binnenvaartwetten  
Titel
7 MEI 1984. - Koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 12 juli 1983 op de scheepsmeting. -
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1987 en tekstbijwerking tot 20-02-1998.)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 17-07-1984
Inwerkingtreding : 16-08-1984
Dossiernummer : 1984-05-07/30
Inhoudstafel
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
Omschrijvingen.
Art. 1
Algemeen princiep.
Art. 2
HOOFDSTUK 2. - Vaststellen van bruto- en nettotonnenmaat.
Bruto-tonnenmaat.
Art. 3
Ingesloten ruimten.
Art. 4
Vrijgestelde ruimten.
Art. 5
Vaststelling van de bruto-tonnenmaat.
Art. 6
Vaststelling van de netto-tonnenmaat.
Art. 7
Ladingruimten.
Art. 8
Wijziging van de netto-tonnenmaat.
Art. 9
Berekening van volumes.
Art. 10
Meting en berekening.
Art. 11
HOOFDSTUK 3. _ Meetbrieven.
Aanvragen van een meetbrief.
Art. 12
Verplichtingen van de aanvrager.
Art. 13
Afgifte van een meetbrief.
Art. 14
Model van meetbrief.
Art. 15
Verzoek tot hermeting in geval van betwisting.
Art. 16
Wijziging van de meetbrief.
Art. 17
Verlies van geldigheid van een meetbrief.
Art. 18
Intrekking van de meetbrief.
Art. 19
HOOFDSTUK 4. _ Diverse bepalingen.
Art. 20-24
HOOFDSTUK 5. _ Slotbepalingen.
Art. 25-26, N1, N2, N3
Tekst
HOOFDSTUK 1. - Algemeen.
  Omschrijvingen.
  Artikel 1. 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  a) "wet" : de wet op de scheepsmeting van 12 juli 1983;
  b) "Minister" : de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart behoort;
  c) "bovendek" : het bovenste aan weer en wind blootgestelde volledige dek, voorzien van permanente middelen tot afsluiting, dicht tegen weer en wind, van alle openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het dek, en waar beneden alle openingen in de zijden van het schip zijn voorzien van permanente middelen tot waterdichte afsluiting. Op een schip met een verspringend bovendek, wordt het laagste gedeelte van het blootgestelde dek en de voortzetting van dat gedeelte evenwijdig aan het verhoogde gedeelte als bovendek beschouwd.
  d) "holte naar de mal" : de vertikale afstand gemeten van de bovenkant van de kiel tot de onderkant van het bovendek in de zijde. Bij houten en composietschepen wordt de afstand gemeten vanaf de onderkant van de sponning in de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van de grootspant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de afstand gemeten van het punt waar de lijn, die van het vlakke deel van het scheepsvlak naar hart-schip wordt doorgetrokken, de zijkant van de kiel snijdt.
  Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte naar de mal gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating, alsof de dekstringer van hoekige vorm is.
  Indien het bovendek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte naar de mal moet worden bepaald, wordt de holte naar de mal gemeten tot de lijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt doorgetrokken;
  e) "midscheeps" : het punt gelegen in het midden van de lengte waarbij het voorste eindpunt van deze lengte samenvalt met de voorkant van de voorsteven;
  f) "breedte" : de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de huid bij een schip met een huid van ander materiaal;
  g) "passagiers" : alle personen aan boord met uitzondering van :
  a) de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;
  b) kinderen beneden de leeftijd van één jaar;
  h) "dicht tegen weer en wind" : betekent dat onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen geen water in het schip kan binnendringen;
  i) "zeevaartinspectiereglement" : het koninklijk besluit houdende zeevaartinspectiereglement van 20 juli 1973, zoals nadien gewijzigd.
