 90 ton          Van meer dan            Met       Met vaste
      en minder.            90 ton.             inrichting  buiten de
          -                   -                  tegen de   romp uit-
                                                 golfslag.  stekende
                                                            schroef.
                                                    -          -
     Minder  2m50       Met         Zonder
      dan    breed   machtiging.  machtiging.
      2m50    en
     breed.  meer.
       -      -          -            -
      200     150     150          100 (b)       100 (b)      70 (b)
  (a) Alle snelheden zijn aangeduid in meter, per minuut en met betrekking
      tot de oever.
  (b) Overeenkomstig het algemeen reglement vervangt het maximum van 7
      kilometer per uur elk minder gunstig maximum voor de afvarende
      vaartuigen.


  Art. 15.5. De Staat heft geen scheepvaartrechten op de Groote Nete. Een afstandstabel is bij wijze van inlichting gegeven.
  Art. 15.6. Van 1 Maart tot 1 April en van 15 Juli tot 15 Augustus mag de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen van het ambtsgebied het bedienen van de stuwen der Groote Nete regelen met het oog op de bevloeiing van de weiden.
  Art. 16. HAINE. Het door de Staat beheerde gedeelte der Haine strekt zich uit van de voormalige overlaat Fort-la-Haine, te Bergen (Ghlin), tot aan de Franse grens, over een lengte van 22,401 meter.
  Art. 16.1. Niemand mag varen noch een vaartuig of een vlot op de rivier hebben zonder machtiging van de Minister van Openbare Werken.
  Art. 16.2. Een afstandstabel is bij wijze van inlichting gegeven.
  Art. 16.3. De bepalingen van het algemeen reglement zijn slechts van toepassing onder voorbehoud van die van de wet van 7 Juli 1887, welke de regering machtigt de Haine te beheren.
  Art. 17. BOVEN-SCHELDE.
  Het Belgisch gedeelte der Boven-Schelde strekt zich uit van de Franse grens tot aan de sluis van Gentbrugge, over een lengte van 91,954 meter.
  In de doortocht Gent heeft de Boven-Schelde volgende vertakkingen :
  1° De Muinkschelde die zich uitstrekt van het afstandspunt 90,283 van de Boven-Schelde, op 330 meter beneden de spoorbrug van het Strop, tot aan de wal van het Huidevetterken, over een lengte van 1,575 meter;
  2° De Ketelvaart, die zich uitstrekt van de wal van het Huidevetterken ten rechte van de stuw genoemd Braamgaten, tot aan de Leie, op 80 meter beneden de Ketelbrug, over een lengte van 800 meter;
  3° De Reep die het einde van de Muinkschelde met het begin van de Neerschelde verbindt en waarvan het bevaarvaar gedeelte, gescheiden van de Muinkschelde door de Braamgaten en een overwelfd onbevaarbaar vak, zich uitstrekt over een lengte van 520 meter;
  4° De Neerschelde die de Leie verlengt tot aan de Boven-Schelde, 50 meter beneden de Willembrug, over een lengte van 1,529 meter;
  5° De Visserijvaart, die zich nagenoeg evenwijdig met de Neerschelde uitstrekt, vanaf deze, juist boven de Slachthuisbrug tot aan de Boven-Schelde, juist beneden de Visserijbrug, over een lengte van 1,234 meter;
  6° De Oosterarm, Oostelijke arm van het laatste gedeelte van de Bovenschelde (afleiding van het Strop genoemd), die zich uitstrekt van het afstandspunt 90.632 over een lengte van 940 meter, maar slechts bevaarbaar is op het gedeelte benedenwaarts de Keizerpoortbrug over een lengte van 338 meter.
  Het kanaal genoemd Vertakking De Pauw is eveneens onderworpen aan dit bijzonder reglement. Het strekt zich uit van het afstandspunt 94.076 van de Leie, op 118 meter boven de samenloop van de Leie met de Reep en de Neerschelde, tot aan het zuider einde van het gemeentekanaal genoemd Handelsdok over een lengte van 391 meter.
  Art. 17.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

        Scheepvaartwegen           Bruikbare  Breedte    Vrije    Diepgang.
               en                   lengte      der      hoogte.
            vakken.                  der      vaargeul.
               -                   sluizen.
                                      -          -         -          -
  Boven-Schelde :
  I. Van de Franse grens tot aan     41m50       6m50       4m00     2m10
  het benedenhoofd van de sluis
  te Antoing
  II. Van het benedenhoofd der      125m00       6m70       4m00     2m10
  sluis te Antoing tot de
  splitsing met de Muink-
  schelde, te Gent
  III. Van dit punt tot het bene-    41m50       6m50       3m90     2m10
  denhoofd van de Brusselse-                                 (a)
  poortsluis
  IV. Van dit punt tot de sluis     100m00      11m50        -       2m30
  van Gentbrugge
  Vertakkingen :
  I. Muinkschelde                      -        14m00       4m00     2m10
  II. Canal dit Ketelvaart             -        14m00       4m00     2m10
  III. Reep                            -         7m50       2m47     2m10
                                                             (a)
  IV. Neerschelde                      -        11m50       2m96     2m30
                                                             (a)
  V. Canal dit Visserijvaart           -         7m50        -       2m30
  VI. Oosterarm                        -          -          -       2m10
  Vertakking De Pauw                 70m00       8m50       4m55     1m30
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) Boven de normale waterlijn (4m45).


  § 2. In afwijking van het algemeen reglement, zijn de maximum-afmetingen der vaartuigen de volgende :

             Scheepvaartwegen                 Lengte       Breedte.
                en vakken.                    (roer-
                                            inbegrepen).
                   -                            -             -
  Boven-Schelde :
  I. Van de Franse grens tot aan het          41m20           5m20
  benedenhoofd van de sluis te Antoing
  II. Van dit punt tot de splitsing           47m20           5m20
  met de Muinkschelde, te Gent                                ...
                                                            <KB 17-10-1956,
                                                              art. 17>
  III. Van dit punt tot het benedenhoofd      41m20           5m20
  van de Brusselsepoortsluis                                  ...
                                                            <KB 17-10-1956,
                                                              art. 17>
  IV. Van dit punt tot de sluis van           50m00           6m60
  Gentbrugge
  Vertakkingen :
  Muinkschelde                                47m20           5m20
  Canal dit Ketelvaart                        47m20           5m20
  Reep                                        47m20           5m20
  Neerschelde                                 50m00           6m60
  Canal dit Visserijvaart                     50m00           6m60
  Oosterarm                                   47m20           5m20
  Vertakking De Pauw                          50m00           6m60


  Art. 17.2. § 1. Het jagen geschiedt :
  1° Van de Franse grens tot aan de Armand Devalléebrug, stroomopwaarts Doornik, op de linkeroever;
  2° Van genoemde brug tot Oudenaarde, op de rechteroever;
  3° Van Oudenaarde tot aan de sluis te Gentbrugge, op de linkeroever.
  § 2. In de doortocht van de stad Gent mag het jagen enkel door personen geschieden.
  Art. 17.3. In afwijking van het algemeen reglement, wordt het reglementair openingsuur van de scheepvaart niet verlaat op Zondags, noch op O.H. Hemelvaart, O.L.V. Hemelvaart, Allerheilingen en Kerstdag.
  Art. 17.4. In afwijking van het algemeen reglement, zijn de maximumsnelheden van de motorboten de volgende (Alle snelheden zijn aangeduid in meter, per minuut en met betrekking tot de oever.) :

       Motorboten die geen gebruik maken        Motorboten die gebruik
       van de tolerantie betreffende de         maken van de tolerantie
              maximum-diepgang.                 betreffende de diepgang.
                      -                                        -
      Van 90 ton          van meer dan              Met         Met
      en minder.             90 ton.           inrichting  vaste buiten
          -                    -                tegen de     de romp
    Minder  2m50                               golfslag.   uitstekende
     dan    breed       Met        Zonder                    schroef.
    2m50     en     machtiging.  machtiging.
    breed.  meer.
      -      -          -            -            -             -
     200     150     100 (b)       70 (b)       100 (b)      70 (b)
  (b) Overeenkomstig het algemeen reglement, vervangt het maximum van
      7 kilometer per uur elk minder gunstig maximum voor de afvarende
      vaartuigen.


  Art. 7.5. In afwijking van het algemeen reglement, mogen de sleeptreinen, tussen de Walpoortbrug en de Marcellisbrug, te Gent, slechts uit twee vaartuigen bestaan, de sleepboot niet inbegrepen.
  Art. 17.6. In de doortochten van Gent en Oudenaarde zijn alle vaartuigen, de sleepboten inbegrepen, verplicht uitsluitend door middel van de mondhoorn :
  1° Te waarschuwen wanneer zij de bruggen, sluizen, openbare veren en plaatsen waar de vaartuigen moeten stoppen, naderen;
  2° Bij mistig weder ten minste om de vijf minuten hun aanwezigheid aan te kondigen.
  Art. 17.7. <KB 25-09-1957, art. 7> De vaartuigen kunnen te Péronnes, Antoing, Doornik, Kain en Gent gemeten worden.
  Art. 17.8. <KB 06-11-1954, art. 1> De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluizen te Antoing, te Kain, te Oudenaarde, te Asper en te Gentbrugge.
  Art. 17.9. Het algemeen reglement en het tegenwoordig reglement zijn van kracht voor de afleidingen of ontlastingskanalen van Antoing en voor die genaamd Burgtschelde en Grachtschelde, te Oudenaarde, voor de afleiding der oude vestingen van Oudenaarde en de afleiding van de oude stuw van Semmerzake; voor de afvloeiingskanalen van Zingem naar Eke, Zwarte Coppensbeek, van Melsen en van Zwijnaarde; voor de Oosterarm der afleiding van het Strop, voor de stuwen der Braamgaten en de Scheldearm genaamd Reep en Neerschelde, te Gent; voor de Visserijvaart en de vertakking De Pauw.
  Art. 18. KANALEN VAN DE LIJN LUIK-ANTWERPEN EN VERTAKKINGEN.
  Wordt door de Dienst der scheepvaart geëxploiteerd, overeenkomstig de wet van 13 Augustus 1928 en zijn aan dit reglement onderworpen :
  1° Het Albertkanaal, dat zich over een lengte van 129.577 kilometer uitstrekt van afstandspunt 113,699 van de Maas, te Luik, tot aan en met inbegrip van de westelijke frontmuren der landhoofden van de Albertbrug, aan de ingang van het Lefèbvredok te Antwerpen;
  2° Het kanaal van Monsin, dat zich over een lengte van 708 meter uitstrekt van de kop van de wal stroomopwaarts de sluis van Monsin tot aan de samenloop met de Maas, op 530 meter stroomopwaarts de brug te Wandre;
  3° Het kanaal van Haccourt naar Wezet, dat zich over een lengte van 866 meter uitstrekt van afstandspunt 11,536 van het Albertkanaal tot aan afstandspunt 126,190 van de Maas;
  4° Het Belgisch gedeelte van het kanaal van Ternaaien naar Maastricht, dat zich over een lengte van 2,203 meter uitstrekt van afstandspunt 16,954 van het Albertkanaal tot aan de Nederlandse grens te Klein-Ternaaien;
  5° Het kanaal van Briegden naar Neerharen, dat zich over een lengte van 4,862 meter uitstrekt van afstandspunt 27,692 van het Albertkanaal tot aan afstandspunt 3,305 van de Zuidwillemsvaart;
  6° Het Belgisch gedeelte van de Zuidwillemsvaart, dat zich over een lengte van 43,518 meter uitstrekt van een punt der Nederlandse grens, stroomopwaarts de brug van Smeermaas, bij Lanaken, tot aan een ander punt van dezelfde grens, stroomafwaarts de sluis te Lozen, bij Bocholt;
  7° Het kanaal van Bocholt naar Herentals, dat zich over een lengte van 57,359 meter uitstrekt van afstandspunt 38,645 van de Zuidwillemsvaart tot aan afstandspunt 99,487 van het Albertkanaal;
  8° Het kanaal van Beverlo, dat zich over een lengte van 14,800 meter uitstrekt van afstandspunt 26,625 van het kanaal van Bocholt naar Herentals tot aan het boveneinde van het dok van het kamp te Beverlo;
  9° Het kanaal van Dessel naar Kwaadmechelen, dat zich over een lengte van 15,785 meter uitstrekt van afstandspunt 31,132 van het kanaal van Bocholt naar Herentals tot aan afstandspunt 75,158 van het Albertkanaal;
  10° Het kanaal van Dessel naar Schoten, over Turnhout, dat zich over een lengte van 63,312 meter uitstrekt van afstandspunt 31,132 van het kanaal van Bocholt naar Herentals tot aan afstandspunt 122,808 van het Albertkanaal.
  Art. 18.1. (§ 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement zijn de volgende :

    Scheepvaartwegen    Bruikbare       Breedte     Vrije        Diepgang.
       en vakken.        lengte           der       hoogte.
                           der          vaargeul.
                        sluizen.
          -                -               -          -             -
  Albertkanaal :
   1. Tussen de         (sluis te       (brug van   (brug van
  oorsprong ervan in    Monsin)         Zutendaal)  Zutendaal)
  de Maas en de kom      136,00 m         14,00 m      6,50 m       2,80 m
  stroomopwaarts van
  de sluit te Genk.
   2. Tussen de kom     1 schutkolk        7,50 m
  stroomopwaarts de     van 55,00 m en
  sluis van Genk en     2 schutkolken     16,00 m
  de kom,               van 136,00 m
  stroomafwaarts        (sluizen van    (brug van   (spoorbrug
  van de sluis te       Genk,           Genk)       te Genk)
  Hasselt.              Diepenbeek,                    6,90 m       2,80 m
                        Hasselt)
   3. Tussen de kom                     (brug te    (brug te
  stroomafwaarts van                    Beringen)   Beringen I)
  de sluis te Hasselt       -             13,40 m      6,37 m       2,80 m
  en de kom
  stroomopwaarts
  te Kwaadmechelen.
   4. Tussen de kom     1 schutkolk        7,50 m      8,00 m       2,80 m
  stroomopwaarts en     van 55,00 m en
  de kom                2 schutkolken     16,00 m
  stroomafwaarts        van 136,00 m
  van de sluis te       (sluis te                   (brug over
  Kwaadmechelen.        Kwaadmechelen)              de sluis)
   5. Tussen de kom     1 schutkolk        7,50 m      6,35 m       2,80 m
  stroomafwaarts van    van 55,00 m en
  de sluis te           2 schutkolken     12,50 m
  Kwaadmechelen en      van 136,00 m
  de kom                (sluis te       (Brug te    (brug te
  stroomafwaarts van    Olem)           Eindhout)   Geel-
  de sluis te Olen.                                 Stelen)
   6. Tussen de kom     1 schutkolk        6,80 m      5,25 m       2,30 m
  stroomafwaarts van    van 55,00 m en              (brug over
  de sluis te Olen en                               de kleine
  de kom te Wijnegem.                               schutkolk)
                        2 schutkolken     12,00 m      6,55 m       2,80 m
                        van 136,00 m
                        (sluis te       (brug te    (brug te
                        Wijnegem)       Grobben-    Grobben-
                                        donk)       donk)
   7. Tussen de kom                     (brug te    (brug te
  te Wijnegem en het                    Merksem)    Merksem)
  Straatsburgdok.           -             14,00 m      6,70 m       2,80 m
   8. Samenloop van         -             26,00 m       -           2,80 m
  het Straatsburgdok
  en de Asia- en
  Lefebvredokken.
   9. Opendok van de        -             26,00 m       -           2,80 m
  N.V. "Kolenhaven
  van Genk".
   10. Opendok te           -               -          5,40 m       2,40 m
  Hasselt.
   11. Opendok van          -             26,00 m      6,35 m       2,80 m
  de N.V. "der
  Kolenmijnen van
  van Helchteren en
  Zolder".
   12. Opendok van          -             26,00 m      6,35 m       2,50 m
  de N.V. der
  Kolenmijnen van
  Beringen.
   13. Dok te Merksem.      -              7,00 m      7,00 m       2,30 m
  Kanaal van Monsin.    (sluis te                   (brug te        (2,80 m)
                        Monsin)                     Milsaucy)         (d)
                         136,00 m         16,00 m     10,60 m       2,10 m
  Kanaal van            (sluis te
  Ternaaien naar        Ternaaien)
  Maastricht              55,00 m          7,50 m      4,65 m       2,10 m
  (Belgisch gedeelte)                                   (b)
  (a)  
  Kanaal van Haccourt   (sluis te                   (brug over      (2,40 m)
  naar Wezet.           Wezet)                      de sluis)
                          55,00 m          7,50 m      6,50 m       2,10 m
                                                        (c)
  Kanaal van Briedgen   (sluizen te                 (brug te        (2,50 m)
  naar Neerharen.       Lanaken                     Tourne-           tot
                        Neerharen                   bride)          8,00 m
                                                                    van de
                                                                    oevers)
                          55,00 m          7,50 m      6,15 m       2,10 m
  Zuidwillemsvaart
  (Belgisch gedeelte)
  (a) :
   1. Tussen de grens                   (brug te    (brug te        (2,50 m)
  te Smeermaas en de                    Neerharen)  Boorsem)
  brug te Eisden I.         -              9,45 m      5,25 m       2,10 m
                                                        (b)
   2. Tussen de brug                    (brug te    (brug te        (2,50 m)
  te Eisden I en de                     Eisden II)  Bocholt-
  samenloop te                                      Dorp)
  Bocholt, met het          -              9,15 m      4,55 m       2,10 m
  kanaal van Bocholt
  naar Herentals.
   3. Tussen              50,00 m          7,00 m       -           1,90 m
  bovenvermelde                                                     (2,00 m
  samenloop en de                                                   enkel
  grens te Lozen.                                                   voor de
                                                                    vaartui-
                                                                    gen met
                                                                    5 m
                                                                    breedte
                                                                    of
                                                                    minder)
  Vroegere vertakkingen
  van de Zuidwillemsvaart
  welke voor de scheepvaart
  openstaan :
   1. Neeroeteren-Berg      -             10,00 m      4,20 m       1,90 m
                                                                    (2,10 m)
   2. Geisteren             -             10,00 m      4,25 m       1,90 m
                                                                    (2,10 m)
   3. Beek (Bocholt)        -             10,00 m      4,30 m       1,90 m
                                                                    (2,10 m)
  Kanal van Bocholt
  naar Herentals :
   1. Tussen de                         (brug te    (brug te        (2,50 m)
  oorsprong er van                      Neerpelt    Sint-
  en afstandspunt                       I)          Huis-
  punt 10.700                                       brechts-
                                                    Lille II)
                            -             13,70 m      5,54 m       2,10 m
   2. Tussen                                        (spoorbrug      (2,50 m)
  afstandspunt 10.700                                   te
  en de kom te                                      Neerpelt)
  Neerpelt.                 -               -          5,75 m       2,10 m
   3. Tussen de kom te                  (brug te    (brug te        (2,50 m)
  Neerpelt en de kom                    Lommel I)   Neerpelt
  van Blauwe-Kei.                                   II)
                            -              8,90 m      5,34 m       2,10 m
   4. Tussen de kom       55,00 m          7,50 m      5,00 m       2,10 m
  van de Blauwe Kei     (sluizen nrs.   (sluizen    (brug te        (2,50 m)
  en de Zwaaikom van    1N, 2N, 3N)     nrs. 1N,    Mol-Maat,       (sluizen
  sluis nr. 4, te                       2N, 3N)     Noorde-         nrs. 1N,
  Dessel.                                           lijke           2N, 3N)
                                                    spanning)
                          50,00 m          7,00 m      5,00 m       2,00 m
                        (sluizen nrs.   (sluizen    (brug te        (sluizen
                        1A, 2A, 3A)     nrs. 1A,    Mol-Maat,       nrs 1A,
                                        2A, 3A)     zuidelijke      2A, 3A)
                                                    spanning)
   5. Tussen                                        (brug te        (2,50 m)
  bovenvermelde                                     Mol-Donk)
  Zwaaikom en de          50,00 m          7,00 m      5,25 m       2,10 m
  brug te
  Olen-Sint-Jozef.
   6. Tussen de brug                                (brug te        (2,50 m)
  te Olen-Sint-Jozef                                Herentals-
  en de samenloop met                               Geel)
  het Albertkanaal.       55,00 m          7,50 m      5,10 m       2,10 m
  Kanaal van Dessel                     (brug te    (brug nr.
  naar Kwaadmechelen.                   Balen-      7, Olmen)
                                        Hulst)
                            -              8,05 m      4,50 m       1,90 m
  Kanaal van Dessel
  naar Schoten over
  Turnhout.
   1. Tussen de                         (bruggen    (brug nr.       (2,10 m)
  oorsprong ervan en                    nrs. 4 en   0 te
  de brug nr 1 te                       6 te        Dessel)
  Yurnhout.                             Arendonk)
                            -              7,76 m      5,30 m       1,90 m
   2. Tussen de brug                                (voetbrug)      (2,10 m)
  n 1 te Turnhout en      50,00 m          7,00 m      5,32 m       1,90 m
  de kom,
  stroomopwaarts van
  de sluis nr 10 te
  Schoten.
   3. Tussen de           55,00 m          7,50 m      5,50 m       1,90 m
  bovenvermelde kom                                 (brug over      (2,10 m)
  en het einde van                                  de sluis)
  het kanaal.
  Kanaal van
  Beverlo :
   1. Vanaf de              -              8,00 m      4,25 m       2,30 m
  oorsprong er van                      (private    (spoorbrug
  aan afstansdpunt                      brug van    te Balen-
  26.625 van het                        Vieille     Wezel)
  kanaal van Bocholt                    Montagne)
  naar Herentals tot
  de haven van
  Vieille-Montagne.
   2. Vanaf de haven                    (brug te    (brug te
  van Vieille-Montagne                  Kerkhoven)  Kerkhoven)
  tot het einde van         -              9,10 m      4,10 m       1,90 m
  het kanaal.
       
  N.B. 1. Het streepje duidt aan dat geen kunstwerk de afmeting beperkt.
   2. Alle tussen haakjes vermelde diepgangen zijn slechts bij wijze van
  tolerantie toegelaten. De schippers die er gebruik van maken, varen op
  eigen risico en gevaar.
  (a) Op de Nederlandse gedeelten van de Zuidwillemsvaart en van het kanaal
      van Ternaaien naar Maastricht en in de doorvaart van de stad
      Maastricht, hebben de sluizen een breedte van 7 meter en een
      bruikbare lengte van 50 meter; de beweegbare bruggen hebben een
      breedte van 7 meter.
  (b) De geringste vrije hoogte onder de bruggen over de kanalen in de
      doorvaart van Maastricht bedraagt 4,50 m.
  (c) Deze hoogte vermindert naar gelang de omvang van de was der Maas.
  (d) Deze diepgang van (2,80 m) verminderd wanneer het waterpeil van de
      Maas beneden de stuw van Monsin onder het peil (55,00) daalt.
      <KB 08-10-1974, art. 1>


  § 2. Zolang de werken tot herbouwen van het Albertkanaal, tot het verbeteren van de kanalen en het herbouwen van de bruggen niet geëindigd zijn, zullen de aanduidingen, opgegeven in de bovenstaande tabel, herhaalde malen worden gewijzigd.
  Deze wijzigingen zullen aanleiding geven tot besluit of bekendmakingen.
  Ze worden regelmatig door aanplakking ter kennis van de gebruikers gebracht.) <KB 17-10-1956, art. 18>
  Art. 18.2. In afwijking van het algemeen reglement, worden de maximumafmetingen van de vartuigen, vastgesteld als volgt :
  1° Op het Albertkanaal en het kanaal van Monsin :
  Lengte (met inbegrip van het roer) : 100 m; breedte : 11 m.
  2° Op de andere kanalen (met uitzondering der vertakkingen van de Zuidwillemsvaart) :
  Lengte (met inbegrip van het roer) : 50 m; breedte : 6m60.
  Art. 18.3. Het formeren, het stilliggen en het varen van houtvlotten zijn verboden.
  Art. 18.4. De dienstregeling van de scheepvaart wordt, door bijzondere bekendmakingen, ter kennis van de belanghebbenden gebracht. Zij wordt op de belangrijkste kunstwerken aangeplakt.
  Art. 18.5. § 1. In principe, is het jagen op beide oevers toegelaten.
  In afwijking van het algemeen reglement is geen machtiging vereist voor het jagen met paarden.
  § 2. Vaartuigen mogen slechts door personen worden voortgetrokken :
  1° Op de rechteroever van het Albertkanaal :
  a) tussen de oorsprong er van en de sluis te Monsin;
  b) tussen de brug te Kuringen en de samenloop met het kanaal van Dessel naar Kwaadmechelen, in deze gemeente;
  2° Op de linkeroever van het Albertkanaal, tussen de sluis te Kwaadmechelen en de sluis te Wijnegem;
  3° Op de linkeroever van de Zuidwillemsvaart, tussen de grens te Smeermaas en de kom te Hocht.
  § 3. Daar talrijke werken langs sommige kanalen worden uitgevoerd, is het jagen met paarden of tractors tijdelijk verboden op één van beide oevers. Van deze wijzigingen krijgen de schippers kennis door middel van bekendmakingen.
  Art. 18.6. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van het algemeen reglement betreffende het jagen, wordt de rechteroever van de kanalen als jaagoever beschouwd, uitgezonderd voor de hierna opgesomde vakken, waarvan de linkeroever als jaagoever wordt beschouwd :
  1° Het Albertkanaal :
  a) tussen de oorsprong er van en de brug te Wandre;
  b) tussen de brug te Ternaaien en de sluis te Genk;
  c) tussen de brug te Kuringen en de sluis te Kwaadmechelen;
  2° Het kanaal van Briegden naar Neerharen;
  3° De Zuidwillemsvaart, tussen de sluis te Lozen en de grens.
  § 2. De schippers die hun vaartuigen laten jagen op de oever, tegenover die welke als jaagoever is erkend, kunnen geen verplaatsing eisen van de vaartuigen welke in wijkplaatsen en kommen geladen of gelost worden, noch onderbreking van de werkzaamheden.
  Art. 18.7. In afwijking van het algemeen reglement kunnen de eigenaars van vaartuigen, welke voor een geregeld vervoer van goederen worden gebruikt, slechts voor één schip per dag in de ene en de andere richting voorrang tot doorvaart van de kunstwerken bekomen.
  Art. 18.8. § 1. Op het kanaal van Beverlo, wordt in het vak tussen de kom "Blauwe Kei" genoemd en het uiteinde (naar het kamp van Beverlo toe), van de haven der werkhuizen van de N.V. "Vieille-Montagne", te Balen-Werkhuizen, de vaart der schepen geregeld als volgt.
  § 2. De geladen vaartuigen die ten hoogste 5 m 05 breed zijn en alle ledige vaartuigen, mogen in alle richtingen varen.
  § 3. De geladen schepen, die meer dan 5 m 05 breed zijn, varen in een enkele richting, op de hiernavermelde wijze :
  Bij het vertrek uit de werkhuizen zet het eerste konvooi vaart op het reglementair uur van de opening der scheepvaart, de volgende konvooien om de vier uur.
  Bij het vertrek uit de kom zet het eerste konvooi vaart twee uur na het reglementair uur van de opening der scheepvaart, de volgende konvooien om de vier uur.
  Geen enkel geladen schip dat meer dan 5 m 05 breed is mag het vak nog binnenvaren na het officieel vertrekuur.
  De tabellen, met opgaaf van de vertrekuren in beide richtingen, zijn aangeplakt op de werkhuizen van de "Vieille-Montagne" en in de inlichtingsbureau's, opgericht langs de door de Dienst der Scheepvaart geëxploiteerde waterwegen.
  Art. 18.9. § 1. De sluizen en beweegbare bruggen, welke electromechanisch of hydro-electrisch bediend worden, zijn bij dag en bij nacht met rode en groene lichten gesignaleerd.
  De sluizen en de beweegbare bruggen, die met de handen worden bediend, zijn bij nacht, bij schemering en bij mistig weder met rode en groene lichten gesignaleerd; bij dag, door schijven met een doorsnede van 60 cm, met een rood en een wit vlak met zwarte rand.
  § 2. De sluisseinen zijn op het boven- en op het benedenhoofd van de sluis geplaatst. De seinlichten der sluizen welke met de handen worden bediend, zijn op ieder der boven- en der benedenhoofden van de sluis geplaatst.
  De schijven aan de bruggen en de lichten aan de bruggen, welke met de handen worden bediend, zijn op een der landhoofden van de brug geplaatst; de lichten aan de bruggen, welke electro-mechanisch worden bediend, zijn op een der retourmuren van de brug geplaatst.
  § 3. Het rood licht of het rood vlak van de schijf duidt aan dat het verboden is de sluis in te varen of onder de brug door te varen; het rood-groen licht of het zijvlak van de schijf (met andere woorden de schijf parallel met de as van het kanaal) duidt aan dat de binnenvaart of de doorvaart weldra vrij is; het groen licht of het wit vlak van de schijf duidt aan dat de invaart of de doorvaart vrij is.
  Art. 18.10. § 1. Benevens de lichten, op de sluishoofden geplaatst, zijn aan de sluizen van het Albertkanaal, te Genk, te Diepenbeek, te Hasselt, te Kwaadmechelen, te Olen en te Wijnegem, vooruitgeschoven lichten aangebracht, waarbij de invaart van de geulen naar de kleine schutkolk op de linkeroever wordt geregeld.
  Deze vooruitgeschoven lichten zijn aan het uiteinde van de veiligheidsstaketsels tot afbakening van de geulen geplaatst. Zij bestaan uit dubbele pijlen in de vorm van het Sint-Andrieskruis met groen licht waarvan de punten naar beneden wijzen.
  § 2. Behoudens tegenovergestelde aanwijzingen vanwege de sluismeester of dezes afgevaardigde, is de kleine schutkolk van iedere sluis voorbehouden aan de motorvaartuigen, aan de vaartuigen met opduwer, aan de alleenvarende sleepboten en aan die, welke samen met de vaartuigen die zij slepen kunnen geschut worden.
  § 3. Het groen licht van een pijl duidt aan dat al deze vaartuigen verplicht zijn de geul te gebruiken, door het punt van de verlichte pijl aangewezen.
  Art. 18.11. § 1. De voorlopige vaste bruggen hebben slechts één of twee vaargeulen. Het is strikt verboden door de niet bevaarbare geulen te varen. Elk dezer geulen is aangeduid door een rode rechthoekige plaat, opgehangen boven het midden van de opening er van.
  § 2. Palen voor het voorbijvaren geplaatst op de ene oever, 500 m stroomopwaarts en stroomafwaarts de brug, en stoppalen op dezelfde oever, 50 m stroomopwaarts en stroomafwaarts de brug aangebracht, regelen de invaart in de vaargeulen.
  § 3. Wanneer onder een brug slechts één vaargeul bestaat, vormt deze, wat betreft de toepassing van het algemeen reglement, een vernauwde vaargeul.
  Wanneer onder een brug twee vaargeulen bestaan, moeten de vaartuigen door de rechtse (stuurboord) varen.
  Wanneer de vaartuigen door uitzonderlijke omstandigheden (wind, gejaagde vaartuigen, enz.) genoodzaakt worden af te wijken van de regel in het vorig lid bepaald, moet de schipper, alvorens hij op de vaargeul aanstuurt, bijtijds zijn voornemen te kennen geven door twee korte geluidseinen, desnoods herhaald, zich er van vergewissen dat de weg vrij is en een blauwe vlag met een centraal wit vierkant hijsen.
  Art. 18.12. De veren zijn aangeduid door 2 m hoge palen, wit en blauw gestreept, welke op de oevers, 250 m stroomopwaarts en stroomafwaarts zijn geplaatst.
  Art. 18.13. De afstanden van 100 m en van 50 m door het algemeen reglement opgelegd, wat betreft de volledige stilstand voor de beweegbare bruggen en de sluizen, kunnen vermeerderd of verminderd worden, indien particulariteiten, zoals de configuratie der plaats of de inrichting der kunstwerken, zulks eisen. In dat geval zijn stoppalen op de in acht te nemen bijzondere afstanden geplaatst. De vaartuigen mogen niet verder varen dan deze palen, wanneer zulks hun door de sluismeester of de brugwachter niet werd toegestaan.
  Art. 18.14. Wanneer verschillende vaartuigen boord aan boord een sluis invaren, mag hun globale breedte, tijdens de ganse duur van de schutting niet groter zijn dan :
  1° 15 m 30 in de schutkolken van 136 m X 16 m;
  2° 7 m 30 in de schutkolken van 55 m X 7 m 50;
  3° 6 m 80 in de schutkolken van 55 m X 7 m.
  Alvorens zijn vaartuig in de sluis naast één of meer vaartuigen te plaatsen, welke er reeds stilliggen, moet de schipper er voor zorgen dat hij daardoor geen inbreuk maakt op het voorschrift van vorig lid. Voor een eventuele inbreuk, is hij de enige verantwoordelijke.
  Art. 18.15. In het bovengedeelte van de schutkolk der sluis moeten de vaartuigen zo gemeerd worden dat zij de grens niet overschrijden die door verticale rode en witte strokken op de zijmuren is aangegeven.
  Wanneer twee boord aan boord liggende vaartuigen de breedte van de sluis innemen, wordt ieder vaartuig gemeerd aan de meertoestellen van de naastliggende zijmuur.
  In de sluizen met 4 m 50 cm verval en meer moet een lid der bemanning tijdens gans de duur der operaties tot vulling of tot lediging van de schutkolk toezien bij ieder der twee punten van het vaartuig waar het wordt vastgelegd, zoals voor het meren aan de toestellen van de sluis in het algemeen reglement is voorgeschreven.
  In de sluizen met minder dan 4 m 50 cm verval is het voldoende dat één persoon zich in de nabijheid bevindt van het een of ander punt tot vastlegging van het vaartuig.
  Art. 18.16. De tabellen met opgaaf van de uren van bediening der kunstwerken worden ter kennis gebracht van de gebruikers door middel van bijzondere bekendmakingen. Zij worden aangeplakt op de belangrijkste kunstwerken in de waterwegen welke de Dienst der scheepvaart exploiteert.
  Art. 18.17. De electrische kaapstanders moeten verplicht worden gebruikt :
  1° Aan de sluizen te Ternaaien, Lanaken, Neerharen en Herentals voor alle vaartuigen die niet mechanisch worden voortgestuwd;
  2° Aan de grote schutkolken der sluizen te Genk, Diepenbeek, Hasselt, Kwaadmechelen en Olen op het Albertkanaal, voor alle niet gesleepte, noch mechnisch voortgestuwde alleenvarende vaartuigen.
  Aan de sluizen waar de kabel door de Dienst der scheepvaart wordt verschaft, moeten de schippers die de kaapstander gebruiken, de kabels op het platform van de sluis nemen. Aan de andere sluizen moeten zij aan de aangestelde een kabel verschaffen welke in goede staat, lang en sterk genoeg is.
  Art. 18.18. § 1. De maximumsnelheid van de motorvaartuigen is de volgende (uitgedrukt in meter, per minuut en met betrekking tot de oever) :
  1° Op het kanaal van Beverlo en op het kanaal van Dessel naar Kwaadmechelen : die bepaald in het algemeen reglement;
  2° Op het Albertkanaal :
  a) voor gesleepte vaartuigen ....................................... 150
  b) voor vaartuigen van 1 m diepgang of minder ...................... 250
  c) voor vaartuigen van 1 m 01 tot 2 m diepgang ..................... 200
  d) voor vaartuigen van 2 m 01 tot 2 m 50 diepgang .................. 167
  e) voor vaartuigen van meer dan 2 m 50 diepgang .................... 133
  3° Op de andere kanalen, welke aan dit reglement zijn onderworpen :
  a) voor de vaartuigen welke van de tolerantie inzake maximum-diepgang gebruik maken en waarop geen toestel tegen de golfslag is aangebracht .......................... 100
  b) voor de vaartuigen welke van deze tolerantie gebruik maken en waarop een toestel tegen de golfslag is aangebracht ................................................ 120
  c) voor de vaartuigen welke van deze tolerantie geen gebruik maken ... 120
  Deze laatste snelheid kan op 180 m worden gebracht door een machtiging van de directeur-generaal van de Dienst der scheepvaart, welke afgeleverd wordt op dezelfde wijze als de soortgelijke machtiging, bedoeld in het algemeen reglement.
  § 2. Buiten de bijzondere gevallen in het algemeen reglement bepaald, moet de maximumsnelheid verminderd worden in de mate die voor de veiligheid der scheepvaart is vereist :
  1° bij het kruisen of het voorbijgaan van varende of stilligende vaartuigen;
  2° bij het doorvaren van de kunstwerken;
  3° bij nacht, bij schemering of bij mistig weer.
  Bovendien moet de maximumsnelheid steeds zodanig verminderd worden, dat de vaartuigen in het voorbijvaren in kalm water geen golvingen tegen de oevers veroorzaken die meer dan 0 m 40 boven de waterstand opslaan.
  Art. 18.19. <KB 25-09-1957, art. 8> De vaartuigen kunnen worden gemeten in al de kommen, gelegen langs de door de Dienst der Scheepvaart beheerde kanalen.
  Art. 18.20. <KB 23-03-1953, art. 1> (§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikelen 22 en 22bis van dit reglement, worden de scheepvaartrechten vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van titel II, hoofdstuk II, van het algemeen reglement.
  § 2. In afwijking van artikel 79, § 3, van het algemeen reglement worden de af te leggen afstanden uitsluitend berekend volgens de afstandstafels behorende bij het reglement van politie en scheepvaart voor de waterwegen onder beheer van de Staat.
  Onderdelen van een kilometer worden, wanneer zij meer dan 500 m bedragen voor één kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
  Het voor de geregelde goederenvervoerdiensten en daarmede gelijkgestelde diensten te betalen recht wordt eveneens volgens de werkelijk af te leggen afstand berekend.) <KB 05-05-1975, art. 4>
  § 3. De vaartuigen die komen van of aansturen op een haven welke aan de Maas is gelegen, en hierbij zowel het kanaal van Monsin als het gedeelte van het Albertkanaal tussen de oorsprong in de Maas en de sluizen te Monsin bevaren, betalen voor de ganse afstand de scheepvaartrechten, zoals zij op de scheepvaartwegen onder beheer van de Staat worden toegepast.
  Hetzelfde geldt voor de vaartuigen die komen van of aansturen op een punt gelegen hetzij aan het kanaal van Monsin, hetzij aan het gedeelte van het Albertkanaal tussen de oorsprong in de Maas en de sluis te Monsin, en die naar de Maas toevaren of van daar zijn vertrokken.
  De sommen welke voortkomen uit de rechten in deze paragraaf bepaald, worden aan de Staat toegewezen.
  Art. 18.21. <KB 19-10-1964, art. 1> De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd :
  (1° op het Albertkanaal :
  aan de sluizen te Genk, te Kwaadmechelen, te Olen en te Wijnegem;) <KB 05-10-1978, art. 1>
  2° op het kanaal van Bocholt naar Herentals : aan de sluis nr. 4 te Dessel.
  De controleposten zijn gevestigd :
  1° op het Albertkanaal : aan de sluizen te Genk, te Kwaadmechelen en te Wijnegem;
  2° op de andere kanalen : aan de sluizen te Ternaaien, Wezet (kanaal Haccourt-Wezet) en Neerharen, aan de tolkaai te Smeermaas, aan de sluizen te Bocholt (nr. 18), Lommel (nr. 1) en Herentals (nr. 10), aan de brug te Turnhout (nr. 1), aan de sluizen te Rijkevorsel (nr. 1) en Schoten (nr. 10).
  Art. 18.22. <KB 23-03-1953, art. 3> § 1. In afwijking van artikel 87 van het algemeen reglement geschiedt de heffing van de scheepvaartrechten, bepaald in artikel 20, § 1, van dit bijzonder reglement, overeenkomstig de volgende bepalingen.
  § 2. Alle afstanden, tijdens een zelfde reis afgelegd op het door de Dienst der Scheepvaart geëxploiteerde net, worden beschouwd als zijnde geschied op een enkele waterweg. De schippers moeten de daarmee gepaard gaande scheepvaartrechten ineens betalen.
  § 3. Indien aan het vertrekpunt van een reis een ontvangstkantoor is gevestigd moet de schipper ze de rechten betalen voor hij zijn vaartuig in beweging brengt.
  Indien aan het vertrekpunt slechts een contrôlepost bestaat, moet de schipper zich een machtiging tot varen aanschaffen, die hij in regel dient te laten brengen in het eerste ontvangstkantoor. Indien echter geen ontangstkantoor langs de af te leggenweg gevestigd is, dan worden de rechten op de contrôlepost zelf geïnd.
  Indien aan het vertrekpunt noch een ontvangstkantoor, noch een contrôlepost is gevestigd, doch een dezer langs de af te leggen weg is opgericht, mag de schipper varen en zijn toestand regelen op de eerste post of het eerste kantoor waar hij voorbijkomt.
  Indien noch aan het vertrekpunt noch langs de af te leggen weg een ontvangstkantoor of een contrôlepost is gevestigd, moet de schipper, vooraleer hij zijn vaartuig in beweging brengt, ofwel de rechten betalen op het kantoor of de post, het dichtst bij het vertrekpunt gelegen, ofwel bij de bevoegde wachter van de Dienst der Scheepvaart zich een machtiging tot varen aanschaffen, die hij op de eerste post of het eerste kantoor waar hij bij de eerstvolgende reis voorbijvaart of op de eerste vordering van een agent, belast met de ontvangst of de contrôle, in regel dient te laten brengen.
  § 4. De post of het kantoor waar de schipper scheepvaartrechten betaalt, overhandigt hem hetzij een kwitantie voor de geladen schepen, hetzij een vaarverlof voor de ledige schepen. Bij voorkomend geval regulariseert de post of het kantoor de machtiging tot varen en legt de schipper zijn machtiging tot varen ter regulatisatie over.
  De kwitantie of het vaarverlof moet met de meetbrief van het schip op elke vordering van het toezichtspersoneel der waterwegen en op het ontvangstkantoor of de contrôlepost waar de schepen voorbijvaren, worden overgelegd. Indien het een geladen schip betreft, zal de schipper terzelfdertijd het cognossement overleggen.
  Indien te veel geïnd werd en het verschil meer dan 10 frank bedraagt, mag de rechthebbende eigenaar of schipper er de terugbetaling van vragen door bij de directie van de Dienst der Scheepvaart een aanvraag tot terugbetaling in te dienen, vergezeld van de kwitantie of van het vaarverlof. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en een duplicaat van kwitantie of vaarverlof wordt hem terzelfdertijd toegezonden.
  § 5. Indien gedurende de reis één of meer lossingen zijn voorzien, legt de schipper voor iedere partij die wordt gelost op het ontvangstkantoor een bijzonder cognossement voor.
  Het staat hem echter vrij iedere afstand tussen de onderscheiden vertrekpunten en losplaatsen als afzonderlijke reis te beschouwen.
  Geschieden onderweg gedeeltelijke ladingen, dan dienen de afstanden tussen de verschillende ladingsplaatsen en de plaats van bestemming als afzonderlijke reizen beschouwd.
  Art. 18.22bis. <KB 28-04-1981, art. 5> De in de artikels 84, 85 en 86 van het algemeen reglement bedoelde rechten worden als volgt betaald :
  Het recht van 5 pct. op de bruto-ontvangst wordt betaald op de wijze zoals in artikel 84, § 2, van het algemeen reglement is bepaald. De betaling geschiedt echter op de postcheckrekening van de Dienst voor de Scheepvaart of van de "Office de la Navigation" naargelang de reis geheel of gedeeltelijk geschiedt op de scheepvaartwegen waarvan het onderhoud en de exploitatie is opgedragen aan elk der genoemde diensten.
  In afwijking van artikel 84, § 3, vierde lid, van het algemeen reglement wordt het recht van 1,50 frank per persoon en per 10 km betaald zoals in artikel 22 van dit bijzonder reglement is bepaald.
  Art. 18.23. Het verkeer van motorfietsen en motorrijwielen is verboden :
  1° op de jaagpaden, zoals zij zijn bepaald in artikel 7, § 1, van dit reglement;
  2° op de volgende tegenjaagpaden :
  a) op de linkeroever van het Albertkanaal, tussen de brug te Herentals-Herenthout en de sluis te Wijnegem;
  b) op de rechteroever van het Albertkanaal, tussen de sluis te Ternaaien en de brug te Briegden;
  c) op de rechteroever van het kanaal van Briedgen naar Neerharen.
  Dit verbod is niet van toepassing op de motorfietsen, evenmin als op de motorrijwielen welke door de ambtenaren en de agenten van het Bestuur van bruggen en wegen en door het personeel van de Dienst der Scheepvaart worden gebruikt.
  Machtigingen kunnen door de Dienst worden verleend ten behoeve der schipperij.
  Art. 18.24. De politie der scheepvaart wordt door de Dienst der Scheepvaart waargenomen op alle waterwegen die onder toepassing vallen van dit reglement, uitgezonderd op het toegangskanaal naar Monsin en op het gedeelte van het Albertkanaal tussen de oorsprong in de Maas en de sluis te Monsin; waar zij in handen is van deze Dienst en de Bijzondere Dienst der Luikse Maas.
  Art. 18.25. De macht, aan de Minister van Openbare Werken verleend door het algemeen reglement betreffende de politie en de scheepvaart, berust bij de raad van beheer van de Dienst der scheepvaart en de bevoegdheden daarin toegekend aan de ambtenaren en agenten van bruggen en wegen worden uitgeoefend door die van de Dienst.
  De aan de raad van beheer toegekende macht kan aan de directeur-generaal van de Dienst worden overgedragen.
  De bevoegdheden welke, inzake politie der stoomtoestellen en politie van het vervoer, aan de ambtenaren en de agenten van bruggen en wegen zijn toegekend, kunnen door de beambten van de Dienst worden uitgeoefend.
  Sleepdienst in het Straatsburgdok, te Antwerpen.
  Art. 18.26. Voor iedere afstand die zij moeten afleggen tussen het Straatsburdok en het Asiadok of tussen het Straatsburgdok en het Lefèbvredok of tussen het Lefèbvredok en het Asiadok, zijn de vaartuigen zonder propeller verplicht zich te laten slepen door de sleepdienst welke de Dienst der scheepvaart heeft ingericht.
  De vaartuigen met opduwer of die door middel van een zijschroef worden voortbewogen, worden niet beschouwd als vaartuigen met propeller.
  Art. 18.27. De vaartuigen worden enkel tussen de ligplaatsen gesleept.
  Deze plaatsen worden bepaald :
  1° In het Lefèbvredok en in het Asiadok door de bevoegde dienst van de Antwerpse haven;
  2° In het Straatsburgdok, door de beambten van de Dienst der scheepvaart.
  Art. 18.28. <KB 30-06-1978, art. 1> De sleeprechten zijn vastgesteld als volgt :