  (j)"olietanker" : een schip dat beantwoordt aan de omschrijving van olietankschip in voorschrift 1 (4), van bijlage I van Marpol 73/78;
  k)"gescheiden ballast" : de ballast die beantwoordt aan de omschrijving van gescheiden ballast in voorschrift 1 (17), in bijlage I van Marpol 73/78;
  l)"gescheiden-ballasttank" : een tank die uitsluitend gebruikt wordt voor het vervoer van gescheiden ballast;
  m) "olietanker met gescheiden-ballasttanks" : een van gescheiden-ballasttanks voorziene olietanker die door de regering van de vlaggenstaat of door andere namens die Staat daartoe bevoegde instanties is gecertificeerd als olietanker voorzien van gescheiden-ballasttanks. Bedoelde overeenstemming moet door de bevoegde instantie duidelijk worden vermeld in het desbetreffende vak van het bijvoegsel bij het internationale certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie;
  n)"dubbelwandige olietanker" : een olietanker met gescheiden-ballasttanks die gebouwd is overeenkomstig voorschrift 13 F (3) van bijlage I van Marpol 73/78;
  o)"olietanker van een alternatief ontwerp" : een olietanker met gescheiden-ballasttanks die gebouwd is overeenkomstig voorschrift 13 F (4) en (5), van bijlage I van Marpol 73/78;
  p)"Marpol 73/78" : de meest recente versie van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, als gewijzigd bij het bijbehorende Protocol van 1978.) <KB 1998-01-07/60, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  2. Voor de toepassing van dit besluit hebben de omschrijvingen : schip, internationale meetbrief (1969), nationale meetbrief, nieuw schip, bestaand schip, lengte, bruto-tonnenmaat, netto-tonnenmaat en internationale reis dezelfde betekenis als in de wet.
  Algemeen princiep.
  Art. 2. 1. De bruto- en netto-tonnenmaat van een schip wordt vastgesteld door meting en berekening van de volumes van de hiervoor aangemerkte ruimten van het schip overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II.
  (2. De verminderde bruto-tonnenmaat van een olietanker is de bruto-tonnenmaat die als uitkomst wordt verkregen wanneer de bruto-tonnenmaat van de gescheiden-ballasttanks berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, in mindering is gebracht op de totale bruto-tonnenmaat van het schip, berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II.) <KB 1998-01-07/60, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  (2.) De bruto- en netto-tonnenmaat van nieuwe vaartuigtypen, waarvan de bouwkundige kenmerken zodanig zijn dat de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, worden door het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting vastgesteld. <KB 1998-01-07/60, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  HOOFDSTUK 2. - Vaststellen van bruto- en nettotonnenmaat.
  Bruto-tonnenmaat.
  Art. 3. De bruto-tonnenmaat van een schip omvat alle ingesloten ruimten, zoals bepaald in artikel 4, alsook de ruimten die met ingesloten ruimten worden gelijkgesteld bij toepassing van artikel 5, 1.
  Ingesloten ruimten.
  Art. 4. Worden als ingesloten ruimten beschouwd alle ruimten die begrensd worden door de huid van het schip, door vaste of verplaatsbare wanden of schotten, door dekken of bedekkingen, andere dan vast aangebrachte of wegneembare dekzeilen.Onderbrekingen van het dek, openingen in de scheepshuid, in een dek of een bedekking van een ruimte of in de wanden of schotten van een ruimte, zelfs het ontbreken van een wand of een schot, zijn geen reden om een ruimte niet tot de ingesloten ruimten te rekenen.
  Vrijgestelde ruimten.