          Tonnenmaat                                   Sleeprechten
              -                                             -
  Tot en met 100 ton                                       350 F
  Van   101 tot   200 ton                                  420 F
  Van   201 tot   400 ton                                  560 F
  Van   401 tot   600 ton                                  700 F
  Van   601 tot 1 000 ton                                  980 F
  Van 1 001 tot 1 500 ton                                1 260 F
  Van 1 501 tot 2 000 ton                                1 540 F
  Van 2 001 tot 3 000 ton                                1 820 F
  Van 3 001 tot 4 000 ton                                2 190 F
  Meer dan 4 000 ton                                     2 610 F


  (Bovenvermelde rechten zijn van toepassing voor de prestaties geleverd tussen 8 uur en 18 uur. Voor prestaties uitgevoerd voor 8 uur en na 18 uur worden deze rechten verhoogd met 25 pct.) <KB 27-09-1978, art. 1>
  Art. 18.29. De sleeprechten worden vooraf betaald in handen van de ontvanger der scheepvaartrechten of van dezes gemachtigde, behalve voor de vaartuigen die in het Lefèbvredok op sleeptouw worden genomen en waarvoor de schippers de rechten onmiddellijk bij hun aankomst in het Straatsburgdok of in het Asiadok betalen.
  De schippers hebben de verplichting het bewijs, dat zij bij de betaling der rechten ontvangen, op elk verzoek vanwege de beambten van de Dienst der scheepvaart te vertonen.
  Art. 18.30. Van de sleeprechten zijn vrijgesteld :
  1° De vaartuigen van het leger of die welke bij de verrichtingen er van en het vervoer er voor worden gebruikt, alsmede alle andere vaartuigen van de Staat welke de nationale vlag voeren;
  2° De vaartuigen bestemd voor de dienst der waterwegen en op het schriftelijk bevel van een agent van het bestuur in de vaart gebracht;
  3° De vaartuigen die door de ondernemers worden gebruikt, hetzij voor het uitvoeren van werken met het oog op het in-standhouden of het verbeteren der waterwegen, hetzij voor het vervoer in verband met deze werken, en in zover zij binnen de grenzen der aanneming varen;
  4° Het materieel dat de stad Antwerpen gebruikt voor de havendienst.
  Art. 18.31. De stuurlui van vaartuigen, met of zonder propeller, die door het Straatsburgdok komen, moeten zich op het bureau der scheepvaartrechten van de Dienst der scheepvaart en op het contrôlebureau van de havenrechten der stad Antwerpen aanmelden, onmiddellijk na hun aankomst in het Asiadok, die welke van het Lefèbvredok komen, voor hun vertrek uit het Asiadok, die welke naar het Lefèbvredok toe varen, en in alle andere gevallen, onmiddellijk na hun aankomst in Straatsburgdok.
  Art. 18.32. De doorvaart aan de Albertbrug en aan de Luikerbrug wordt gecontroleerd door middel van genummerde penningen die aan de schipper worden afgegeven, hetzij door de agenten van de Dienst der scheepvaart, belast met de bediening der bruggen, hetzij door de ontvanger der scheepvaartrechten.
  Art. 18.33. De straffen in het algemeen reglement vastgesteld ten opzichte van hen die inbreuk plegen op de bepalingen waarbij de inning der scheepvaartrechten is geregeld, zijn, in geval van overtreding, van toepassing wat betreft de bepalingen, waarbij de inning der sleeprechten wordt geregeld.
  Art. 19. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> KANAAL VAN LEUVEN NAAR DE DIJLE.
  Art. 19.1. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Het kanaal van Leuven naar de Dijle heeft zijn oorsprong te Leuven aan de westelijke kaaimuur van de Leuvense Kom. Het strekt zich uit, over een lengte van 30 043 meter, tot aan de denkbeeldige lijn die de afwaarts gelegen uiteinden van de kaaimuren van de toegangsgeul tot de Zennegatsluis te Mechelen met elkaar verbindt.
  Art. 19.2. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximumdiepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                    SLUIZEN
                                       -
   Bruikbare lengte   Bruikbare breedte   Vrije hoogte   Maximum diepgang
          -                   -                -                -
     52m00               7m75                6m00           2m30


  Art. 19.3. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De maximumsnelheid van de vaartuigen is vastgesteld op 6 km per uur.
  Art. 19.4. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Het is verboden de schroef van de vaartuigen te laten draaien op minder dan 4 meter van de oever.
  Art. 19.5. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De schippers moeten de ligplaatsen van hun vaartuigen derwijze kiezen dat deze, ten gevolge van eventuele schommelingen van het waterpeil, de bodem niet raken.
  Art. 19.6. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De vaartuigen die wegens hun afmetingen niet kunnen zwaaien zonder de oevers of de kunstwerken van het kanaal te raken zijn verplicht overstuur te varen of zich te begeven naar één van de zwaaikommen te Kampenhout of te (Wilsele) Leuven.
  Art. 19.7. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> § 1. Op het vlak van het kanaal gelegen afwaarts van de Zennegatsluis te Mechelen, dat onderhavig is aan tij, moet de schipper er zich van vergewissen dat de diepgang van zijn schip een volledige veilige vaart toelaat.
  § 2. Op het vlak bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel is de nachtvaart toegelaten.
  § 3. De regels in acht te nemen inzake lichten en seinen zijn die van scheepvaartreglement van de Beneden-Zeeschelde.
  Art. 19.8. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Zwemmen en baden is over de gehele lengte van het kanaal verboden.
  Art. 19.9. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Het jaagpad is op de linkeroever van het kanaal gelegen.
  Art. 19.10. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> Het ontvangstkantoor der scheepvaartrechten is gevestigd aan de Zennegatsluis te Mechelen.
  Art. 19.11. <Ingevoegd bij KB 24-12-1980, art. 1> De vaartuigen kunnen gemeten worden in het pand gelegen tussen de Battelsluis te Mechelen en de Zennegatsluis te Mechelen.
  Art. 20. LEIE. (Belgisch gedeelte).
  Het Belgisch gedeelte der Leie strekt zich uit van de Franse grens (Armentières), op een punt gelegen op 969 meter stroomopwaarts het bovenhoofd van de sluis te Houplines tot 443 meter stroomafwaarts het benedenhoofd van de Sint-Jorissluis, te Gent, waar zij overgaat in de vertakking van de Bovenschelde, genaamd Neerschelde, over een lengte van 100 km 956 m.
  In deze lengte is begrepen het gedeelte der Leie dat, over een lengte van 24,022 meter, de grens vormt tussen België en Frankrijk en 335 meter stroomopwaarts de sluis te Menen eindigt.
  Art. 20.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

    Scheepvaartwegen      Bruikbare  Breedte    Vrije        Diepgang.
           en               lengte      der      hoogte.
        vakken.              der      vaargeul.
                           sluizen.
           -                  -          -         -             -
  Leie :
   1. Van de Franse grens    42,30 m     5,40 m     4,30 m       1,90 m
  tot aan de stuwsluis         (c)        (c)        (a) (b)      (b)
  te Sint-Baafs-Vijve
  (niet inbegrepen).
   2. Van de stuwsluis te    43,20 m     6,00 m     5,00 m       2,30 m
  Sint-Baafs-Vijve tot                               (a)
  de Guido Gezellebrug
  te Deinze.
   3. Van de Guido           42,15 m     5,40 m     4,00 m       1,90 m
  Gezellebrug tot de                                 (a)
  Albertbrug te Gent.
   4. Van de Albertbrug        -        18,40 m     4,50 m       2,10 m
  tot de Recollettenbrug
  te Gent, niet
  inbegrepen.
   5. Van de                 42,15 m     5,40 m     4,39 m       2,10 m
  Krommewalbrug niet
  inbegrepen, tot de
  Neerschelde.
  <KB 14-11-1975, art. 2>
  Arm van Drongen (Leie).      -         6,20 m     1,69 m       1,90 m
  Van de oorsprong aan de                        (Verbinding
  Drie Leien tot de                              met de
  ringvaart om Gent.                             ringvaart om
  <KB 11-10-1973, art. 1>                        Gent) (a)
  Arm van Akkergem :           -          -          -           ...
  Opgeheven
  <KB 19-02-1975, art. 1>
  Westerzijarm langs de        -          -         ...          ...
  vlasfabriek "La Lys".
  Opgeheven
  <KB 11-10-1973, art. 1>
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) Boven het normaal waterpeil.
  (b) In de oude arm der Leie (doortocht van Kortrijk) wordt de vrije hoogte
      gebracht op 3,25 m aan de Leiebrug en op 3,80 m aan de Broelbrug.
      Terplaatse van deze laatste brug is de toegelaten diepgang 1,00 m.
  (c) Uitgenomen aan de Franse sluis van Houplines die een nuttige lengte
      van 38,80 m heeft en een breedte van 5,20 m. <KB 17-10-1956, art. 19>.


  § 2. Gezien de breedten, het waterpeil en de bochten welke in de armen der Leie in de nabijheid van en in de stad Gent voorkomen, mag de lengte der schepen, die op deze vertakkingen mogen varen, geen 38 m 50 (roer inbegrepen) en hun breedte geen 5 m 10 overschrijden. Nochtans mogen de schepen waarvan de lengte minder dan 47 m 20 bedraagt, op de Leie varen tussen de Albertbrug en de Ketelvaart, te Gent.
  Art. 20.2. § 1. Het jagen geschiedt :
  a) Langs de Leie :
  1° van de grens van het grondgebied van Armentières tot aan de sluis te Houplines, op de linkeroever;
  2° van de sluis te Houplines tot aan de brug, genaamd "Pont Rouge", op de rechteroever;
  3° van de brug, genaamd "Pont-Rouge" tot aan de brug te Menen, op de linkeroever;
  4° van de brug te Menen tot aan de brug te Wevelgem, op de rechteroever;
  5° van de brug te Wevelgem tot Harelbeke, op de linkeroever;
  6° van de sluis te Harelbeke tot aan de Hogebrug te Harelbeke, op de rechteroever;
  7° van de Hogebrug tot aan de stuw te Sint-Eloois-Vijve, op de linkeroever;
  8° van de stuw te Sint-Eloois-Vijve tot aan de brug de Olsene, op de rechteroever;
  9° van de brug te Olsene tot aan de oever Martens te Sint-Martens-Leerne, op de linkeroever;
  10° van voornoemde oever tot op 1,460 m stroomafwaarts, op de rechteroever;
  11° van dit punt tot op 1,820 m stroomafwaarts, op de linkeroever;
  12° van dit tweede punt tot aan de oever Sint-Martens-Latem, op de rechteroever;
  13° van voornoemde oever tot aan de spoorbrug der Snep te Gent op de linkeroever;
  14° van de brug der Snep tot aan de Albertbrug, op de rechteroever;
  15° van de Albertbrug tot aan de ("Recollettenburg - niet inbegrepen -") , op de linkeroever; <KB 14-11-1975, art. 3>
  16° (...); <KB 14-11-1975, art. 3>
  17° (...); <KB 19-12-1975, art. 2>
  b) langs de oude arm der Leie, tegenover de sluis te Astene, op de rechteroever;
  c) langs de zijarm die door Drongen loopt, op de rechteroever;
  d) langs de arm van Akkergem, op de rechteroever;
  e) langs de zijarm die loopt van het veer te Akkergem tot aan het kanaal van Gent naar Oostende, op de linkeroever.
  § 2. Het jagen geschiedt alleen door personen, van het afleidingskanaal der Leie tot aan het einde der Leie.
  Art. 20.3. In afwijking van het algemeen reglement wordt de scheepvaart op het grensgedeelte der Leie noch 's Zondags, noch op O.H. Hemelvaartdag, Maria-Hemelvaartdag, Allerheiligen noch Kerstdag later geopend dan in het reglement is bepaald.
  Art. 20.4. In de doortocht van Gent zijn alle vaartuigen, de sleepboten inbegrepen, verplicht uitsluitend met de mondhoorn aan te kondigen dat zij bruggen, sluizen, openbare veren en plaatsen naderen.
  Art. 20.5. In afwijking van het algemeen reglement zijn de maximum-snelheden der motorboten de volgende (a) :

          Motorvaartuigen die geen             Motorvaartuigen die gebruik
     gebruik maken van de tolerantie voor        maken van de tolerantie
            de maximum-diepgang.                    voor de diepgang.
                    -                                      -
     Van 90 ton en          Van meer dan
       minder.                90 ton.            Met          Met
         -                      -             inrichting     vaste
   Minder  2m50       Met         Zonder        tegen       buiten
    dan    breed   machtiging.  machtiging.       de       de romp
   2m50     en                                golfslag.   uitstekende
   breed.  meer.                                            schroef.
    -        -         -            -            -             -
    200     150     150          100 (b)       100 (b)      70 (b)
  (a) Al de snelheden zijn aangeduid in meter, per minuut en met betrekking
      tot de oever.
  (b) Overeenkomstig het algemeen reglement vervangt het maximum van
      7 kilometer per uur elk minder gunstig maximum voor afvarende schepen.


  (Lid 2 opgeheven) <KB 20-05-1964, art. 1>
  Art. 20.6. <KB 25-09-1957, art. 9> De vaartuigen kunnen te Gent worden gemeten.
  Art. 20.7. De Belgische Staat heft geen scheepvaartrechten op het grensgedeelte der Leie stroomopwaarts de Deule.
  In afwijking van het algemeen reglement is het bedrag der scheepvaartrechten, die op het grensgedeelte der Leie stroomafwaarts de Deule geheven worden, op 0.005625 frank per ton-kilometer vastgesteld.
  Art. 20.8. (De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluizen te Komen, Menen, Kortrijk (sluis nr 11 van het kanaal van Bossuit naar Kortrijk), Harelbeke, Ooigem (kanaal van Roeselare naar de Leie) en Deinze (afleidingskanaal der Leie).) <KB 13-07-1951, art. 12>
  Art. 20.9. De bepalingen van het algemeen reglement en die van dit bijzonder reglement zijn van toepassing :
  1° op de afleidingen of zijarmen der Leie, bekend onder de naam Dode-Leie of Kleine-Leie, te Komen, Menen, Kortrijk en Harelbeke;
  2° op de oude arm der Leie tegenover de sluis te Astene;
  (3° op de zijarm der Leie die door Drongen loopt en zich uitstrekt van de Drie Leien tot aan de Ringvaart om Gent;) <KB 19-02-1975, art. 3>
  4° (...) <KB 19-02-1975, art. 4>
  Art. 20.10. Het is verboden in de Leie vlas te roten.
  Art. 21. MAAS EN OURTHE.
  De Belgische maas is gekanaliseerd van de Franse grens bij Agimont tot het benedenhoofd der sluis te Wezet, hetzij over een lengte van 127,291 kilometer.
  Wegens de stuw van Monsin, waaraan niet rechtstreeks een sluis aangebouwd is, nemen de vaartuigen, welke van Luik naar Wandre varen, het Albertkanaal, dat zijn oorsprong heeft aan afstandspunt 113.699 van de Maas, te Luik, de Maassluis, te Monsin, aan afstandspunt 1772 van het Albertkanaal, en het kanaal van Monsin, dat zich uitstrekt van deze sluis tot aan de Maas, op 530 meter stroomopwaarts de brug te Wandre, en vice versa.
  Stroomafwaarts de sluis te Wezet tot Kessenich is de Maas in vier delen verdeeld :
  1° Van het benedenhoofd der sluis te Wezet tot Eisden (Nederland), over een lengte van 1,585 meter, is de Maas Belgisch en niet gekanaliseerd;
  2° Van Eisden tot Klein-Ternaaien, over een lengte van 6,935 meter, vormt zij de gemene grens en is niet gekanaliseerd;
  3° Van Klein-Ternaaien tot Smeermaas (Lanaken), over een lengte van 8,433 meter, is zij Nederlands en gedeeltelijk gekanaliseerd;
  4° Van Smeermaas tot Kessenich, over een lengte van 46,267 meter, vormt zij de gemene grens en is niet gekanaliseerd.
  (Het gedeelte der Ourthe onder beheer van de Staat is in drie vakken verdeeld : het eerste, dat vlotbaar is, strekt zich uit van de stuwdam te Nisramont tot Laroche, over een lengte van 20 813 meter; het tweede, dat bevaarbaar en vlotbaar is, van Laroche tot de sluis nr. 3, te Angleur, over een lengte van 102 427 meter; het derde, dat gekanaliseerd is, van sluis nr. 3 tot de Maas, te Angleur, over een lengte van 4 110 meter.) <KB 25-03-1964, art. 1>
  Op de twee grensvormende gedeelten der Maas is dit reglement niet van toepassing; zij zijn uitsluitend beheerd door het Belgisch-Nederlands reglement nr VI, van 20 Mei 1843, ter uitvoering van artikel 9 van het verdrag van 19 April 1839, en van hoofdstuk II, afdeling IV, van het verdrag van 5 November 1842, betreffende de scheepvaart op de Maas, welk reglement bij de overeenkomst van 8 Mei 1851 is gewijzigd.
  Art. 21.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, in artikel 1 van het algemeen reglement vermeld, zijn de volgende :

     Scheepvaartwegen      Bruikbare  Breedte    Vrije      Diepgang.
            en               lengte      der      hoogte.
         vakken.               der     vaargeul.
                            sluizen.
            -                  -          -         -            -
  Maas :
   1. Van de Franse grens    100,00 m    12,00 m     5,83 m     1,80 m
  tot stroomopwaarts van                   (b)        (a)       (2,20 m)
  de samenvloeiing met de                                         (c)
  Samber.
   2. Van stroomopwaarts     100,00 m    12,00 m     6,35 m     1,80 m
  van de samenvloeiing met                 (b)        (a)       (2,40 m)
  de Samber tot aan het                                           (d)
  bovenhoofd der sluis te
  Hoei.
   3. Van en met de sluis     56,75 m     9,00 m    10,08 m     1,80 m
  te Hoei tot en met die                          (Pont         (2,40 m)
  van Amay.                                       d'Ombret)
                                                      (a)
   4. Van het benedenhoofd   136,00 m    14,00 m     5,85 m      1.80 m
  van de sluis van Amay                               (a)       (2,40 m)
  tot aan de stuw van                                             (d)
  Monsin.
   5. Van de stuw van           -        16,00 m    10,07 m     1,80 m
  Monsin tot aan het                                  (a)       (2,40 m)
  benedenhoofd van de                                             (d)
  sluis te
  Hermalle-sous-Argenteau.
   6. Van en met de sluis     56,75 m     9,00 m     6,55 m     1,80 m
  te                                                  (a)       (2,40 m)
  Hermalle-sous-Argenteau                                         (e)
  tot en met die van
  Wezet.
  Ourthe :
   1. ...  <KB 12-07-1957,     ...        ...        ...        ...
  art. 2>
   1. Van het benedenhoofd    45,10 m     5,20 m     5,75 m     1,00 m
  der sluis nr. 3 tot aan                             (a)
  het toezichtstation 2bis
  te Angleur.
  <KB 12-07-1957, art. 2>
   2. Van de keersluis        45,10 m     5,20 m      -         1,80 m
  2bis te Angleur tot                                           (1,90 m)
  tot en met de sluis
  nr. 2. <KB 12-07-1957,
  art. 2>
   3.  Stroomafwaarts         48,50 m     5,20 m     4,25 m     1,80 m
  van de sluis nr. 2 tot                                         (1,90 m)
  tot aan de Maas.
  <KB 12-07-1957, art. 2>
  N.B. 1. Het streepje betekend dat geen enkel kunstwerk de afmeting
  beperkt.
   2. De tussen haakjes vermelde diepgangen zijn slechts bij wijze van
  tolerantie toegelaten. De schippers die er van gebruik maken varen op
  eigen risico en gevaar.
  (a) Deze hoogte wordt gemeten boven het officieel waterpeil aan de brug
      met de geringste vrije hoogte. Bij normaal regime kan de hoogte
      volgens het waterpeil ongeveer 30 centimeter verminderen
      stroomafwaarts van de sluis van Grands-Malades en 50 centimeter
      stroomopwaarts van dat kunstwerk.
      Bij hoog water volgens de omvang van de vloed vermindert ze.
      Aan sommige bruggen is de vrije hoogte onder de hoogste boog of
      overspanning aangegeven op het boven- of benedenvlak der pijlers of
      landhoofden of op de walmuren stroomop- en stroomafwaarts de brug,
      zulks door middel van schalen bestaande uit witte trapeziums met rode
      cijfers in het midden. Deze trapeziums zijn 0,50 m hoog, staan 0,50 m
      van elkaar en hun punten wijzen naar de betrokken boog of
      overspanning.
  (b) Aan de brug te Jambes bedraagt de breedte der vaargeulen 8 meter.
      Aan de sluis van La Plante, bedraagt de breedte der hoofden 9 meter.
      Te Sclayn, Andenelle en Ben-Ahin, ligt een kleine sluis nevens de
      grote sluis.
      Zij heeft een bruikbare lengte van 56,75 m en een breedte van 9 meter.
      Geladen schepen met meer dan 1,90 m inzinking mogen de sluisjes van
      Andenelle en Ben-Ahin niet doorvaren.
  (c) In periode van waterschaarste kan de bij wijze van tolerantie
      toegelaten diepgang (2,20 m) op gewoon advies van de
      hoofdingenieur-directeur van het gebied verminderd worden.
  (d) Tussen de monding van de Samber te Namen en de sluis, genaamd "ecluse
      des Grands-Malades", is de toegelaten diepgang (2,40 m) op meer dan
      6 meter van de linkeroever.
      Tussen de spoorbrug van de Val-Saint-Lambert te Flemalle-Haute en het
      begin, in de Maas, van het Albertkanaal te Monsin en in de asstrook
      VAN de rivier tot op 15 meter van de oevers, bedraagt de gedulde
      diepgang (2,50 m).
      Tussen de spoorbrug te Monsin en de brug van Wandre, en in de asstrook
      van de rivier tot 25 meter van de oevers, bedraagt de gedulde diepgang
      (2,80 m).
      Binnen de voormelde drie uitgestrektheden en buiten de stroken waarvan
      hierboven spraak is, wordt het varen en stilliggen insgelijks geduld
      in de openbare havens, de privaat-havens en langs de oevers op de
      plaatsen die ter plaatsen speciaal zijn aangeduid.
      Dit signalisatie geschiedt door middel van borden waarop in witte
      letters op blauwe grond volgens het geval de vermeldingen "(2,40 m)"
      of "(2,50 m)" of "(2,80 m)" staan, van onder aangevuld met de
      aanduiding in meter van de oeverlengte waar kon worden aangelegd. Voor
      een lengte van 100 meter en minder is slechts in het midden een bord
      gepaatst terwijl voor een lengte van meer dan 100 meter aan elk
      uiteinde een bord geplaatst met een naar het midden wijzende peil.
      Desnoods zijn de zeer grote afstanden verdeeld door tussenborden die
      hun ligging aanduiden ten opzichte van de twee eindpunten.
      Het plaatsen van de signalisatie geschiedt  door de autonome haven van
      Luik voor de openbare havens onder haar beheer; door de exploitanten
      voor de privaat havens en door het Bestuur van Bruggen en Wegen voor
      de openbare havens niet beheerd door de autonome haven van Luik en
      andere plaatsen.
  (e) De doorvaart van sluis nr. 22 te Hermalle-sous-Argenteau met
      vaartuigen die met 2,40 m diepgang varen, is slechts mogelijk wanneer
      de waterstand beneden de sluis ten minste 1 meter boven de slagdrempel
      van de stuw bereikt, hetgeen overeenstemt met het cijfer 53,24.
      ... <KB 12-07-1957, art. 2> <AR 17-10-1956, art. 20>
  (f)  <KB 17-10-1956, art. 20>


  § 2. (...) <KB 12-07-1957, art. 2>
  Art. 21.2. § 1. Op de Maas geschiedt het jagen :
  1° van de Franse grens tot aan de samenloop met de Samber te Namen, op de linkeroever;
  2° van de brug van Jambes tot op 50 meter stroomopwaarts de brug van de spoorweg Hesbaye-Condroz, te Hoei, op de rechteroever;
  3° van laatstgenoemde brug tot aan de Nederlandse grens te Kessenich, op de linkeroever. Het geschiedt ook op de rechteroever, tussen het openbaar veer te Chokier (stroomopwaarts de sluis te Ramet-Ivoz) en de spoorbrug van Val-Saint-Lambert, te Seraing.
  § 2. Op de niet-gekanaliseerde Ourthe geschiedt het jagen nu eens op de ene, dan weer op de andere oever, volgens de plaatselijke gewoonten, behalve in de doortocht Laroche, waar het geschiedt als volgt :
  1° stroomopwaarts de brug genoemd "Pont métallique", op de linkeroever;
  2° van die brug tot aan de brug genoemd "Pont du gravier", op de rechteroever;
  3° stroomafwaarts die tweede brug, op de linkeroever.
  (...) <KB 12-07-1957, art. 3>
  Op de riviergedeelten der gekanaliseerde Ourthe geschiedt het op de linkeroever.
  Art. 21.3. Voor de toepassing van het artikel van het algemeen reglement inzake de samenstelling van de manschappen der vaartuigen, is het zogenaamde tijdperk van vloed op de Maas als volgt bepaald :
  1° Voor de opvarende geladen schepen en de ledige schepen, zowel op- als afvarend :
  a) van de Franse grens tot aan de samenloop met de Samber, wanneer van de stuw van Dinant alle afsluitingen geheven zijn en zij ten minste 6 openingen heeft;
  b) afwaarts de samenloop met de Samber, wanneer de stuw genaamd "barrage des Grands-Malades" ten minste 50 openingen heeft;
  2° Voor de afvarende geladen schepen :
  a) van de Franse grens tot aan de samenloop met de Samber, wanneer van de stuw van Dinant ten minste 26 afsluitingen geheven zijn;
  b) afwaarts de samenloop met de Samber, wanneer de stuw genaamd "barrage des Grands-Malades" ten minste 35 openingen heeft.
  Art. 21.4. Wat de voorrang op de Maas betreft, regelt de sleepboot of het vaartuig dat zich aan het hoofd van het konvooi bevindt de vaart en de orde van doorvaart voor al de vaartuigen van het konvooi.
  Art. 21.5. § 1. Een signalisatie met rode en groene electrische vaste of flikkerlichten is aan verschillende sluizen aangebracht.
  Aan sommige sluizen, kan deze signalisatie omvatten :
  a) een vooruitgeschoven rood licht;
  b) rode en groene wallichten;
  c) een vooruitgeschoven rood licht en rode en groene wallichten.
  Het voortuitgeschoven rood licht bevindt zich zoveel mogelijk op 500 meter stroomopwaarts of stroomafwaarts, ofwel stroomop- en stroomafwaarts de sluis.
  De lichten van de sluiswal, per twee geplaatst, bestaan uit een rood en een groen licht, die aan één of aan elke van de deuren stroomop- en stroomafwaarts, op de linkersluismuur van zekere sluizen en op de rechtersluismuur van andere sluizen staan.
  § 2. Het vooruitgeschoven rood licht regelt de bewegingen der vaartuigen bij het naderen van de vaargeul der sluis.
  Is het aangestoken, dan betekent zulks dat het vaartuig of de sleep vaartuigen er niet mag voorbijvaren. Bij het naderen maakt het vaartuig of de sleep vaartuigen zijn aanwezigheid kenbaar door één stoot met fluit of hoorn die vijf seconden duurt en luid genoeg is om aan de sluis te worden gehoord.
  Is het licht uit, dan betekent zulks dat het vaartuig of de sleep vaartuigen de sluis moet naderen en aan de 50 meter paal, die er voor staat, gaan liggen. Wanneer het vaartuig of de sleep zich in beweging zet, wordt het vertrek kenbaar gemaakt door een stoot met fluit of hoorn, die krachtig genoeg is en langgerekt moet zijn.
  Het doven van het licht regelt slechts het vertrek van één enkele sleep vaartuigen of van een beperkt getal afzonderlijke vaartuigen, die met één enkele schutting kunnen geschut worden. De volgende vaartuigen varen automatisch vooruit, zonder het vooruitgeschoven rood licht voorbij te varen.
  § 3. De wallichten regelen het binnenvaren der vaartuigen in de sluizen en het schutten van de vaartuigen.
  Rood licht betekent dat de sluis niet klaar is, dat de op schutting wachtende schepen niet mogen vooruitkomen en dat ze de vaargeul moeten vrij laten voor de in tegenovergestelde richting varende schepen.
  Rood-groen licht betekent voor de schipper, die de vereiste plaats inneemt, het bevel de nodige maatregelen te nemen om zijn vaartuig onmiddellijk vooruit te brengen, zodra het in de tegenovergestelde richting varend vaartuig uit de schutkolk is; en voor de volgende vaartuigen, zich gereed te houden om de plaats in te nemen van het voorgaande vaartuig.
  Groen licht betekent voor het op de vereiste plaats liggende vaartuig het bevel onmiddellijk de sluis binnen te varen en voor de volgende, de plaats van het voorgaande in te nemen.
  § 4. De electrische lichten worden uitsluitend door de agenten van het bestuur bediend. Niettemin zijn de kapiteins van sleepboten verplicht hun helper de seinen over te maken die thans voor het slepen van de vaartuigen bij hun schutting in gebruik zijn. Zij moeten het verloop van de lichten volgen en zich er naar voegen.
  § 5. Buiten de uren van bediening van de sluis zijn al de lichten gedoofd.
  Ingeval de lichtseinen defect geraken, worden houten dwarsarmen op de palen der vooruitgeschoven lichten aangebracht. Zij betekenen dat de schippers zich met het posthoofd in betrekking moeten stellen en daarna voorzichtig vooruitvaren. Het defect geraken wordt ook aan de onmiddellijk naburige posten bekendgemaakt.
  Art. 21.6. Bij het naderen van de sluizen, van af een punt gelegen op 500 m stroomopwaarts, moeten de afvarende schepen de oever houden.
  Art. 21.7. Op de Maas moeten de vaartuigen die in konvooi varen zonder tussenplaatsing van andere vaartuigen door de sluizen en beweegbare bruggen varen.
  Aan de sluizen van 100 m worden zij, zo mogelijk, in één keer geschut, de sleepboot eventueel inbegrepen, ten einde elke verkeerde schutting en de moeilijkheid van het herstellen van het konvooi bij het uitvaren te vermijden.
  Moet een sleep vaartuigen aan bedoelde sluizen gesplitst worden, dan mogen de afzonderlijke en in dezelfde richting varende motorvaartuigen in de eerste schutting opgenomen worden voor zover er plaats voor is, nadat het grootst mogelijk aantal eenheden van de sleeptrein voor de tweede schutting is overgelaten. In dat opzicht moeten de schippers zich naar de bevelen der sluismeesters en brugwachters voegen.
  Art. 21.8. In afwijking van het algemeen reglement en van artikel 7 van dit reglement, worden de voor een geregelde vervoerdienst voor reizigers gebruikte vaartuigen en de plezierjachten van meer dan 3 ton geschut zodra ze aankomen, voor alle andere vaartuigen, zelfs indien het vaartuigen geldt welke deel uitmaken van een sleep.
  De dienstregeling van de voor een geregelde vervoerdienst voor reizigers gebruikte vaartuigen moet door de hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen worden goedgekeurd.
  Op de Maas, hebben de vaartuigen welke bij gelegenheid voor uitstapjes worden gebruikt dezelfde voorrang, op voorwaarde dat de ondernemers, acht en veertig uren voor het vertrek, het uur van doorvaart door de sluizen van de vastgestelde weg ter kennis brengen van de directie van de dienst.
  Op de Maas, verliest ieder vaartuig dat geregeld of bij gelegenheid voor een vervoerdienst voor reizigers wordt gebruikt en de vastgestelde dienstregeling niet naleeft, zijn voorrangsrecht.
  Art. 21.9. § 1. gedurende de vloedperiodes moeten de vaartuigen zich voor de scheepvaart op de Maas aan volgende bijzondere bepalingen houden.
  § 2. Wanneer al de afsluitingen van de overlaat te Hun geheven zijn en men openingen heeft gemaakt in de naaldstuw, mag geen enkele sleepboot in het pand van Rivière meer dan twee geladen vaartuigen tegelijk stroomaf slepen. De overige vaartuigen van de sleep moeten stroomafaarts de sluis te Hun gemeerd blijven, tot ze de sleepboot afgehaald worden.
  § 3. In tijd van vloed, wanneer er ten minste 35 openingen zijn in de stuw, genaamd "Barrage des Grands-Malades", moeten alle afvarende vaartuigen, alvorens sluis nr 22 van de Samber, te Namen, of sluis nr 9 der Maas, te La Plante-Namen, te verlaten, zich er van vergewissen dat de sluis van "Les Grands-Malades" vrij is om ze op te nemen.
  Wanneer de stuw 35 tot 49 openingen heeft, mogen de sleepboten slechts twee vaartuigen ineens slepen.
  Heeft de stuw ten minste 50 openingen, dan moet elke sleepboot de schepen van haar sleep één voor één slepen.
  § 4. Te Luik, mogen de afvarende sleepboten, die niet meer dan twee vaartuigen slepen, onmiddellijk stroomafwaarts de brug Maghin zwenken.
  Degene die meer dan twee vaartuigen slepen, moeten stroomafwaarts de brug van Coronmeuse zwaaien en hun sleep tot aan de quai Saint-Léonard brengen, waar hun vaartuigen zich opstellen achter de afvarende schepen welke er reeds lagen, op het ogenblik dat de sleep aan de Maghinbrug voorbijvoer.
  Art. 21.10. § 1. Op de Maas, geschiedt de scheepvaart over de neergeklapte stuwen op risico en gevaar van de gebruikers.
  Al der stuwen stroomopwaarts Namen hebben slechts één vaargeul (linkeropening); de stuwen stroomafwaarts hebben twee doorvaartopeningen.
  De opening naast ieder van de sluizen van "Les Grands-Malades" en Maizeret is niet toegankelijk voor vaartuigen.
  § 2. Aan alle stuwsluizen tussen de Franse grens en Wezet zijn de diepgangen voor doorvaart over de neergeklapte stuwen bij wijze van inlichting en zonder waarborg aangeduid door middel van rode metalen borden en witte platen met rode cijfers.
  § 3. Aan elke stuw geeft het benedenstrooms vlak van het bord voor opvarende vaartuigen de diepgang op aan de eerstvolgende stroomopwaarts gelegen stuw; het bovenstrooms vlak geeft voor afvarende vaartuigen de diepgang op aan de eerstvolgende stroomafwaarts gelegen stuw.
  § 4. Is het bord helemaal rood, dan betekent zulks dat de doorvaart streng verboden is.
  Zie men in 't midden van het bord aan plaat met cijfers, dan geeft deze plaat de diepgang op in de enige vaargeul of eventueel in de twee openingen.
  Bedekt de plaat met cijfers de rechter- of de linkerhelft van het bord, dan geeft zij de diepgang op voor de rechtse of de linkse opening en betekent zulks dat doorvaart door de andere opening verboden is.
  Art. 21.11. <KB 23-07-1970, art. 1> § 1. In afwijking van het algemeen reglement zijn de maximumsnelheden voor motorboten op de gekanaliseerde Ourthe de volgende (a) :