  Art. 5. 1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 4, worden de ruimten, zoals omschreven in het tweede lid, als vrijgestelde ruimten beschouwd en worden zij niet in het volume van de ingesloten ruimten gerekend, tenzij dergelijke ruimten ten minste aan één van de drie hierna volgende voorwaarden voldoen, in welk geval zij als ingesloten ruimten moeten worden behandeld :
  - de ruimte is voorzien van planken of andere middelen voor het vastzetten van lading of voorraden;
  - de openingen zijn voorzien van middelen tot sluiting;
  - de constructie maakt het mogelijk dat dergelijke openingen worden gesloten.2.a)i) Een ruimte gelegen binnen een opbouw, grenzend aan een eindopening die zich van dek tot dek uitstrekt, uitzondering gemaakt voor een gordijnplaat waarvan de hoogte niet meer dan 25 mm groter is dan de hoogte van de aanpalende dekbalken, en welke opening een breedte heeft van 90 procent of meer van de dekbreedte ter plaatse van de opening.Deze bepaling dient zodanig te worden toegepast dat alleen die ruimte vrijgesteld is van aanrekening als ingesloten ruimten, welke gelegen is tussen de werkelijke eindopening en een lijn evenwijdig aan de lijn of het vlak van de opening en getrokken op een afstand van die opening gelijk aan de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening (zie figuur 1 van bijlage I gehecht aan dit besluit).ii) Indien de breedte van de ruimte door een welkdanige inrichting ook, uitgezonderd het naar elkaar toelopen van de huidbeplating, minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, wordt alleen de ruimte, gelegen tussen de lijn van de opening en een evenwijdige getrokken door het punt waar de dwarsscheepse breedte van de ruimte gelijk aan of minder wordt dan 90 procent van de dekbreedte, niet in de inhoud van de ingesloten ruimten begrepen (zie figuren 2, 3 en 4 van bijlage I, gehecht aan dit besluit).iii) Wanneer een tussenruimte, welke op verschansingen of open relingen na geheel open is, twee willekeurige ruimten van elkaar scheidt, waarvan één of beide op grond van a) i) of a) ii) als vrijgestelde ruimten kunnen beschouwd worden, zal deze vrijstelling niet van toepassing zijn indien de afstand tussen de twee ruimten kleiner is dan de kleinste halve dekbreedte ter plaatse van de scheiding (zie figuren 5 en 6 van bijlage I, gehecht aan dit besluit).b) Een overdekte ruimte, blootgesteld aan weer en wind, met aan de blootgestelde zijden geen andere verbinding met de scheepsromp dan de voor ondersteuning benodigde stutten. In een dergelijke ruimte mogen een open reling of een verschansing en een gordijnplaat worden voorzien of stutten langs de scheepszijde worden aangebracht, mits de afstand tussen de bovenkant van de reling of de verschansing en de gordijnplaat niet kleiner is dan 0,75 m of één derde van de hoogte van de ruimte, welke van beide de grootste is (zie figuur 7, van bijlage I gehecht aan dit besluit).c) Een ruimte binnen een zich van boord tot boord uitstrekkende opbouw, gelegen juist tussen over elkaar liggende zijopeningen met een hoogte van niet minder dan 0,75 m of één derde van de hoogte van de opbouw, welke van beide de grootste is. Indien in een dergelijke opbouw de opening slechts aan één zijde is aangebracht, zal de ruimte die niet in het volume van de ingesloten ruimten wordt gerekend, beperkt worden tot de ruimte binnenwaarts, gelegen van de opening tot een maximum gelijk aan de helft van de dekbreedte ter plaatse van de opening (zie figuur 8 van bijlage I gehecht aan dit besluit).
  d) Een ruimte binnen een opbouw, onmiddellijk gelegen onder een niet afgedekte opening in het daarboven gelegen dek, mits een dergelijke opening aan weer en wind is blootgesteld en de ruimte welke niet als ingesloten ruimte wordt beschouwd, begrensd wordt tot de oppervlakte van de opening (zie figuur 9 van bijlage I gehecht aan dit besluit).
  e) Een nis in een buitenwand van een opbouw, blootgesteld aan weer en wind, waarvan de opening, zonder mogelijkheid tot afsluiting, zich van dek tot dek uitstrekt, mits de breedte binnen de nis niet groter is dan de breedte bij de ingang en mits de lengte van de nis binnen de opbouw niet groter is dan tweemaal de breedte van de ingang (zie figuur 10 van bijlage I gehecht aan dit besluit).
  Vaststelling van de bruto-tonnenmaat.
  Art. 6. (1.) De bruto-tonnenmaat (GT) van een schip wordt bepaald door middel van de volgende formule : <KB 1998-01-07/60, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  GT = K1V
  Waarbij : V = het totale volume van alle ingesloten ruimten van het schip, zoals bedoeld in artikel 3, uitgedrukt in kubieke meters; en
  K1 = 0,2 + 0,02 log10 V.