        Motorboten die geen gebruik maken    Motorboten die gebruik
          van de tolerantie betreffende      maken van de tolerantie
               de maximumdiepgang            betreffende de diepgang.
                        -                                        -
    Tot 90 ton        Meer dan 90 ton           Met      Met vaste
         -                   -              inrichting    buiten
   Minder  2m50       Met        Zonder       tegen       de romp
    dan    breed   machtiging  machtiging    golfslag.   uitstekende
   2m50     en                                            schroef.
   breed    meer
    -        -         -           -            -            -
    200     150     100 (b)      70 (b)      100 (b)       70 (b)
  a) Alle snelheden zijn opgegeven in meter, per minuut en met betrekking
     tot de oever.
  b) Overeenkomstig het algemeen reglement vervangt het maximum van
     7 kilometer per uur ieder minder gunstig maximum voor afvarende boten.


  § 2. Op de niet gekanaliseerde Ourthe, van Laroche tot de sluis nr. 3, te Angleur, is de vaart met motorboten slechts toegestaan op de door de Minister van Openbare Werken vastgestelde vakken.
  De snelheid van deze vaartuigen mag aldaar niet meer dan 12 km per uur bedragen.
  Art. 21.12. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen (14 en 15bis) zijn de maximumsnelheden op de Maas, met betrekking tot de oever : <KB 06-06-1988, art. 1>
  1° in principe 120 m per minuut (m/min) of 7 km 200 per uur (km/u);
  2° op meer dan 25 m van de oever : 150 m/min of 9 km/u;
  3° wanneer de stuw van Les Grands-malades of die van Hoei 50 openingen heeft : 200 m/min of 12 km/u voor al de afvarende vaartuigen;
  4° wanneer alle stuwen neergeklapt zijn : 250 m/min of 15 km/u voor al de afvarende vaartuigen.
  Andere afwijkingen dan die bepaald (in artikel 14) mogen niet worden toegestaan. <KB 06-06-1988, art. 1>
  Art. 21.13. § 1. (Opgeheven) <KB 14-12-1979, art. 2>
  Art. 21.14. Vaartuigen voor reizigers en plezierjachten die, dank zij hun vorm, hun voortbewegingsmiddelen of hun geringe diepgang, sneller kunnen varen dan bij artikel 12 is bepaald, zonder een schadelijke golfslag teweeg te brengen, kunnen daartoe gemachtigd worden op voorwaarde meer dan 25 m van de oever te blijven en niet sneller te varen dan 250 m/min of 15 km/u.
  De motorvaartuigen welke uitsluitend voor sportwedstrijden gebruikt worden en dank zij hun vorm, hun voortbewegingsmiddelen of hun geringe diepgang zeer snel kunnen varen zonder een schadelijke golfslag te veroorzaken, kunnen gemachtigd worden bij trainingen en sportwedstrijden op eigen risico en gevaar met grote snelheid te varen, ook buiten de vakken die door de Minister van Openbare Werken vastgesteld zijn (...). <KB 06-06-1988, art. 2>
  De machtigingen kunnen te allen tijde ingetrokken worden. Zij worden door de hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen schriftelijk verleend nadat overeenkomstig zijn bevelen proefnemingen zijn gedaan. Het machtigingsbewijs moet bij elke vordering van de agenten der scheepvaartwegen vertoond worden.
  Art. 21.14bis. <Ingevoegd bij KB 23-07-1970, art. 2> Op de Maas, tussen de brug te Ougrée (afstandspunt 104.600) en het standbeeld van Koning Albert (afstandspunt 113.700), mogen de motorboten waarvan de lengte 6 m niet overschrijdt, met een maximumsnelheid van 30 km per uur varen (...) voor zover de afvoer van de Maas te Ampsin-Neuville lager is dan 500 m3/sec. <KB 06-06-1988, art. 3>
  Deze bepaling geldt niet voor het afleidingskanaal van de Maas te Luik.
  Art. 21.15. De toegang tot de niet-bevaarbare geulen nabij de Maaseilandjes is voor de motorbootjes verboden gedurende het tijdperk van 1 Mei tot 31 Augustus. In bijzondere gevallen en op zekere voorwaarden mag de hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen afwijkingen van dit verbod dulden op risico en gevaar van de betrokkenen.
  Art. 21.15bis. <Ingevoegd bij KB 13-07-1954, art. 1> Op de arm van de Maas, begrepen tussen het eiland Vas-t'y-frotte, te Namen en de rechteroever van de Maas, te Jambes, is het varen gedurende geheel het jaar verbonden voor al de schepen, boten, motorbootjes en gelijk welk andere bootjes.
  Het leger mag evenwel gedurende geheel het jaar, bij dag en bij nacht, van deze rivierarm gebruik maken, maar dan bij wijze van gedogen en op eigen risico.
  Anderzijds mag op het deel van die arm, gelegen beneden het afstandspunt 44.000, door motorbootjes zonder enige beperking of voorwaarde worden gevaren, zelfs met grotere snelheden dan de in artikel 12 bepaalde maxima.
  Art. 21.16. § 1. Tussen de grens te Agimont en de samenloop met de Samber te Namen zijn volgende bepalingen van toepassing op het slepen met motorvaartuigen :
  Wanneer het peil stroomopwaarts de sluis van Dinant + 3 m 40 (stuw volledig gesloten) of + 3 m 30 (stuw met 5 geopende schuiven) bedraagt, is het slepen met motorvaartuigen toegelaten overeenkomstig de bepalingen van het algemeen reglement.
  Wanneer die voorwaarden niet vervuld zijn, mag een motorvaartuig een ander vaartuig slechts op sleeptouw nemen indien het voorzien is van een motor van ten minste 50 PK.
  Wanneer van de stuw te Dinant meer dan 25 afsluitingen geheven zijn, moet het gesleepte vaartuig bovendien zelf voorzien zijn van mechanische voortbewegingsmiddelen en moeten die middelen normaal in werking gesteld zijn.
  Wanneer al de afsluitingen van de stuw geheven en er ten minste 6 openingen zijn, moet het gesleepte vaartuig voorzien zijn van een motor van ten minste 50 PK.
  De met een opduwer voortgestuwde vaartuigen worden voor de toepassing van dit artikel niet als motorvaartuigen beschouwd.
  § 2. In afwijking van het algemeen reglement, wordt de machtiging om op het gedeelte van de maas, gelegen stroomafwaarts de samenvloeiing met de Samber, te Namen, een vaartuig op sleepbouw te nemen, beperkt tot het geval waarin dit vaartuig zelf van mechanische voortbewegingsmiddelen voorzien is.
  Art. 21.17. § 1. Voor de doortocht Luik, gelden volgende afwijkingen van de bepalingen van het algemeen reglement inzake de geluidsseinen :
  Wanneer een sleeptrein op ten minste 200 meter van een bocht is gekomen waar het kruisen moeilijk is, geeft de sleepboot, met de fluit, 3 maal een sein van ten hoogste vijf seconden met tussenruimten van drie seconden.
  De schippers zijn verplicht met één fluitstoot van ten hoogste vijf seconden of met één klokslag :
  1° Te waarschuwen dat zij de bruggen, sluizen, openbare veren en plaatsen naderen, waar de vaartuigen moeten stilhouden;
  2° Bij mistig weder, ten minste om de vijf minuten hun aanwezigheid aan te kondigen.
  § 2. Buiten de gevallen van gevaar en ongeval en buiten de aanwezigheidsseinen bij mistig weder, mogen de geluidsseinen op de Maas, in de doortocht Luik, niet herhaald worden; buiten de reglementaire scheepvaartuigen, mogen zij er niet gegeven worden.
  Art. 21.18. <KB 25-09-1957, art. 10> De vaartuigen kunnen te Namen, Beez, Namèche en Luik gemeten worden.
  Art. 21.19. (§ 1. Op de niet-gekanaliseerde Ourthe opwaarts van de sluis nr 3 te Angleur en op de gemeenschappelijke Maas worden geen scheepvaartrechten geheven.) <KB 12-07-1957, art. 4>
  § 2. De vaartuigen die komen van of varen naar een op de Maas gelegen haven en die zowel het kanaal van Monsin als het gedeelte van het Albertkanaal, begrepen tussen de oorsprong aan de maas en de sluizen te Monsin bevaren, betalen, voor de gehele reis, de scheepvaartrechten, zoals ze op de scheepvaartwegen onder beheer van de Staat toegepast worden.
  Hetzelfde geldt voor de vaartuigen die komen van of varen naar een punt gelegen op het kanaal van Monsin of op het gedeelte van het Albertkanaal, begrepen tussen de oorsprong aan de Maas en de sluis te Monsin, en die de Maas als plaats van bestemming of van herkomst hebben.
  De opbrengst van die rechten gaat naar de Staat.
  Art. 21.20. <KB 06-06-1988, art. 4> De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluizen van Hastière, Dinant, Grands-Malades, Andenne-Seilles, Ampsin-Neuville en Ivoz Ramet.
  Art. 21.21. § 1. Op de Maas, op de afleiding der Maas, te Luik, en op de Ourthe, stroomafwaarts Comblain-au-Pont, mogen visbootjes en plezierbootjes in de vaargeul niet stilliggen.
  In geen geval, mogen zij onbewaakt op meer dan 4 meter van de oever, gemeten van de waterlijn, achtergelaten worden.
  § 2. Na gebruik, moeten zij naar de oever teruggebracht worden, en met een draadketting van ten minste 4 millimeter of met een metalen kabel van ten minste 8 millimeter vastgemeerd worden aan een beweegbare ring die in het metselwerk is vastgegoten of, wanneer er geen muur of steenglooiing is, bevestigd aan een gelijk met de grond ingeslagen ijzeren paal met ronde of geprofileerde doorsnede en van voldoende lengte, volgens de aard van de bodem.
  § 3. Van 1 April tot 30 September mogen voornoemde bootjes worden vastgelegd aan een boei die aan de grond is geankerd en met de hoger beschreven oeverring is verbonden.
  De tui van de boot, de grondverankering en de band tot verbinding van de boei met de oever moeten gemaakt zijn van een draadketting van ten minste 4 mm of van een metalen kabel van ten minste 8 mm.
  (De boei moet stevig zijn en de vorm van een tonnetje hebben. Het volume ervan mag 50 liter niet overtreffen.
  Op elk uiteinde van het omwentelingsvlak is een witte ring geschilderd; gans de overige oppervlakte van het tonnetje is blauw geschilderd. De witte ringen hebben elk een breedte begrepen tussen 1/4 en 1/5 van de lengte van het tonnetje.
  Op de blauwe grond moeten de naam, de voornaam en het adres van de eigenaar in witte letters van 4 cm hoogte zijn aangeduid.) <KB 29-07-1952, art. 1>
  Voor de meerboei moet geen recht betaald worden.
  Van 1 October tot 30 Maart moeten de boei en de grondverankering uit het water gehaald en buiten de aanhorigheden van de rivier geborgen worden.
  § 4. De bootjes die niet zijn vastgemeerd zoals in § 2 of § 3 is voorgeschreven, moeten uit het water gehaald en buiten de aanhorigheden van de rivier geborgen worden.
  (§ 4bis. Op de Maas te Namen, moogen jachten en plezierbootjes zonder tijdsbeperking stilliggen langs de linkeroever, in de Saint-Martinhaven en stroomafwaarts van deze haven tot aan het afstandspunt 45.600.) <KB 25-03-1952, art. 1>
  (§ 4ter. Van 1 Mei tot 30 September wordt een ter plaatse aangewezen kaaimuur gedeelte van de haven van Grognon, op de linker Maasoever te Namen, voorbehouden voor het aanleggen van de vaartuigen die een geregelde dienst voor reizigersvervoer verzekeren.) <KB 19-10-1954, art. 1>
  (§ 4quater. In de ligplaats op de linker Maasoever te Beez wordt het liggen van de schepen geregeld als volgt :
  1° het deel van de ligplaats dat zich uitstrekt over een lengte van 40 m vanaf het bovenuiteinde ervan, is gedurende het hele jaar bestemd voor woonschepen die voorzien zijn van een schriftelijke vergunning van de hoofdingenieur-directeur van het ressort;
  2° het deel van de aan de kant van de Maas gelegen helft van de ligplaats, dat zich uitstrekt vanaf het benedenuiteinde tot 200 m stroomopwaarts is van 1 oktober tot 30 april bestemd voor handelsschepen en aannemersmaterieel;
  3° de overblijvende ruimte aan de kant van de Maas, tussen de in 1° en 2° hierboven omschreven gedeelten, is van 1 oktober tot 30 april bestemd voor plezierboten;
  4° met uitzondering van het voor woonschepen bestemde deel is de gehele ligplaats gedurende de periode van 1 mei tot 30 september bestemd voor plezierboten.
  Op verzoek van de ambtenaren die met de meting van binnenschepen belast zijn, moet evenwel de door deze ambtenaren aangeduide ruimte binnen het voor plezierboten bestemde gedeelte vrijgemaakt worden van alle hindernissen gedurende de tijd die voor het meten nodig is.) <KB 26-05-1976, art. 1>
  § 5. Op de Maas, in de provincie Luik is het vastmeren verboden :
  1° Aan de kant van het jaagpad :
  a) zonder enige uitzondering, tussen de brug van Ougrée en de stuw van Monsin;
  b) buiten dit vak, behoudens machtiging van de conducteur van bruggen en wegen;
  2° Aan de kant van het tegenjaagpad, tussen de Maghinbrug en de stuw van Monsin, te Luik.
  § 6. De eigenaars van bootjes, plezierbootjes en meerboeien zijn tegenover derden zowel als tegenover de Staat, zelf verantwoordelijk voor verlies, schade, ongevallen en nadeel die uit de aanwezigheid van voornoemde bootjes en boeien op de Maas, op de afleiding der Maas te Luik en op de Ourthe stroomafwaarts Comblain-au-Pont, kunnen voortspruiten.
  Art. 21.22. § 1. Op de Maas, op de afleiding van de Maas, te Luik, en op de Ourthe, stroomafwaarts Comblain-au-Pont, wordt het gebruik van vlotterboeien ter aanduiding van de visplaatsen van 1 Juni tot 30 September voor de vissers, voorzien van een akte voor het vissen met een bootje in de volgende voorwaarden geduld.
  § 2. Elke visser mag slechts één boei leggen.
  § 3. De boei moet overeenstemmen met het door de Minister van Openbare Werken voorgeschreven model, blauw en wit geschilderd zijn en, op de blauwe grond, in witte letters van 5 cm hoogte en 1 cm streepdikte de naam van de eigenaar en in witte cijfers van 10 cm hoogte en 12 mm streepdikte het nummer van de hierna beschreven ringplaat dragen.
  De boei moet zo dikwijls opnieuw geverfd worden als nodig is opdat haar kleuren hel blijven. Het nummer moet elk jaar worden vernieuwd om met dat van de ringplaat overeen te stemmen.
  § 4. (De boei moet voorzien zijn van een plaat in geëmailleerd plaatijzer in de vorm van een platte ring, van 16 cm buitendiameter. De plaat krijgt elk jaar een verschillende kleur en draagt het jaartal en een volgnummer dat er tweemaal op geschreven staat, zodat men het van de ene of van de andere zijde van de boei kan lezen.
  De ringplaat is slechts voor één jaar geldig. Zij wordt door de scheepvaartinspecteur van het ressort afgeleverd tegen afgifte van het bewijs van de betaling van de som van (120 frank) op de postrekening van de rekenplichtige van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen. In deze som is ook het liggeld begrepen. Een vergunning tot het vissen van op een bootje en een identiteitsbewijs, waarop de verblijfplaats van de visser is aangegeven, dient eveneens voorgelegd. Een stempel, die het verkoopkantoor en het nummer van de ringplaat vermeldt, wordt op deze visvergunning aangebracht. <KB 14-12-1971, art. 2>
  Deze ringplaat moet door de zorgen van de eienaar volgens het horizontaal vlak aan de boei worden vastgelegd door middel van een ijzerdraad of een kettinkje dat, enerzijds, door de ring bovenaan de boei en, anderzijds, door de twee gaten en de twee inkepingen van de plaat wordt getrokken.) <KB 12-09-1956, art. 2>
  § 5. De visser moet de boei buiten het vaarwater en ten minste 15 m van de oever leggen. In deze zone mag hij ze naar eigen goedvinden verplaatsen. Van de 1e October tot de 1e Juni moet hij ze uit de rivier halen.
  Hij moet ze eveneens wegnemen, verplaatsen of aan de oever vastmeren wanneer de agenten van de scheepvaartweg het bevelen. Is hij afwezig of voert hij het ontvangen bevel niet dadelijk uit, dan worden van ambtswege op zijn kosten maatregelen genomen.
  (Van 15 juni tot 30 september is het bovendien verboden de boei te leggen in de (...) vakken waarop met grote snelheid mag worden gevaren alsmede in de zones die zich tot 30 m aan weerszijden van bedoelde vakken uitstrekken.) <KB 26-08-1966, art. 1> <KB 06-06-1988, art. 5>
  § 6. De boei dient voor het persoonlijk gebruik van de visser die er eigenaar van is. Niettemin mag hij ze ter beschikking stellen van andere vissers die houder zijn van een akte voor het vissen met een bootje. Maar hij alleen is, zowel tegenover derden als tegenover derden als tegenover de Staat, verantwoordelijk voor verlies, schade, ongevallen en nadelen die kunnen voortspruiten uit het gebruik maken van het bij dit artikel bepaalde gedogen.
  § 7. Elke boei die niet voorzien is van een geldige ringplaat of het nummer van deze plaat niet draagt, of de naam van de eigenaar, wordt door de agenten van de scheepvaartwegen ambtshalve verwijderd.
  In dit geval kan de eigenaar op geen enkele vergoeding uit hoofde van de gebeurlijke vernieling van de boei of van haar meertros aanspraak maken.
  Art. 21.23. Het is verboden in de nabijheid van de stuwen, tot op 30 m stroomop- en stroomafwaarts, te baden.
  Art. 21.24. Het verkeer is verboden :
  1° Voor rijwielen, met of zonder motor :
  a) langs de Maas, tussen de afstandspunten 101.715 en 102.753, op de dijkmuur van de Quai des Carmes, te Jemeppe-sur-Meuse, en van de Quai du Halage, te Tilleur;
  b) langs de Maas, tussen de brug van Seraing en het einde van de rue de Flémalle, te Val-Saint-Lambert (Seraing), op het tegenjaagpad;
  2° Enkel voor rijwielen met motor :
  a) Langs de Maas, tussen de afstandspunten 0,000 en 67,712, op de jaag- en tegenjaagpaden;
  b) Langs de Maas, tussen de brug van Seraing en het einde van de rue de Flémalle, te Val-Saint-Lambert (Seraing), op het jaagpad van de linkeroever;
  c) Op de (...) Ourthe, tussen sluis nr 3, te Angleur, en de wegbrug te Tilff, op het jaagpad. <KB 12-07-1957, art. 5>
  Deze verschillende verbodsbepalingen gelden niet voor de voertuigen die door het Bestuur van Bruggen en Wegen, voor zijn agenten of voor de scheepvaartdienst zijn toegelaten.
  Art. 21.25. Op het gedeelte der Maas, begrepen tussen de Saint-Léonardbrug te Luik en een punt, gelegen op 250 m stroomopwaarts, de stuw, te Monsin, nemen de Dienst der Scheepvaart en de "Servie spécial de la Meuse liégeoise" samen de scheepvaartpolitie waar.
  Art. 21.26. <Ingevoegd bij KB 10-08-1959, art. 1> § 1. Op de Maas is de ligplaats, ingericht vlak beneden de pont du Commerce te Luik, uitsluitend bestemd voor gebruik :
  1° door de plezierjachten en plezierbootjes, die er gedurende onbeperkte tijd mogen liggen;
  2° gedurende de tij nodig voor de werkzaamheden, door de schepen gebruikt voor de onderhoudswerken in de ligplaats, evenals door de schepen die er moeten worden gemeten.
  De hoofdingenieur-directeur van het ambtsgebied kan, onder de voorwaarden die hij bepaalt, om het even welke andere schepen of bootjes in de ligplaats toelaten.
  § 2. Het plateau van de dam tussen de ligplaats en de Maas, evenals de oprit naar de boulevard Frère Orban, zijn gesloten voor alle voertuigen en voor het lossen van goederen.
  Art. 22. MOERVAART. (De Moervaart strekt zich uit van het kanaal van Gent naar Terneuzen te Gent (Rodenhuize) tot de samenloop van de Durme en de Zuidlede te Daknam, over een lengte van 22 314 meter.) <KB 22-06-1971, art. 1>
  Art. 22.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum diepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

              Vakken              Bruikbare  Breedte    Vrije      Diepgang
                                   lengte     van de    hoogte
                                    der      vaargeul
                                  sluizen
                -                    -          -         -           -
  I. Vanaf het kanaal van Gent        -          -         9 m        2,80 m
  naar Terneuzen tot de     -
  benedenkant van de bruggen in
  de Industrieweg, te Gent
  II. Vanaf de benedenkant van        -         5,90 m     4,31 m     1,70 m
  de bruggen in de Industrieweg,
  te Gent, tot de Durme, te
  Daknam.
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  <KB 22-06-1971, art. 1>


  § 2. Indien, om de een of de andere reden zoals waterschaarste, buitengewoon laag tij, enz., de aangeduide diepgang niet kan bereikt worden, moeten de schippers hun vaartuigen of vlotten desnoods derwijze lichten, dat ze de bodem van het kanaal niet raken.
  § 3. De tolerantie die inzake maximum diepgang der motorvaartuigen in het algemeen reglement is voorzien is slechts van toepassing op de Moervaart, tussen de sluis van Rodenhuize en de stuw te Koudenborn.
  Art. 22.2. Het is verboden de deklading zijdelings buiten de romp van de vaartuig te laten uitsteken.
  Art. 22.3. Het jagen geschiedt :
  1° tussen de oorsprong van het kanaal en de brug, te Wachtebeke-Overleide, op de linkeroever;
  2° tussen deze brug en de Durme, op de rechteroever.
  Art. 22.4. De stuwdeuren der brug te Koudenborn worden hoofdzakelijk gemaneuvreerd in het belang der scheepvaart en subsidiair met het oog op de bevloeiingen. Hiervoor is de toestemming nodig van de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen of van zijn afgevaardigde.
  Art. 22.5. (Opgeheven) <KB 25-09-1957, art. 11>
  Art. 22.6. (Opgeheven) <KB 22-06-1971, art. 2>
  Art. 22.7. De breedte van het jaagpad is vastgesteld als volgt :
  (1° tussen afstandspunt 2,752 te Mendonk en de brug te Wachtebeke-Overleide : 13,489 m.) <KB 22-06-1971, art. 3>
  2° tussen deze brug en het boskanton genaamd Wittenmeerschbosch : 9m635;
  3° tussen genoemd kanton en de Splettersput : 7m708.
  Het derde gedeelte heeft 0m826 voetpad aan de kant van het kanaal en meet 0m551 aan de kant van de suatiegracht, die 1m927 breed moet zijn.
  Art. 22.8. De jaagpaden worden beschouwd als openbare wegen bestemd voor het verkeer van personen, paarden en voertuigen. Zij zijn uitsluitend onderworpen aan het onderzoek en het toezicht van het Bestuur van Bruggen en Wegen.
  Art. 23. KANAAL VAN BERGEN NAAR CONDE (BELGISCH GEDEELTE). (Opgeheven) <KB 14-12-1979, art. 2>
  Art. 24. <KB 08-12-1982, art. 1> NETEKANAAL.
  Art. 24.1. <KB 08-12-1982, art. 1> Het Netekanaal heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die zijn beide oevers verbindt en die getrokken is in het verlengde van de kruin van de linkeroever van het Albertkanaal te Zandhoven (Pulle).
  Het strekt zich uit over een lengte van 15 438 meter tot aan de denkbeeldige lijn die de uiteinden van de afwaarts gelegen kaaimuren van de Duffelsluizen met elkaar verbindt.
  Art. 24.2. <KB 08-12-1982, art. 1> Het Netekanaal heeft een vertakking te Ranst, de vertakking van Emblem genaamd, die haar oorsprong heeft op de rechteroever van het Netekanaal, afstandspunt 7174, en die zich uitstrekt over een lengte van 513 meter tot aan de dwarse afsluitmuur van Emblem te Ranst.
  Art. 24.3. <KB 08-12-1982, art. 1> § 1. De bruikbare afmetingen van de kunstwerken en de vrije hoogte onder de bruggen in de vakken van de hierna vermelde rubrieken A en B alsmede de maximum diepgang, aangeduid in de rubrieken A I, A II en B, zijn de volgende :

               VAKKEN                        Kunstwerken
                 -                                -
                             Bruikbare    Bruikbare  Vrije      Maximum
                               lengte      breedte   hoogte     diepgang
                                 -            -        -           -
  A. Het kanaal :
  I. Van de oorsprong aan      81,60 m      10,50 m     5,75 m     2,50 m
  het Albertkanaal te
  Zandhoven (Pulle) tot de
  brug van Mol-ter-Nete
  te Nijlen (inbegrepen)
  II. Van de brug van        1 schutkolk     7,50 m
  Mol ter-Nete te Nijlen       55 m
  aab tot de benedendeuren   1 schutkolk    16,00 m     7,00 m    2,50 m
  van de sluizen te Duffel.   136 m
  III. Van de benedendeuren  geen         geen       onbeperkt  veranderlijk
  van de sluizen te Duffel   sluis        sluis                 volgens het
  tot aan het uiteinde van                                      tij
  het kanaal over een
  lengte van 542 m
  B. Vertakking van
  Emblem :
  Van de oorsprong tot de    geen            6,00 m  onbeperkt     1,80 m
  afsluitmuur van Emblem     sluis
  te Ranst


  § 2. In het vak begrepen tussen de benedendeuren van de sluizen te Duffel, en het uiteinde van het kanaal, waar de waterdiepte veranderlijk is volgens het getij, moet de schipper er zich van gewissen dat de diepgang van zijn schip een volledige veilige vaart toelaat.
  Art. 24.4. <KB 08-12-1982, art. 1> § 1. Op het vak bedoeld in artikel 3, § 2, is de nachtvaart toegelaten.
  § 2. Op datzelfde vak zijn de voorschriften inzake lichten en seinen van het scheepvaartreglement van de Beneden-Zeeschelde van toepassing.
  Art. 24.5. <KB 08-12-1982, art. 1> Het jaagpad is gelegen :
  1° tussen de sluis van Viersel te Zandhoven (Pulle) en de brug van Emblem te Ranst, op de rechteroever;
  2° tussen de brug van Emblem te ranst en het uiteinde van het kanaal te Duffel op de linkeroever.
  Art. 24.6. <KB 08-12-1982, art. 1> Op het kanaal en op de vertakking wordt de maximum snelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever vastgesteld op 9 km/u.
  Art. 24.7. <KB 08-12-1982, art. 1> De vaartuigen kunnen gemeten worden in de vertakking van Emblem te Ranst en op het kanaal aan de sluizen te Duffel.
  Art. 24.8. <KB 08-12-1982, art. 1> De kantoren voor de inning der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluis van Viersel te Zandhoven (Pulle) en aan de sluizen te Duffel.
  Art. 24.9. <KB 08-12-1982, art. 1> Het invaren van de sluis van Viersel te Zandhoven (Pulle) wordt voor de opvarende schepen geregeld door seinlichten die aan de afwaartse zijde van de autowegbrug te Zandhoven (Pulle) geplaatst zijn.
  Art. 24.10. <KB 08-12-1982, art. 1> Voor het kanaal en voor de vertakking worden de scheepvaarturen vastgesteld van 6 u. tot 21 u., op alle werkdagen.
  Art. 24.11. <KB 08-12-1982, art. 1> Tijdens de scheepvaarturen is het stilliggen van vaartuigen op het kanaal verboden, behalve :
  a) in de zwaaikom langs de rechteroever, juist opwaarts van de sluizen te Duffel;
  b) op de plaatsen waar de vaartuigen geladen en gelost worden, op voorwaarde dat ze slechts gemeerd liggen op één rij gedurende de tijd nodig om te laden of te lossen.
  Art. 24.12. <KB 08-12-1982, art. 1> Op het kanaal en de vertakking is het verboden de schroef van de vaartuigen te laten draaien op minder dan 4 m van de oever.
  Art. 25. <KB 08-12-1982, art. 1> KLEINE NETE.
  Art. 25.1. <KB 08-12-1982, art. 1> Het gedeelte van de Kleine Nete opengesteld voor de scheepvaart en waarop dit reglement van toepassing is, strekt zich uit van de afsluitmuur van de Vertakking van Emblem te Ranst in het Netekanaal tot en met de Molbrug te Lier, over een lengte van 3 675 meter.
  Art. 25.2. <KB 08-12-1982, art. 1> Het gedeelte van de Kleine Nete bepaald in artikel 1 heeft een afleiding die zich uitstrekt ten westen van Lier tot de Beneden-Nete over een lengte van 2 095 meter. Deze afleiding is slechts toegankelijk voor de scheepvaart mits de Hoofdingenieur-Directeur van het ambtsgebied daartoe toelating verleent en onder de voorwaarden die hij stelt.
  Art. 25.3. <KB 08-12-1982, art. 1> De bruikbare breedte van en de vrije hoogte onder de bruggen alsmede de maximum diepgang der vaartuigen zijn de volgende :

           VAKKEN                           BRUGGEN
              -                                -
                             Bruikbare    Vrije        Maximum
                              breedte     hoogte       diepgang
                                -           -             -
  Gedeelte van de Kleine        6,30 m       1,95 m    Veranderlijk
  Nete bepaald in artikel                              volgens het tij
  1.   


  Art. 25.4. <KB 08-12-1982, art. 1> Op het gedeelte van de Kleine Nete bepaald in artikel 1, waar de waterdiepte varieert volgens het getij en de omstandigheden die het waterpeil beïnvloeden, alsmede volgens de zandbanken die er zich kunnen vormen, dient iedere schipper er zich van te vergewissen dat de diepgang van zijn schip een volledige veilige vaart toestaat en dient hij daartoe alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen.
  Art. 25.5. <KB 08-12-1982, art. 1> Het jaagpad is gelegen :
  1. tussen de afsluitmuur van Emblem te Ranst en de spoorbrug van Nazareth te Lier, op de rechteroever;
  2. tussen de spoorbrug van Nazareth te Lier en de Molbrug te Lier, op de linkeroever.
  Art. 25.6. <KB 08-12-1982, art. 1> De maximum snelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever wordt vastgesteld op 6 km/u.
  Art. 26. <KB 14-12-1979, art. 1> KANAAL NIMY-BLATON-PERONNES.
  Art. 26.1. <KB 14-12-1979, Art. 1> Het kanaal van Nimy-Blaton-Péronnes heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die de twee kilometerpalen "Km O", te dien einde geplaatst aan weerszijden van het kanaal te (Nimy) Bergen met elkaar verbindt. Het strekt zich uit over een lengte van 38 914 meter, tot aan de denkbeeldige lijn in het verlengde van de rechteroever van de Schelde te (Péronnes) Antoing.
  Art. 26.2. <KB 14-12-1979, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                    Sluizen
                                       -
               Bruikbare lengte                 Bruikbare breedte
                    -                                 -
                 86 m                             12 m


  Wegens de belangrijke schommelingen van het waterpeil in het pand begrepen tussen de sluizen 1 en 2 te (Péronnes) Antoing moeten de schippers aan deze sluizen kennis nemen van de vrije hoogte onder de bovendeur van de sluis nr. 2, die minder dan 5,25 m kan bedragen.
  Art. 26.3. <KB 14-12-1979, art. 1> Er is een jaagpad op beide oevers.
  Art. 26.4. <KB 14-12-1979, art. 1> Het ontvangstkantoor der scheepvaartrechten is gevestigd aan de sluis nr. 2 te (Péronnes) Antoing.
  Art. 26.5. <KB 14-12-1979, art. 1> De maximumsnelheid van de vaartuigen is vastgesteld op 8 km per uur.
  Art. 26.6. <KB 14-12-1979, art. 1> Een rood lichtsignaal is aangebracht boven en beneden de keersluis te (Ghlin) Bergen en te (Blaton) Bernissart.
  Wanneer deze lichten branden is het voorbijvaren van het kunstwerk verboden.
  Art. 27. KANAAL VAN PLASSENDALE NAAR NIEUWPOORT.
  Het kanaal van Plassendale naar Nieuwpoort strekt zich uit van aan het bovenhoofd der sluis van Plassendale tot en met de 's Gravensluis, te Nieupoort, over een lengte van 20,979 meter.
  Art. 27.1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement zijn de volgende :

           Vakken.          Bruikbare        Breedte    Vrije      Diepgang.
                              lengte           der      hoogte.
                               der           vaargeul.
                             sluizen.
              -                 -               -         -           -
   1. Tussen de sluis van     90,00 m           6,35 m     5,25 m     2,00 m
  Plassendale en de         (Toegankelijk
  Gistelbrug (niet          voor vaartuigen
  inbegrepen).              van 60,00 m)
   2. Aan de Gistelbrug.        -               6,14 m      -         2,00 m
   3. Tussen de Gistelbrug      -               6,40 m     4,20 m     2,00 m
  (niet inbegrepen) en de
  hefbrug te Snaaskerke
  (inbegrepen).
   4. Tussen de hefbrug te      -               6,20 m      -         2,00 m
  Snaaskerke en de
  Rattevallebrug
  (inbegrepen).
   5. Tussen de               45,00 m           8,00 m      -         2,00 m
  Rattevallebrug en         ('s Gravensluis
  Nieuwpoort.               te Nieuwpoort)
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) Tussen de Steenbakkerijen "Nieuport et Extensions" (inbegrepen) en
      Nieuwpoort is de toegelaten diepgang (2,50 m) <KB 17-10-1956, art. 22>


  Art. 27.2. Het jagen geschiedt :
  1° tussen de sluis te Plassendale en de brug te Zandvoorde, op de rechteroever;
  2° tussen deze brug en de 's Gravenshuis, te Nieuwpoort, op beide oevers.
  Art. 27.3. Aan de spoorbrug te Oudenburg hebben de vaartuigen, die in de richting Plassendale-Nieuwpoort varen, voorrang van doorvaart.
  Aan de stoppalen die op 100 meter stroomop- en stroomafwaarts zijn opgesteld, werkt een geluidssein vijf minuten voor het openen van de brug.
  (Een signalisatie met electrische rode en groene lichten regelt de doorvaart van de schepen aan de vaste brug onder de autosnelweg te Oudenburg.
  Die lichten zijn geplaatst aan de stuurboordzijde van de vaargeul.
  Het rood licht betekent dat het doorvaren verboden is. Het blijft zes minuten branden, juist zoals het groen licht, dat betekent dat doorvaren is toegelaten indien de vaargeul vrij is.
  Het rood licht en het groen licht branden tegelijkertijd gedurende 30 seconden.) <KB 17-10-1956, art. 23>
  Art. 27.3bis. <Ingevoegd bij KB 05-07-1952, art. 1> In afwijking van artikel 58 van het algemeen reglement, bedraagt de maximum-snelheid die voor alle vaartuigen wordt toegestaan 5 km per uur of 83 m per minuut met betrekking tot de oever.
  Art. 27.4. <KB 25-09-1957, art. 13> De vaartuigen kunnen te Oudenburg en Nieuwpoort gemeten worden.
  Art. 27.5. De ontvangstkantoren der scheepsvaartrechten zijn gevestigd te Plassendale (kanaal Gent-Oostende) en te Nieuwpoort.
  Art. 28. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, art. 1> KANAAL VAN POMMEROEUL NAAR CONDE (BELGISCH GEDEELTE).
  Art. 28.1. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, art. 1> Het Belgisch gedeelte van het kanaal van Pommeroeul naar Condé heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die de twee kilometerpalen "km 0", te dien einde geplaatst aan weerszijden van het kanaal te (Pommeroeul) Bernissart, met elkaar verbindt. Het strekt zich uit over een lengte van 6 100 meter tot de Franse grens te Hensies.
  Art. 28.2. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluizen, de vrije hoogte onder de bruggen en de maximum diepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                                 Sluizen.
                                                    -
              Vakken            Nuttige    Nuttige     Vrije      Maximum
                                 lengte     breedte    hoogte     diepgang
                 -                 -           -         -           -
   1. Tussen de oorsprong van    151,75 m     12,50 m    14,05 m     3,00 m
  het kanaal te (Pommeroeul)
  Bernissart en het
  benedenhoofd van de sluis
  te (Pommeroeul) Bernissart.
   2. Tussen het benedenhoofd    149,00 m     12,50 m     7,10 m     3,00 m
  van de sluis te (Pommeroeul)
  Bernissart en de Franse
  grens te Hensies.