  De waarde van K1 kan berekend worden ofwel afgeleid worden van de tabel in bijlage II gehecht aan dit besluit.
  "2. De bruto-tonnenmaat van de gescheiden-ballasttanks van olietankers met gescheiden-ballasttanks, met inbegrip van dubbelwandige olietankers en olietankers van een alternatief ontwerp, wordt berekend volgens de volgende formule :
  K1 x Vb,
  waarbij :
  K1 berekend wordt zoals in punt 1 en Vb = het totale volume van de gescheiden-ballasttanks, uitgedrukt in kubieke meter.) <KB 1998-01-07/60, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  Vaststelling van de netto-tonnenmaat.
  Art. 7. 1. De netto-tonnenmaat (NT) van een schip wordt vastgesteld door middel van de volgende formule :

                           4d               N2
               NT = K  V  (--)2  + K  (N  + --)
                     2  c  3D       3   1   10
  waarbij :
     a) de faktor  4d   niet groter dan 1 dient te worden genomen;
                  (--)2
                   3D
                       4d
     b) de term k  V  (--)2 niet kleiner mag zijn dan 0,25 GT; en
                 2  c  3d
     c) NT niet kleiner mag zijn dan 0,30 GT.


  2. De symbolen gebruikt in het eerste lid hebben hierbij de volgende betekenis :Vc = het totale volume van de ladingruimten, zoals omschreven in artikel 8, uitgedrukt in kubieke meters;K2 = 0,2 + 0,02 log10Vc; de waarde van K2 kan berekend worden ofwel afgeleid worden van de tabel in bijlage II gehecht aan dit besluit.

             GT  +  10 000
    K = 1,25 --------------
     3          10 000

D = holte naar de mal midscheeps, uitgedrukt in meter.d = diepgang naar de mal midscheeps, gemeten als omschreven in het derde lid, uitgedrukt in meter;N1 = aantal passagiers in hutten met niet meer dan 8 kooien;N2 = aantal van de overige passagiers;N1 + N2 = totaal aantal passagiers dat het schip mag vervoeren volgens het certificaat van deugdelijkheid voor passagiersschepen; indien N1 + N2 minder is dan 13, worden N1 en N2 geacht gelijk te zijn aan nul;GT = bruto-tonnenmaat van het schip als vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.3. De diepgang naar de mal (d) bedoeld in het tweede lid is gelijk aan één van de hierna volgende diepgangen :a) voor passagiersschepen de diepgang overeenkomende met de hoogst gelegen indelingslastlijn, toegekend overeenkomstig de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement;b) voor schepen, geen passagiersschepen zijnde, waaraan in uitvoering van de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement een vrijboord is toegekend : de diepgang overeenkomende met de uitwateringslijn voor de zomer, geen uitwateringslijn voor houtvaart zijnde, zoals die overeenkomstig de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement is toegekend;c) voor schepen waarop het zeevaartinspectiereglement niet van toepassing is, maar waaraan ter voldoening van andere wettelijke of reglementaire vereisten een uitwatering is toegekend : de diepgang overeenkomende met de aldus toegekende lijn voor zomeruitwatering;d) voor schepen waaraan geen uitwateringslijn is toegekend maar waarvan de diepgang ter voldoening aan wettelijke of reglementaire vereisten is beperkt : de maximale toegestane diepgang;e) voor andere schepen : 75 procent van de holte naar de mal midscheeps gemeten.
  Ladingruimten.
  Art. 8. 1. Ladingruimten, begrepen in de berekening van de netto-tonnenmaat zijn ingesloten ruimten in de zin zoals omschreven in artikel 3, geschikt voor het vervoer van uit het schip te lossen lading, mits zodanige ruimten begrepen zijn in de berekening van de bruto-tonnenmaat.2. De ladingruimten dienen te worden gemerkt met de letters "CC". Deze letters dienen op een duidelijk zichtbare plaats en op duurzame wijze te worden aangebracht en niet minder dan 100 mm hoog te zijn.3. Het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting kan de afgifte van de meetbrief weigeren of een reeds uitgereikte meetbrief opvragen en weerhouden, indien aan het bepaalde in het tweede lid niet is voldaan.
  Wijziging van de netto-tonnenmaat.
  Art. 9. 1. Indien de kenmerken van een schip, met name de in de artikelen 6 en 7 omschreven faktoren V, Vc, d, N1 of N2 worden gewijzigd en indien een zodanige wijziging een vermeerdering van de netto-tonnenmaat, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, ten gevolge heeft, dient de met de nieuwe kenmerken overeenkomende netto-tonnenmaat van het schip zonder verwijl te worden vastgesteld en toegepast.2. Voor een schip waaraan gelijktijdig meerdere uitwateringslijnen zoals bedoeld in 3, a) en 3, b) van artikel 7 zijn toegekend, wordt slechts één netto-tonnenmaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 vastgesteld en die tonnenmaat zal de tonnenmaat zijn overeenstemmend met de uitwateringslijn toegekend voor het vervoer waaraan door het schip wordt deelgenomen.3. Indien de kenmerken van een schip, met name de in de artikelen 6 en 7 omschreven faktoren V, Vc, d, N1 of N2 worden gewijzigd of als de toegekende uitwateringslijn, bedoeld in het tweede lid, is gewijzigd ingevolge een verandering van het door het schip verrichte vervoer, en indien een dergelijke wijziging leidt tot een vermindering van de netto-tonnenmaat van het schip, zoals die is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, mag niet worden overgegaan tot uitgifte van een nieuwe meetbrief, waarop de nieuwe aldus vastgestelde netto-tonnenmaat is vermeld, alvorens 12 maanden zijn verstreken na de datum waarop de geldig zijnde meetbrief was uitgereikt.Deze vereiste is evenwel niet van toepassing :a) als het schip onder de vlag van een andere Staat wordt gebracht;b) als het schip veranderingen of wijzigingen ondergaat, die door het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting geacht worden van een ingrijpend karakter te zijn, zoals bijvoorbeeld het wegnemen van een bovenbouw, waardoor een wijziging van de toegekende uitwateringslijn wordt vereist; of,c) voor passagiersschepen, die worden gebruikt voor het vervoer van grote getallen dekpassagiers tijdens speciale vaarten, zoals bijvoorbeeld het vervoeren van pelgrims.4. Wanneer op grond van één van de voorgaande leden de netto-tonnenmaat van een schip een wijziging ondergaat, wordt met inachtname van het gestelde in het derde lid een nieuwe meetbrief uitgereikt tegen inlevering van de oude meetbrief.
  Berekening van volumes.
  Art. 10. 1. Alle volumes begrepen in de berekening van de bruto- en netto-tonnenmaat, zoals bepaald in artikelen 6 en 7, dienen te worden gemeten, ongeacht aangebrachte isolatie of soortgelijk materiaal, tot de binnenzijde van de huid of van de begrenzingswand bij metalen schepen en tot de buitenzijde van de huid of tot de binnenzijde van de begrenzingswanden bij schepen gebouwd van ander materiaal.2. Het volume van uitbouwsels dient in het totale volume te worden begrepen.3. Het volume van aan de zee openstaande ruimten mag van het totale volume worden afgetrokken.
  Meting en berekening.
  Art. 11. 1. Alle metingen gebruikt bij de berekening van volumes dienen te worden verricht tot op 1 cm nauwkeurig.2. De Minister legt nadere regels vast volgens dewelke de volumes dienen te worden bepaald.3. De berekening dient voldoende gedetailleerd te zijn om gemakkelijke verificatie mogelijk te maken.
  HOOFDSTUK 3. _ Meetbrieven.
  Aanvragen van een meetbrief.