  Art. 28.3. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, Art. 1> Het jaagpad is gelegen op beide oevers van het kanaal.
  Art. 28.4. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, Art. 1> Het ontvangstkantoor van de scheepvaartrechten is gevestigd aan de sluis te Hensies.
  Art. 28.5. <Ingevoegd bij KB 07-09-1981, Art. 1> Het kanaal is een secundaire waterweg ten opzichte van het kanaal Nimy-Blaton-Péronnes.
  Art. 28.6. <Ingevoegd bij KB 02-06-1983, art. 1> De maximumsnelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever wordt vastgesteld op 8 km/h.
  Art. 29. <KB 06-05-1969, art. 1> PROVINCIALE KANALEN VAN WEST-VLAANDEREN. - Provinciaal kanaal van Brugge naar Sluis (Belgisch gedeelte).
  Het Belgisch gedeelte van het kanaal van Brugge naar Sluis strekt zich uit van de nieuwe sluis der Dammepoort te Brugge, tot aan de Nederlandse grens te Hoeke, over een lengte van 13 600 meter. Het is bevaarbaar tussen Brugge en de duiker te Oostkerke.
  Voor de toepassing van het algemeen reglement en van dit reglement op het bedoelde kanaal dient insgelijks rekening te worden gehouden met het organiek reglement van de technische dienst der provincie, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 23 januari 1885.
  Art. 29.1. <KB 06-05-1969, art. 1> § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, in artikel 1 van het algemeen reglement vermeld, zijn de volgende :

       Scheepvaartweg     Bruikbare     Breedte    Vrije   Diepgang
                            lengte        der      hoogte
                             der        vaargeul
                           sluizen
            -                 -            -         -        -
  Kanaal van Brugge naar     48,40 m       5,75 m      -      2,30 m
  sluis (van Brugge tot    Dammepoort-
  de grondduiker te        sluis
  Oostkerke)
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.


  § 2. De tolerantie betreffende de maximumdiepgang der motorvaartuigen is op dit kanaal niet van toepassing.
  Art. 29.2. <KB 06-05-1969, art. 1> Het jagen langs dit kanaal geschiedt op beide oevers.
  Art. 29.3. <KB 06-05-1969, art. 1> De provincie heeft geen enkel scheepvaartrecht.
  Afstandstabellen worden als inlichting gegeven.
  Art. 29.4. <KB 06-05-1969, art. 1> In afwijking van het algemeen reglement zijn met de uitvoering van het algemeen reglement en van dit bijzonder reglement belast :
  1° de ambtenaren en agenten van de technische dienst der provincie;
  2° de rijkswacht;
  3° de ambtenaren belast met de politie der gemeenten die aan dit kanaal palen.
  Art. 30. PROVINCIAAL KANAAL GENOEMD "LANGELEEDE".
  De Langeleede strekt zich in haar volle lengte uit op het grondgebied van de gemeente Wachtebeke, van de Moervaart, op 204 meter van de as der brug genoemd Pottersbrug, tot aan de plaats genoemd Oudenbrugse sluis, bij de Nederlandse grens, over een lengte van 5,173 meter.
  Art. 30.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement zijn de volgende :

    Bruikbare lengte       Breedte       Vrije      Diepgang.
      der sluizen.      der vaargeul.    hoogte.
          -                   -             -          -
        -                  5m90             2m10       1m10
                                                    van 1-4 tot 30-9
                                                       1m40
                                                    van 1-10 tot 31-3
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.


  § 2. De tolerantie in het algemeen reglement bepaald inzake maximumdiepgang voor de motorvaartuigen is niet van toepassing.
  Art. 30.2. Het jagen geschiedt op de rechteroever in de richting Moervaart-Oudenbrugse sluis.
  Art. 30.3. De provincie int geen scheepvaartrechten. Een afstandstabel is opgegeven bij wijze van inlichting.
  Art. 30.4. De bevoegdheid welke het algemeen reglement aan de Minister van Openbare Werken toekent, behoort aan de bestendige deputatie van de provinciale raad en de opdrachten daarin verleend aan de ambtenaren en beambten van bruggen en wegen worden door die van de Provinciale Technische Dienst uitgeoefend.
  Art. 31. VERBINDINGSKANAAL VAN GENT.
  Het verbindingskanaal van Gent strekt zich geheel uit op het grondgebied dezer stad van aan de rechteroever van het kanaal van Gent naar Oostende, op 240 meter stroomopwaarts de Palingshuizenbrug, tot aan de benedengrontmuur der Tolhuissluis, over een lengte van 2,099 meter.
  Art. 31.1. Deze bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement zijn de volgende :

       Bruikbare lengte     Breedte der     Vrije           Diepgang.
        der sluizen.         vaargeul.      hoogte.
             -                  -              -               -
         85m00                 12m00           5m25            2m50
       (Tolhuissluis)                       (boven het
                                            normale peil
                                            van 5m61)


  Art. 31.2. Het jagen mag alleen met paarden geschieden op beide oevers.
  Art. 31.3. § 1. De doorvaart aan de Tolhuissluis wordt geregeld door middel van een rode bol die zich langs de stuurboordzijde op de frontmuur bevindt.
  Wanneer de bol gehesen is, betekent zulks dat het verboden is de sluis binnen te varen; wanneer de bol neergelaten is, dat het binnenvaren toegelaten is.
  § 2. De doorvaart onder de brug der Wondelgemstraat wordt geregeld door middel van schijven, die rechts van elke vaargeul op de brug zijn opgesteld.
  De rode schijf met witte rand betekent dat de doorvaart verboden is; de witte schijf met groene rand, dat de doorvaart vrij is doorheen de vaargeul die door de schijf wordt beheerst.
  Art. 31.4. Over de volle lengte van het kanaal is het volstrekt verboden kolen of welkdanige brandstoffen te bunkeren en koopwaren van het ene vaartuig naar het andere over te laden.
  Art. 31.5. Vaartuigen van meer van 7 meter breed mogen in de vaart niet stilliggen om er waren te laden of te lossen noch om welke andere reden ook.
  Bij uitzondering kunnen zij toelating bekomen om in het kanaal stil te liggen indien het bestuur hiertegen geen bezwaar inbrengt, en op voorwaarde dat geen enkel vaartuig van meer dan 5m10 breed binnen een afstand van 250 meter ligt.
  De toelating wordt door de hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen verleend. Zij stelt de termijn vast na verloop waarvan het vaartuig desnoods ambtshalve zal verhaald worden. De hoofdingenieur-directeur kan eisen dat het laden en lossen dag en nacht onafgebroken voortgezet wordt.
  Art. 31.6. In afwijking van het algemeen reglement, zijn de maximum-snelheden van de motorvaartuigen de volgende (a) :

         Motorvaartuigen die geen gebruik maken        Motorvaartuigen
                 van de tolerantie inzake              die gebruik maken
                    maximum-diepgang.                  van de tolerantie
                            -                          inzake diepgang.
  Van 90 ton en minder.    Van meer dan 90 tons.
          -                       -                          -
     Minder  2m50             Met        Zonder         Met        Met
      dan    breed        machtiging.  machtiging.   inrichting   vaste
      2m50    en                                       tegen      buiten
     breed.  meer.                                       de       de romp
                                                     golfslag.   uitstekende
                                                                  schroef.
       -       -              -            -            -            -
      200     150          100           70           100          70
  (a) Alle snelheden zijn aangeduid in meter per minuut en met betrekking
      tot de oever.


  Art. 31.7. In afwijking van het algemeen reglement, zijn alle vaartuigen, de sleepboten inbegrepen, in de doortocht Gent gehouden alle door genoemd reglement voorgeschreven geluidsseinen uitsluitend door middel van de mondhoorn uit te zenden.
  Art. 31.8. De vaartuigen kunnen te Gent gemeten worden.
  Art. 31.9. Het ontvangstkantoor der scheepvaartrechten is gevestigd aan het uiteinde van het kanaal, aan het Tolhuis (kanaal Gent-Terneuzen).
  Art. 32. <KB 02-12-1980, Art. 1> KANAAL VAN ROESELARE NAAR DE LEIE.
  Art. 32.1. <KB 02-12-1980, art. 1> Het kanaal van Roeselare naar de Leie heeft zijn oorsprong aan de afsluitmuur ter hoogte van de Jules Lagaelaan te Roeselare. Het strekt zich uit over een lengte van 16 512 m tot aan de denkbeeldige lijn die de twee palen verbindt welke te dien einde aan weerszijden van het kanaal werden geplaatst ter hoogte van het uiteinde van de aanlegkaai stroomafwaarts van de sluis van Ooigem te Wielsbeke.
  Art. 32.2. <KB 02-12-1980, Art. 1> De bruikbare afmetingen van de sluis van Ooigem te Wielsbeke, de vrije hoogte onder de bruggen van het kanaal en de maximumdiepgang van de vaartuigen zijn de volgende :

                                Sluis
                                  -
                         Bruikbare  Bruikbare  Vrije      Maximum
                          lengte     breedte   hoogte     diepgang.
                            -           -         -          -
  - van de orsprong te   geen       geen          4,80 m     2,50 m
    Roeselare tot en     sluis      sluis
    met inbegrip van
    de vaste brug
    genaamd "Dorpsbrug"
    te Ingelmunster.
  - van de vaste brug     115 m       12,50 m     6,- m      2,50 m
    genaamd "Dorpsbrug
    te Ingelmunster
    ster tot de Leie.


  Art. 32.3. <KB 02-12-1980, art. 1> De maximumafmetingen van de vaartuigen zijn als volgt vastgesteld :
  - in de sectie gelegen tussen de sluis van Ooigem te Wielsbeke en de Bruanebrug te Roeselare :
  lengte : 80 m;
  breedte : 9,50 m;
  - in de sectie gelegen tussen de Bruanebrug te Roeselare en de afsluitmuur van het kanaal te Roeselare :
  lengte : 60 m;
  breedte : 7,50 m.
  Art. 32.4. <KB 02-12-1980, art. 1> De maximumsnelheid van de vaartuigen met betrekking tot de oever wordt vastgesteld op 15 km/u. voor de ledige vaartuigen en 10 km/u. voor de geladen vaartuigen.
  Art. 32.5. <KB 02-12-1980, art. 1> Het jaadpad is gelegen op de rechteroever van het kanaal.
  Art. 32.6. <KB 02-12-1980, art. 1> Het ontvangstkantoor voor de scheepvaartrechten is gevestigd aan de sluis van Ooigem te Wielsbeke.
  Art. 33. <KB 17-10-1956, art. 25> SAMBER EN EAU D'HEURE.
  Het Belgisch gedeelte der gekanaliseerde Samber strekt zich uit van de Franse grens, te Erquelinnes, tot de Maas, te Namen, over een lengte van 93,015 meter.
  Wordt Boven-Samber geheten, het gedeelte van de rivier van de Franse grens tot aan sluis nr 10 te Monceau-sur-Sambre.
  Wordt Beneden-Samber geheten, het gedeelte van de rivier van de sluis nr 10 te Monceau-sur-Sambre, tot aan de samenloop met de Maas.
  Het door de Staat beheerd gedeelte van de "Eau d'Heure" strekt zich uit van haar monding in de Samber tot een punt 500 m stroomopwaarts; enkel ledige schepen mogen er op varen.
  Art. 33.1. <KB 17-10-1956, art. 25> De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximumdiepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

               Vakken.        Bruikbare   Breedte    Vrije      Diepgang.
                              lengte der    der      hoogte.
                               sluizen.   vaargeul.
                 -                -          -         -           -
   1. Van de Franse grens       41,22 m      5,17 m     4,33 m     1,80 m
  tot boven de sluis nr. 5                               (b)       (1,90)
  te Thuin, behalve aan de        -           -         4,05 m
  wegbrug te Lobbes.                                     (b)
   2. Van boven de sluis        40,94 m      5,15 m     4,95 m     1,80 m
  nr. 5 tot beneden de sluis                             (b)       (1,90 m)
  nr. 9 te Landelies.
   3. Van beneden de sluis     109,45 m      6,25 m     4,85 m     1,80 m
  nr. 9 tot beneden de sluis                             (b)       (1,90)
  nr. 10 te
  Monceau-sur-Sambre.
   4. Van beneden de sluis     110,25 m      9,00 m     5,14 m     1,80 m
  nr. 10 tot boven de sluis                              (b)       (1,90 m)
  nr. 13 te Chatelineau (a)       -           -         4,05 m
  uitgenomen aan de                                      (b)
  spoorbrug te Acoz                                      (c)
   4. Van beneden de sluis     110,25 m      9,00 m     5,14 m     1,80 m
  nr. 10 tot boven de sluis                              (b)       (1,90 m)
  nr. 13 te Chatelineau (a)       -           -         4,05 m
  uitgenomen aan de                                      (b)
  spoorbrug te Acoz                                      (c)
   5. Van boven de sluis        70,03 m      5,15 m     4,45 m     1,80 m
  nr. 13 tot boven de                                    (b)       (1,90 m)
  sluis nr. 14 te
  te Farciennes.
   6. Van boven de sluis        46,05 m      5,15 m     4,43 m     1,80 m
  nr. 14 tot beneden de                                  (b)       (1,90 m)
  sluis nr. 21 te Bauce           -           -         4,27 m
  (d) uitgenomen aan de                                  (b)
  wegbrug te Tergnee.
   7. Van beneden de           138,85 m     12,50 m     6,23 m     1,80 m
  sluis nr. 21 tot aan de                                (b)       (2,40 m)
  samenloop met de Maas                                            (e)
  te Namen.
  N.B. 1. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting
  beperkt.
    2. De tussen haakjes vermelde diepgang is slechts bij wijze van
  tolerantie toegelaten. De schippers die er gebruik van maken, varen op
  eigen risico en gevaar.
  (a) Sluis nr. 12 te Montignies-sur-Sambre is buiten gebruik gesteld.
  (b) Bij normale regime kan die hoogte, gemeten boven het officieel
      waterpeil, verminderen door het feit dat het stuwpeil aan de stuwen
      stuwen 0,30 m hoger dan het officieel waterpeil van het bovenpand
      kan zijn, en daarenboven dat de water-spiegel gaat liggen volgens
      een glooiing die 0,10 m per kilometer kan bereiken.
  (c) De vrije hoogte van 4,05 m onder de brug, genaamd "Pont d'Acoz" mag
      wegens de omstandigheden door de hoofdingenieur-directeur van het
      gebied worden gewijzigd. Die wijziging wordt de gebruikers door
      middel van aanplakking ter kennis gebracht.
  (d) Bij afwijking van artikel 1, 2, van het algemeen reglement mogen de
      schepen waarvan de lengte (het roer ingehaald) de op dit vlak
      toegelaten maximumlengte van 45,75 m overschrijdt, er varen voor
      zover de normale bediening van de sluizen mogelijk blijft. De
      schippers, die van die tolerantie gebruik maken, varen op eigen
      risico en gevaar.
  (e) Op het vak 7 van de hiervoren staande tabel bedraagt de gedulde
      diepgang (2,40 m) in de aszone van de rivier op 5,00 m van de oevers;
      het varen en liggen van schepen met (2,40 m) inzinking wordt
      insgelijks geduld in de openbare havens, de private havens en langs
      de oevers, daar waar zulks speciaal ter plaatse is aangeduid.
      Die anduiding geschiedt door middel van op borden of op de walmuren
      geschilderde tekens; die tekens dragen in witte letters op blauwe
      grond de vermelding "(2,40 m)"; ze zijn geplaatst aan elk uiteinde met
      een naar het midden wijzende pijl; in voorkomend geval worden voor
      zeer grote afstanden, op verschillende punten en van tussenborden
      geplaatst, met twee pijlen in elke richting.
      De hierboven bedoelde diepang van (2,40 m) kan ingevolge een gewoon
      bericht van de hoofdingenieur-directeur van het gebied worden
      verminderd; in dat geval zal hij hetzij op het ganse vak, hetzij
      alleen voor bepaalde havens er van worden verminderd.