  Art. 12. 1. De aanvraag tot het verkrijgen van eender welke meetbrief dient schriftelijk aan het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting in het district waar het schip zich bevindt, of, indien het schip in het buitenland vertoeft, aan het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting in het district waar de thuishaven van het schip is gevestigd, te worden gericht.2. Indien de aanvrager voor bepaalde ruimten erop aanspraak maakt dat deze ruimten aangemerkt worden als niet in de bruto-tonnenmaat begrepen ruimten, legt hij bij de aanvraag tekeningen voor, welke in detail de bijzonderheden aangeven waarop de aanspraak berust.3. Betreft de aanvraag van een meetbrief een schip, waarvoor niet eerder een meetbrief is afgegeven, dan dient met het oog op de meting van de ruimte onder het bovendek, de aanvraag te worden gedaan zodra het schip van zijn dekken is voorzien, doch voordat in de ruimten isolatie of anderszins is aangebracht, of werktuigen zijn geplaatst.4. Bij de aanvraag van een meetbrief, worden de tekeningen van het schip, evenals alle andere inlichtingen en bescheiden nodig voor het vaststellen van de tonnenmaten, het opstellen van de meetbrief en verificatie van de erin voorkomende gegevens, door de aanvrager aan de Dienst van de scheepsmeting overgelegd.Indien de aanvraag betrekking heeft op een vreemd schip dat onder Belgische vlag wordt gebracht, dient eveneens de buitenlandse meetbrief, of een gewaarmerkt afschrift ervan, te worden overgelegd.Bij de aanvraag van een nieuwe meetbrief wordt tevens de oude meetbrief, met zo mogelijk de afgeleverde afschriften als bedoeld in artikel 15, overgelegd,
  Verplichtingen van de aanvrager.
  Art. 13. 1. De aanvrager van een meetbrief verschaft de met de meting belaste ambtenaren van de Dienst van de scheepsmeting de middelen en de hulp om op een veilige wijze aan en van boord te komen en elk gedeelte van het schip te bereiken.Hij verstrekt hun voorts de nodige tekeningen, welke bij de Dienst van de scheepsmeting blijven berusten, verschaft hun alle gevorderde inlichtingen die voor de uitvoering van hun taak nodig zijn en doet op hun aanwijzingen alle losse voorwerpen verplaatsen die een juiste meting kunnen belemmeren.De aanvrager is er toe gehouden op zijn kosten, overal waar nodig, trappen, ladders of stellingen op te richten, ten einde de met de meting belaste ambtenaren in staat te stellen op een veilige manier de voor het volbrengen van hun taak nodige metingen uit te voeren.2. Het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting kan de afgifte van de meetbrief ophouden tot de aanvrager aan het bepaalde van het eerste lid heeft voldaan.
  Afgifte van een meetbrief.
  Art. 14. 1. Een internationale meetbrief (1969) of een nationale meetbrief, al naargelang van het onderscheid voorzien in de wet, wordt afgeleverd aan een schip waarvan de bruto- en netto-tonnenmaat zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II.
  2. Alvorens dat één van de in het eerste lid genoemde meetbrieven wordt afgegeven aan de scheepseigenaar of zijn lasthebber, dient het nummer van de meetbrief, voorafgegaan door een letter welke het district aanduidt waar de meting werd uitgevoerd en gevolgd door de bruto-tonnenmaat, ten genoegen van het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting op een duidelijk zichtbare plaats in de scheepsstructuur te worden ingeslagen of ingekapt of op een andere goedgekeurde en duurzame wijze te worden aangeduid.
  3. Wanneer een schip bestemd om onder Belgische vlag te varen in het buitenland wordt gebouwd en de bruto- en netto-tonnenmaat, op vraag van het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting, door de plaatselijke bevoegde Overheid wordt vastgesteld, wordt bij het eerste verblijf van het schip in een Belgische haven de aan boord zijnde meetbrief vervangen door een meetbrief uitgereikt door de Dienst van de scheepsmeting op basis van de tonnenmaten vastgesteld door voornoemde Overheid.
  Bij die gelegenheid worden de merken waarvan sprake in het voorgaande lid op de structuur van het schip aangebracht.
  4. Het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting kan de afgifte van de meetbrief ophouden of een reeds uitgereikte meetbrief intrekken tot aan het bepaalde van het tweede of derde lid, al naargelang het geval, is voldaan.
  5. De kapitein, de scheepseigenaar of zijn lasthebber zijn verplicht zorg te dragen dat de in het tweede en derde lid bedoelde merken in stand blijven en zo nodig worden vernieuwd.
  6. Ingeval de meetbrief van een schip verloren gaat kan op vraag van de scheepseigenaar of zijn lasthebber een nieuwe meetbrief ter vervanging worden afgeleverd.
  7. Elke nieuwe meetbrief afgegeven ter vervanging van een oude meetbrief dient in zijn bijvoegsel een verwijzing te bevatten naar de vorige meetbrief of meetbrieven door vermelding van de letter en het nummer bedoeld in het tweede of derde lid, toegekend aan de vroegere meetbrief of meetbrieven, de datum van uitgifte en de naam van het schip.
  8. Aan elk schip dat op grond van de wet betreffende de nationaliteit van zeeschepen en de teboekstelling van zeeschepen en binnenvaartuigen van 2 april 1965 te boek dient gesteld, wordt een bijvoegsel aan de meetbrief, bedoeld in het eerste lid, uitgereikt, waarin de signalementsgegevens van het schip zijn vermeld. Dit bijvoegsel wordt geacht één geheel met de bijhorende meetbrief uit te maken.
  (9. In de internationale meetbrief (1969) wordt onder de rubriek "Opmerkingen" de volgende verklaring met betrekking tot de tonnenmaat van de gescheiden-ballasttanks in olietankers opgenomen :
  "De gescheiden-ballasttanks zijn in overeenstemming met voorschrift 13 van bijlage I van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973, zoals gewijzigd bij het daarop betrekking hebbende Protocol van 1978, en de totale tonnenmaat van die uitsluitend voor het vervoer van gescheiden-ballastwater gebruikte tanks bedraagt ...
  De verminderde voor de berekening van de rechten in aanmerking te nemen bruto-tonnenmaat bedraagt ...".) <KB 1998-01-07/60, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 20-02-1998>
  Model van meetbrief.
  Art. 15. 1. De internationale meetbrief (1969), de nationale meetbrief en het bijvoegsel aan de meetbrief moeten wat vorm en inhoud betreft, in overeenstemming zijn met de modellen opgenomen in bijlage III gehecht aan dit besluit.
  2. Een meetbrief wordt afgegeven in één exemplaar. Bij afgifte van een meetbrief worden, zo nodig, tevens twee afschriften afgegeven voor het aanvragen van een zeebrief en voor de inschrijving in het register van de scheepshypotheekbewaarder.
  3. Op aanvraag van de scheepseigenaar of zijn lasthebber kan door de Dienst van de scheepsmeting eveneens een voor eensluidend verklaard duplicaat van de meetbrief worden afgeleverd.
  Verzoek tot hermeting in geval van betwisting.
  Art. 16. 1. In het in artikel 15 van de wet voorziene geval kan de aanvrager van een meetbrief om een nieuwe meting van de bruto- en netto-tonnenmaat verzoeken. De eerste vaststelling van de bruto- en netto-tonnenmaat wordt geacht juist te zijn indien het verschil tussen de daarbij vastgestelde bruto- of netto-tonnenmaat van het schip en die vastgesteld bij de tweede meting, niet meer bedraagt dan één procent. De uitslag van de tweede meting wordt schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.
  2. Blijkt de eerste vaststelling niet juist te zijn, wordt na de tweede meting een nieuwe meetbrief, met de voorziene afschriften, afgegeven en wordt geen retributie voor die meting aangerekend.
  Bij afgifte van een nieuwe meetbrief worden de na de eerste vaststelling afgegeven exemplaren aan de Dienst van de scheepsmeting teruggegeven.
  Wijziging van de meetbrief.
  Art. 17. Op schriftelijk verzoek van de scheepseigenaar of zijn lasthebber kan het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting, na verrichte controle, door hem gewaarmerkte wijzigingen aanbrengen in de afgegeven meetbrieven en afschriften daarvan, die hun geldigheid niet hebben verloren.
  Verlies van geldigheid van een meetbrief.