  Art. 33.2. <KB 17-10-1956, art. 25> In afwijking van het algemeen reglement wordt de scheepvaart noch 's Zondags, noch op O.H. Hemelvaartdag O. L. V. Hemelvaartdag, Allerheiligen, noch op Kerstdag later geopend dan in het reglement is bepaald.
  Art. 33.3. <KB 17-10-1956, art. 25> Het jagen geschiedt :
  1° Van de Franse grens tot de brug in de as der "rue Neuve" te Marchienne-au-Pont, op de linkeroever;
  2° Van die brug tot de brug genaamd "Pont de Philippeville" te Charleroi, op de rechteroever;
  3° Van de brug genaamd "Pont de Philippeville", te Charleroi, tot de brug van de weg Ligny-Denée, te Tamines, op de linkeroever;
  4° van de brug van Tamines tot de brug genaamd "Pont de l'Evêche", te Namen, op de rechteroever;
  5° van de brug genaamd "Pont de l'Evêche" tot de samenloop met de Maas, op de linkeroever voor de opvarende schepen, en op beide oevers voor de afvarende schepen.
  Art. 33.4. <KB 17-10-1956, art. 25> In afwijking van het algemeen reglement, worden de voor een geregelde dienst voor reizigersvervoer gebruikte schepen en de plezierjachten van meer dan drie ton, geschut zodra ze bij de sluis aankomen dus voor alle andere schepen die op schutting wachten, zelfs voor die van een sleep waarvan de schutting aan de gang is.
  Art. 33.5. <KB 17-10-1956, art. 25> Op de Boven-Samber is er hoogwaterregime wanneer het aantal getrokken balken aan de stuw van Solre-sur-Sambre ten minste 8 bedraagt op de Beneden-Samber, wanneer de kleppen der stuw aan Marcinelle met ten minste 65 punten zijn neergelaten.
  Gedurende de tijdperken van "hoogwater" moet de bemanning der afvarende schepen versterkt worden overeenkomstig de voorschriften van artikel 5 van het algemeen reglement.
  De Boven-Samber is in toestand van vloed wanneer het aantal getrokken balken aan de stuw van Solre-sur-Sambre ten minste 15 bedraagt, de Beneden-Samber, wanneer de bodemschuiven van de stuw van Marcinelle ten minste 25 punten zijn opgehaald.
  Gedurende de tijdperken van "vloed" moet de bemanning der op- en afvarende schepen versterkt worden overeenkomstig de voorschriften van artikel 5 van het algemeen reglement.
  Voor zover de bediening van de sluizen mogelijk is, en de vrije hoogte onder de kunstwerken volstaat - waarvan de schippers zich moeten vergewissen - mag bij vloed op eigen risico en gevaar worden gevaren onder de volgende voorwaarden :
  A. Stroomafwaarts :
  De scheepvaart is enkel toegelaten met ledige vaartuigen welke de jaagoever houden, met één man aan land, en met de ledigvarende sleepboten.
  De hoofdingenieur-directeur van het gebied kan evenwel, in zekere panden, wanneer de omstandigheden zulks eisen, een tweede man aan land voorschrijven.
  Daarenboven is de scheepvaart tussen de nieuwe sluis te Namen en de samenvloeiing met de Maas insgelijks toegelaten voor de geladen vaartuigen welke de rechteroever houden.
  B. Stroomopwaarts :
  De scheepvaart is voor al de vaartuigen toegelaten, behalve nochtans op de Boven-Samber waar slechts met geladen vaartuigen mag worden gevaren zo het aantal getrokken balken aan de stuw te Solre-sur Sambre minder dan 20 bedraagt, en op de Beneden-Samber waar slechts met geladen vaartuigen mag worden gevaren, wanneer de bodemschuiven van de stuw van Marcinelle minder dan 60 punten zijn opgehaald. Tussen de nieuwe sluis te Namen en de samnvloeiing met de Maas moeten de vaartuigen, zo dicht mogelijk de linkeroever houden.
  Art. 33.6. <KB 17-10-1956, art. 25> In het dok te Erquelinnes geschiedt het laden en lossen der vaartuigen langs de openbare kaai, van 150 meter lengte, bestaande ten noorden van het dok.
  De vaartuigen moeten zich, vanaf het boveneinde der openbare kaai aaneensluitend in één enkele rij plaatsen.
  Voor het overladen van goederen uit het vaartuig op een spoorwagen of omgekeerd, is een machtiging vereist vanwege de spoorwegdiensten.
  De over te laden goederen mogen niet op de kaai worden opgeslagen. De andere mogen voorlopig worden opgeslagen (uitsluitend binnen de omtrek, die op het bij dit reglement gevoegde plan door de letters a, b, c, d, e, a, is aangegeven), op voorwaarde dat het verkeer der spoorwagens, die bij het overladen gebruikt worden, in niets gehinderd wordt. De opslagplaatsen en de duur van het opslaan worden door de dienst van de waterweg vastgesteld. De duur mag niet meer bedragen dan acht dagen voor de geloste goederen en niet meer dan twaalf dagen voor de in te laden goederen.
  Art. 33.7. <KB 17-10-1956, art. 25> "De voor de "S. A. des Forges de la Providence", te Marchienne-au-Pont en de maatschappij "Solvay et Cie" te Couillet, bestemde lichters mogen in de havens van die fabrieken slechts op ten hoogste twee rijen stilliggen.
  Het stilliggen van ledige vaartuigen is verboden aan de kaaien der fabrieken van de "La Providence" en "Solvay".
  Bij afwijking van het artikel 38, 2°, van het algemeen reglement is het liggen van schepen op twee rijen aan de zijde van het tegenjaagpad op de volgende vakken toegelaten :
  1° benedenwaarts van de werf "Union batelière", te Thuin, en een punt 100 meter bovenwaarts van de stuw te Thuin;
  2° Tussen de spoorbrug van de N. V. "Aciéries et Minières de la Sambre" en de kabelbaan van diezelfde vennootschap;
  3° tussen een punt gelegen 125 meter beneden de brug tot Marchienne-au-Pont en een punt gelegen 50 meter bovenwaarts van de uitmonding van het kanaal van Charleroi naar Brussel;
  4° van het benedeneinde van de kaai van de "Providence" tot een punt, gelegen 50 meter bovenwaarts van de nieuwe monding van het kanaal van Charleroi naar Brussel;
  5° van een punt gelegen 50 meter beneden de brug, genaamd "Pont du Poirier" tot het bovenwaarts gedeelte van de kaai van de salpeterfabriek der fabrieken "Solvay" te Couillet.
  Art. 33.8. <KB 17-10-1956, art. 25> Bij afwijking van het algemeen reglement, bedraagt de voor al de vaartuigen toegelaten maximumsnelheid 120 meter per minuut met betrekking tot de oever. Geen enkele afwijking kan worden toegestaan.
  Art. 33.9. <KB 17-10-1956, art. 25> Behalve bij gevaar en ongeval en voor de aanwezigheidsseinen bij mistig weder mogen de geluidsseinen niet worden herhaald; er mag geen gebruik van gemaakt worden buiten de reglementaire uren van de scheepvaart.
  Art. 33.10. <KB 17-10-1956, art. 25> De vaartuigen worden te Thuin, Marchienne-au-Pont, Couillet, Pont-de-Loup en Namen gemeten.
  Art. 33.11. <KB 17-10-1956, art. 25> De kantoren voor het innen der scheepvaartrechten zijn gevestigd aan de sluizen nr 1 te Solre-sur-Sambre, nr 5 te Thuin, nr 10 te Monceau-sur-Sambre, nr 11 te Marcinelle, nr 13 te Châtelineau, nr 14 te Farciennes, nr 15 te Moignelée, nr 16 te Auvelais, nr 18 te Ham-sur-Sambre en aanb de stuwsluis nr 22 te Namen.
  Art. 33.12. <KB 17-10-1956, art. 25> Het verkeer is verboden voor rijwielen, met of zonder motor, op de uitkragende jaagpaden in de doortocht van Charleroi.
  Dit verbod geldt niet voor de voertuigen door het Bestuur van Bruggen en Wegen toegelaten voor zijn agenten of voor de scheepvaartdienst.
  Art. 33.13. <KB 17-10-1956, art. 25> Het drijven van enige handel aan boord van woon- en varende schepen is volstrekt verboden.
  Art. 33.14. <KB 17-10-1956, art. 25> Buiten de gevallen van dwingende noodzakelijkheid, waarover het Bestuur alleen oordeelt, is het liggen van woonschepen op de Samber en de "Eau d'Heure", streng verboden.
  Art. 33.15. <KB 17-10-1956, art. 25> Het baden is verboden tot 30 meter boven en beneden de stuw, alsmede in de sluizen en hun afleidingen.
  Art. 33.16. <KB 17-10-1956, art. 25> Het gebruik van vlottersboeien ter aanduiding van visplaatsen en om als meertoestel te dienen, is verboden.
  Art. 33.17. <KB 17-10-1956, art. 25> Het plaatsen van vaste meermiddelen mag slechts geschieden met de toelating van de hoofdingenieur-directeur van het gebied.
  Art. 33.18. <KB 17-10-1956, art. 25> § 1. Vis- en plezierbootjes mogen zich niet in de afleidingen der sluizen bevinden tenzij ze op schutting naar een ander pand wachten. In geen geval mogen ze de scheepvaart hinderen.
  § 2. In geen geval mogen ze onbewaakt op meer dan 3 meter van de oever, gemeten van de waterlijn, worden achtergelaten.
  § 3. Na gebruik moeten ze naar de oever worden teruggebracht en stevig worden vastgemeerd.
  Art. 33.19. <KB 17-10-1956, art. 25> Elk niet door mechanische beweegkracht voortbewogen vaartuig, dat door de sluizen nr 10 tot 22 wil varen, moet zowel voor het invaren als voor het uitvaren van voldoende trekmiddelen voorzien zijn, namelijk voor ledige vaartuigen, één paard of twee volwassen mannen; voor geladen vaartuigen, twee paarden of vier volwassen mannen.
  Onverminderd de straffen, bepaald in het algemeen politie- en scheepvaartreglement, verliest elk vaartuig dat niet van die minimum-trekmiddelen is voorzin, zijn schutbeurt en moet het volgens de bevelen van de agenten van de vaartweg stoppen en meren totdat het de bovenvermelde voorschriften zijn nagekomen.
  Art. 33.20. <KB 17-10-1956, art. 25> De vierkante tekens, voorzien van een rode schijf op witte grond, die boven de geulen van zekere bruggen geplaatst zijn, betekenen verbod langs de zo aangeduide geulen door het kunstwerk te varen.
  Art. 33.21. <KB 17-10-1956, art. 25> In de zone waar werken worden uitgevoerd, moeten de schippers zich voegen naar de voorschriften die hun hetzij bij wijze van aanplakbiljetten, hetzij verbaal door het personeel der waterwegen of door het toezichterspersoneel worden gegeven.
  Art. 33.22. <KB 17-10-1956, art. 25> Het is verboden het anker uit te werpen of het te laten slepen.
  Art. 33.23. <KB 17-10-1956, art. 25> Elke sleepboot is er toe gehouden elk schip van zijn sleep buiten de sluis te slepen; hij moet inzonderheid het laatste schip van zijn sleep buiten de sluis slepen alvoren opnieuw de kop te nemen van de trein, derwijze dat de ingang van de stuw voor de in de tegenovergestelde richting varende schepen zo vlug mogelijk zou worden vrijgemaakt.
  Art. 33.24. <KB 17-10-1956, art. 25> In de nabijheid van de sluizen moeten de schippers die op doorwaart wachten, nader bij die kunstwerken komen naarmate de schepen die voor hen zijn, vorderen.
  Ieder schip dat hierbij in gebreke blijft, verliest ipso facto zijn beurt om door de sluis te varen.
  Art. 33.25. <KB 17-10-1956, art. 25> Het voorsteken is verboden tussen de sluis te Marcinelle en de brug te Philippeville."
  Art. 34. SEMOIS EN LESSE.
  Het bevaarbare en vlotbare Belgisch gedeelte van de Semois strekt zich uit van aan de molen Deleau, nabij Herbeumont, tot aan de Franse grens te Bohan (linkeroever), over een lengte van 79,713 meter.
  (Het bevaarbare en vlotbare gedeelte van de Lesse strekt zich uit van de 1° vaste stuw, gelegen op ongeveer 840m beneden de bug genaamd "Pont-à-Lesse", tot aan de samenloop van de Maas te Anseremmen, dat is over een lengte van 2,475 meter.) <KB 24-04-1956, art. 1>
  Art. 34.1. De afmetingen der vaartuigen en vlotten, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, hangen af van het zeer veranderlijk afvoervermogen der rivier.
  Art. 34.2. Het jagen is volkomen vrij en geschiedt volgens de plaatselijke gebruiken, nu op de ene, dan op de andere oever.
  Art. 34.2bis. <Ingevoegd bij KB 25-09-1975, art. 1> De vaart met motorboten of met enig ander door een motor voortgestuwd tuig op de Semois is verboden, behalve te Bouillon, op het vak dat zich uitstrekt van de brug, Pont de France genaamd, aan afstandspunt 31.080, tot 100 m bovenstrooms van de naaldstuw, aan afstandspunt 32.140, waar met een snelheid van ten hoogste 7 km per uur mag worden gevaren met boten waarvan het motorvermogen 5 pk niet overschrijdt.
  Art. 34.3. De scheepvaart en de vlotvaart zijn vrij van alle rechten. Bij wijze van inlichting worden afstandstabellen gegeven.
  Art. 34.4. Zowel wat betreft de peilnagels, de voorzorgen bij hoge waterstand en de doorvaart van vaartuigen, slepen of vlotten, als wat betreft het gebruiken der werktuigen en seinen bestemd om de bediening er van met de nodige snelheid te verzekeren of te vergemakkelijken, moeten de fabrieksbazen zich naar de voorschriften van het bestuur voegen.
  Art. 35. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> DOK VAN VILVOORDE.
  Art. 35.1. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> Het dok van Vilvoorde heeft zijn oorsprong aan de denkbeeldige lijn die zijn twee oevers verbindt en die getrokken is in het verlengde van de kruin van de rechteroever van het kanaal van Brussel naar de Rupel te Grimbergen (afstandspunt 11.580).
  Het strekt zich uit over een lengte van 1 525 meter tot aan de overlaten.
  Art. 35.2. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> De bepalingen van het algemeen reglement van de scheepvaartwegen van het Koninkrijk zijn van toepassing op het dok.
  Art. 35.3. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> De bruikbare breedte onder de ophaalbrug, "Gouletbrug" genoemd, te Grimbergen, is vastgesteld op 20 meter, de maximum diepgang der vaartuigen in het dok is vastgesteld op 2,80 meter.
  Art. 35.4. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> De plezierboten mogen slechts te water worden gelaten op de speciaal daartoe voorziene hellingen.
  Art. 35.5. <Ingevoegd bij KB 11-12-1981, art. 1> Het is verboden te zwemmen of te baden in het dok.
  Art. 36. IJZERGEBIED.
  Ijzer. - Kanaal van Ieper naar de Ijzer. - Kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken (Belgisch gedeelte). - Lokanaal. - Kanaal van Veurne naar Sint-Winoxbergen (Belgisch gedeelte).
  (Het gedeelte van de Ijzer onder beheer van de Staat wordt in twee delen gesplitst : het eerste dat enkel vlotbaar is strekt zich uit van de Franse grens tot een punt 100 meter stroomopwaarts van de brug te Roesbrugge, over een lengte van 2,400 meter; het tweede dat bevaar- en vlotbaar is, strekt zich uit van dit punt tot aan het benedenhoofd der Iepersesluis, te Nieuwpoort, over een lengte van 41,170 meter.) <KB 17-10-1956, art. 26>
  Het Belgisch gedeelte van het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken strekt zich uit van het benedenhoofd der Veurnesluis te Nieuwpoort, tot aan de Franse grens, voorbij Adinkerke, over een lengte van 18,741 meter.
  Het Lokanaal strekt zich uit van het begin, aan de Ijzer, van de toegangsgeul der Fintelesluis tot aan zijn samenloop te Veurne, met het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken, over een lengte van 14,329 meter.
  Het Belgisch gedeelte van het kanaal van Veurne naar Sint-Winoxbergen strekt zich uit van aan de linkeroever van het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken, op 124 meter stroomopwaarts het benedenhoofd van de Duinkerkenbrug te Veurne, tot aan de Franse grens, te Adinkerke, over een lengte van 11,028 meter.
  Art. 36.1. § 1. De bruikbare afmetingen der kunstwerken en de maximum-diepgang der vaartuigen, vermeld in artikel 1 van het algemeen reglement, zijn de volgende :

         Scheepvaartwegen        Bruikbare     Breedte    Vrije    Diepgang.
               en                 lengte         der      hoogte.
            vakken.                der         vaargeul.
                                 sluizen.
               -                    -             -          -        -
  Ijzer :
  I. Van de brug van Roesbrugge      -            4m90       2m50     1m60
  tot aan de brug van Stavele,
  beide inbegrepen.
  II. Van het benedenhoofd der       -            6m20       5m40     1m60
  brug van Stavele, tot aan het
  benedenhoofd der brug van
  Elzendamme.
  III. Van het benedenhoofd          -            5m40       4m35     1m80
  der brug van Elzendamme tot
  aan de monding van het kanaal
  Ieper-Ijzer.
  IV. Van de monding van het         -            7m20       3m95     1m80
  kanaal Ieper-Ijzer tot aan
  het benedenhoofd der
  Hogebrug, te Dixmuide.
  V. Van het benedenhoofd der      45m10          7m30       3m95     1m90
  Hogebrug, te Dixmude, tot      (ieperse
  Nieuwpoort.                    sluis te
                                 Nieuwpoort)
  Kanaal van Ieper naar de
  Ijzer :
  I. Tussen Ieper en het           40m85          5m15       4m05     1m80
  benedenhoofd der brug te       (Sluizen
  Steenstrate.                   van
                                 Boezinge-
                                 Sas en
                                 Boezinge-
                                 Dorp)
  II. Tussen het benedenhoofd        -            6m70        -       1m80
  der brug te Steenstrate en
  de Ijzer.
  Kanaal van Nieuwpoort naar
  Duinkerke :
  I. Tussen de Veurnesluis te      45m10          7m60       4m50     1m90
  Nieuwpoort en het              (Veurnesluis      (a)
  benedenhoofd van de                te
  Nieuwpoortsluis, te Veurne.    Nieuwpoort)
  II. Tussen het bovenhoofd        43m00          5m40       4m50     1m80
  van de Nieuwpoortsluis,        (Nieuwpoort-
  te Veurne                      sluis te
  en de Franse grens.            Veurne)
  Kanaal van Lo ...                47m40          5m20       4m00     1m80
                                 (Fintele-
                                 sluis)
  Kanaal van Veurne naar           25m65          3m50       1m87      (b)
  Sint-Winoxbergen.              (sluis te
                                 Houtem)
  <KB 30-11-1951, art. 4>
  <KB 17-10-1956, art. 27>
  N.B. Het streepje betekent dat geen enkel kunstwerk de afmeting beperkt.
  (a) Aan de voorlopige brug te Wulpen, slechts 5m90.
  (b) Voorlopig onbevaarbaar.


  § 2. De tolerantie die in het algemeen reglement inzake maximum-diepgang der motorvaartuigen is voorzien, is van toepassing op de Ijzer, doch niet op de kanalen die aan het tegenwoordig reglement zijn onderworpen.
  Art. 36.2. § 1. Langs de Ijzer geschiedt het jagen :
  1° Van Roesbrugge tot aan de Uniebrug, op de linkeroever;
  2° Van af deze brug tot aan de Ieperse sluis, te Nieuwpoort, op de rechteroever.
  Van Roesbrugge tot aan de hoeve Van Exem (afstandspunt 29.330) mag het jagen enkel door personen geschieden.
  § 2. Langs het kanaal van Ieper naar de Ijzer, geschiedt het jagen :
  1° Tussen de kaaimuren van het dok te Ieper en de vaste brug te Steenstrate, op de linkeroever;
  2° Tussen deze brug en de Ijzer, op de rechteroever.
  § 3. Langs het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken, geschiedt het jagen op de rechteroever, behalve tussen de Nieuwpoortsluis en de Ieperse brug, te Veurne, waar het op de linkeroever geschiedt.
  § 4. Langs het kanaal van Lo, geschiedt het op de rechteroever.
  § 5. Langs het kanaal van Veurne naar Sint-Winoxbergen geschiedt het jagen :
  1° Tussen Veurne en de Nieuwpoortse brug, op de rechteroever, door personen en door paarden;
  2° Tussen de Nieuwpoortse brug en de Valkenbrug, op de linkeroever, enkel door personen;
  3° Tussen de Valkenbrug en de Cambierbrug, op de rechteroever, door personen en door paarden;
  4° Tussen de Cambierbrug en de Van Heebrug, op de linkeroever, enkel door personen;
  5° Tussen de Van Heebrug en de Franse grens, op de rechteroever, enkel door personen.
  Art. 36.3. In afwijking van het algemeen reglement, wordt de scheepvaart noch 's Zondags, noch op O. H. Hemelvaartdag, Maria-Hemelvaartdag, Allerheiligen, noch op Kerstdag, later geopend dan in het reglement is bepaald :
  1° Op het gedeelte van de Ijzer gelegen tussen de Schoorbakkebrug en Nieuwpoort;
  2° Op het gedeelte van het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken, begrepen tussen de brug te Wulpen en Nieuwpoort.
  Art. 36.4. § 1. In geval van waterschaarste in het kanaal van Ieper naar de Ijzer, kan het bestuur de doorvaart van de sluizen van Boezinge verbieden aan elk op- of afvarend vaartuig, totdat zich een ander vaartuig aanmeldt dat uit de tegenovergestelde richting komt. Dit verbod wordt aan het sluismeesterhuis aangeplakt.
  § 2. Gedurende het zomerseizoen, wanneer het voor de schuttingen nodig is dat in de Ijzer of in het kanaal van Nieuwpoort naar Duinkerken zeewater wordt ingelaten, kan de doorvaart der vaartuigen aan de sluizen gedurende enige uren bij hoog tij gestremd worden.
  § 3. Aan de sluizen te Nieuwpoort worden de uitwateringen aangekondigd als volgt :
  1° Aan de Ieperse sluis, door middel van een rode bol van 1 meter diameter, gehesen aan de mast die bij het sluismeestershuis geplaatst is;
  2° Aan de Veurnesluis, door middel van een rode bol van 65 centimeter diameter, gehesen aan de mast die op de sluiswal geplaatst is.
  Wanneer de uitwateringen slechts door een gedeelte der openingen geschieden, worden de seinen halfstok gehesen.
  Art. 36.5. Langs het kanaal van Ieper naar de Ijzer is het slechts op de hierna opgesomde plaatsen toegelaten vaartuigen te laden en te lossen :
  1° Op de linkeroever van het bovenpand, op het gehucht "De Brikkerij", gelegen tussen de afstandspunten 2,162 en 2,242;
  2° Op de linkeroever van het middenpand, stroomopwaarts de wegbrug te Boezinge, op het vak begrepen tussen het uiteinde van de steenglooiing en een punt gelegen op 100 meter stroomafwaarts hiervan;
  3° Op de linkeroever van het benedenpand, stroomafwaarts de wegbrug te Steenstrate, op het vak begrepen tussen genoemde brug en een punt gelegen op 100 meter stroomafwaarts hiervan;
  4° Op de rechteroever van het benedenpand :
  a) op het vak begrepen tussen een punt gelegen stroomafwaarts 50 meter de sluis te Boezinge-Sas en de buurtweg naar Bikschote;
  b) op de plaats genaamd "Het Brouwerijtje", op afstandspunt 11,545;
  c) stroomafwaarts de brug te Driegrachten, in het gedeelte begrepen tussen het einde van de steenglooiing en een punt gelegen op 100 meter stroomafwaarts de brug.
  Tijdens het stilligen moeten de masten gestreken en de meertouwen wel gespannen zijn. De loopplanken moeten steun nemen op langs de kruin der glooiing gelegde battens, in de grond vastgezet met piketten.
  De vaartuign mogen enkel stilliggen zolang het strikt nodig is om ze te laden of te lossen.
  Deze verrichtingen mogen de dienst der scheepvaart geenszins belemmeren. Desnoods moeten zij ten voordele van deze laatste onderbroken worden.
  Bij voorkomend geval, is het personeel van de stilliggende vaartuigen gehouden hulp te verlenen bij de doorvaart der vaartuigen.
  Art. 36.6. <KB 25-09-1957, art. 15> De vaartuigen kunnen te Diksmuide, Nieuwpoort en Veurne gemeten worden.
  Art. 36.7. De ontvangstkantoren der scheepvaartrechten zijn gevestig (...) (te Nieuwpoort en te Veurne) <KB 12-05-1972, art. 1> <KB 06-06-1988, art. 7>