  Art. 18. Buiten de gevallen voorzien in de wet, vervalt de geldigheid van een meetbrief, afgeleverd aan een schip dat teboekgesteld staat ten kantore van de hypotheekbewaarder te Antwerpen, indien wijzigingen voorkomen in de naam van het schip, de materialen van de romp, de wijze van voortstuwen, en in voorkomend geval, het vermogen van het voortstuwingswerktuig, zelfs indien deze wijzigingen geen invloed hebben op de tonnenmaten.
  Indien de wijzigingen geen invloed hebben op de bruto- of netto-tonnenmaat van het schip, kan de meetbrief terug geldig gemaakt worden door het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting, die de nodige wijzigingen aan de meetbrief aanbrengt, handelend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 17.
  Intrekking van de meetbrief.
  Art. 19. 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 18, wordt een meetbrief die zijn geldigheid verliest door het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting ingetrokken. Deze intrekking geschiedt door kennisgeving per aangetekende brief aan de kapitein, de scheepseigenaar of zijn lasthebber.2. Onmiddellijk na het verlies van de geldigheid, zijn de kapitein, de scheepseigenaar of zijn lasthebber verplicht de meetbrief en eventueel de afschriften daarvan, in te leveren bij het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting.3. Indien het hoofd van de Dienst van de scheepsmeting vermoedt dat een meetbrief zijn geldigheid heeft verloren, kan hij van de kapitein, de scheepseigenaar of zijn lasthebber vorderen dat de meetbrief en afschriften daarvan, bij hem worden ingeleverd. De betrokken persoon is verplicht onverwijld aan de vordering te voldoen.
  HOOFDSTUK 4. _ Diverse bepalingen.
  Art. 20. De wet is eveneens van toepassing op alle vaartuigen die onder toepassing vallen van de wet op de veiligheid der schepen van 5 juni 1972, met uitzondering van pleziervaartuigen tenzij de eigenaars hiervan een meetbrief verlangen.
  Art. 21. <wijzigingsbepaling>
  Art. 22. <wijzigingsbepaling>
  Art. 23. Behalve voor wat de toepassing betreft, waarvan sprake in artikel 22 van dit besluit, wordt het Algemeen Reglement voor de meting van zeeschepen, gehecht aan het koninklijk besluit van 2 december 1897 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 januari 1909, 20 maart 1923, 16 januari 1927, 15 februari 1946 en 18 juni 1965, opgeheven.
  Art. 24. <wijzigingsbepaling>
  HOOFDSTUK 5. _ Slotbepalingen.
  Art. 25. De wet en dit besluit treden in werking 30 dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
  Art. 26. De Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Art. N1. Bijlage I : Figuren bedoeld in artikel 5 van dit besluit.<Om technische reden werd die bijlage niet opgenomen. Zien B.St. 17-07-1984, p. 10283>
  Art. N2. Bijlage II : Coëfficiënten K1 en K2, bedoeld in artikelen 6 en 7 van dit besluit.<Om praktische reden werd die bijlage niet opgenomen. Zien B.St. 17-07-1984, p. 10289>
  Art. N3. Bijlage III : Internationale en nationale meetbrieven.De Internationale meetbrief (1969), de nationale meetbrief en het bijvoegsel aan de meetbrief dienen wat vorm en inhoud betreft overeen te stemmen met de hiernavolgende modellen :model 1 : Internationale meetbrief (1969). <B.St. 17-07-1984, p. 10291>model 2 : nationale meetbrief. <B.St. 17-07-1984, p. 10295>model 3 : bijvoegsel aan de meetbrief. <B.St. 17-07-1984, p. 10299>
Aanhef
   Gelet op de wet van 12 juli 1983 op de scheepsmeting, inzonderheid artikel 17;
   .....
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat het internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, en van de Bijlagen, opgemaakt te Londen op 23 juni 1969 in werking is getreden en onverwijld uitvoeringsmaatregelen dienen genomen ten einde de onmiddellijke toepassing van het Verdrag en de wet op de meting van Schepen te kunnen verzekeren;
   Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie.
Wijziging(en)
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
BEELD :
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-01-1998 GEPUBL. OP 20-02-1998
  • (GEWIJZIGDE ART. : 1;2;6;14)