binnenvaartwetten  
Titel
23 OKTOBER 1989. - Koninklijk besluit houdende goedkeuring van de resoluties nr. 36 van 5 mei 1988 en nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart met betrekking tot het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen.

Bron :
VERKEERSWEZEN.BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 05-01-1990
Inwerkingtreding : 01-01-1989 (ART. N1)    ***    01-04-1989 (ART. N2)
Opheffing : 31-03-1992 (ART. N2)
Dossiernummer : 1989-10-23/43
Inhoudstafel
Art. 1-3
Bijlagen.
Art. N1-1N1, N2-1N2
Tekst
Artikel 1. § 1. De resolutie nr. 36 van 5 mei 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, waarvan de tekst voorkomt in de bijlage 1 bij dit besluit, is goedgekeurd.
  § 2. De directeur-generaal van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart is, voor België, belast met de goedkeuring van de types van tachografen die het voorwerp uitmaken van de resolutie nr. 36 van 5 mei 1988 bedoeld in § 1 van dit artikel.
  Art. 2. § 1. De resolutie nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, waarvan de tekst voorkomt in de bijlage 2 bij dit besluit, is goedgekeurd.
  § 2. De directeur-generaal van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart is, voor België, belast met de erkenning van gespecialiseerde firma's voor de installatie van tachografen in de Rijnvaart, die het voorwerp uitmaken van de bijlage I, deel B, cijfer 1, zoals ze werd aangevuld bij resolutie nr. 30 van 24 november 1988, bedoeld in § 1 van dit artikel.
  Art. 3. Onze Minister van Verkeerswezen en Onze Minister van Buitenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 23 oktober 1989.
  BOUDEWIJN
  Van Koningswege :
  De Minister van Verkeerswezen,
  J.-L. DEHAENE
  De Minister van Buitenlandse Zaken,
  M. EYSKENS
  Bijlagen.
  Art. N1. Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen. - Resolutie nr. 36 van 5 mei 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. - Reglement voor Onderzoek. Eisen waaraan tachografen moeten voldoen.
  I. De Centrale Commissie,
  Op voorstel van haar Comité van het Reglement voor Onderzoek, hecht haar goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde amendement op het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen.
  Dit amendement zal van kracht zijn op 1 januari 1989.
  II. De Centrale Commissie,
  Verleent aan de Oeverstaten en aan België machtiging tot goedkeuring van de types van tachografen als bedoeld in artikel 14.05 van het Reglement voor Onderzoek. De typegoedkeuring gebeurt overeenkomstig de bepalingen van bijlage I van het Reglement voor Onderzoek. De door een Oeverstaat of door België erkende types van tachografen zullen worden beschouwd als types die door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn goedgekeurd. Iedere Staat zal aan het Secretariaat van de Centrale Commissie schriftelijk kennis geven van de types van tachografen die aldaar worden erkend. Het Secretariaat zal een lijst bijhouden van de erkende types van tachografen en zal deze aan de Rijnoeverstaten en aan België overzenden.
  Art. 1N1. Bijlage bij de resolutie nr. 36 van 5 mei 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
  Bijlage I moet bij het Reglement voor Onderzoek worden gevoegd :
  Eisen waaraan de tachografen moeten voldoen.
  1. Bepaling van de vaartijd van het schip.
  Om te bepalen of het schip al of niet vaart, moet het draaien van de schroef vanop een geschikte plaats kunnen worden vastgesteld. Indien het schip niet door een schroef wordt aangedreven, moet de beweging van het schip vanop een geschikte plaats op een gelijkwaardige manier kunnen worden opgetekend. Als het schip met twee of meer schroefassen is uitgerust, moet alles kunnen worden geregistreerd zodra een van de assen begint te draaien.
  2. Identificatie van het schip.
  Het officieel scheepsnummer moet op het registratieblad op onuitwisbare wijze zijn ingeschreven en moet daarvan kunnen worden afgelezen.
  3. Registratie op het registratieblad.
  Moeten op onvervalsbare wijze op het registratieblad worden geregistreerd en ervan kunnen worden afgelezen : de uitbatingswijze van het schip, de datum en het uur waarop de tachograaf al of niet in werking is, het plaatsen en het verwijderen van het registratieblad alsmede andere bedieningshandelingen aan het toestel. Het uur, het plaatsen en het verwijderen van het registratieblad, het openen of het sluiten van het toestel alsmede de onderbreking van de stroomvoorziening moeten door de tachograaf automatisch worden geregistreerd.
  4. Duur van de registratie per dag.
  Alle dagen van 00.00 u. tot 24.00 u. moeten de datum alsmede het uur waarop de as begint en ophoudt te draaien, continu worden geregistreerd.
  5. Aflezing van de geregistreerde gegevens.
  De registratie moet eenduidig, gemakkelijk af te lezen en vlot te begrijpen zijn. De aflezing van de registratie moet op ieder ogenblik zonder bijzondere hulpmiddelen mogelijk zijn.
  6. Optekening van de geregistreerde gegevens.
  De geregistreerde gegevens moeten ten allen tijden op overzichtelijke wijze opgetekend ter beschikking kunnen gesteld worden, zodanig dat ze vlot kunnen gecontroleerd worden.
  7. Betrouwbaarheid van de registratie.
  Het draaien van de schroef moet op zodanige wijze worden geregistreerd, dat vervalsing is uitgesloten.
  8. Nauwkeurigheid van de registratie.
  Het draaien van de schroef moet nauwkeurig in de tijd geregistreerd worden. Het aflezen van de registratie moet met een nauwkeurigheid van vijf minuten mogelijk zijn.
  9. Bedrijfsspanningen.
  Schommelingen van de bedrijfsspanning tot +/- 10 pct. van de nominale spanning mogen de goede werking van het toestel niet belemmeren. Bovendien moet de installatie zonder beschadiging van haar werkingscapaciteit bestand zijn tegen een toename van de voedingsspanning met 25 p.c. boven de nominale spanning.
  10. Bedrijfsvoorwaarden.
  De goede werking van de toestellen of van de onderdelen moet verzekerd zijn onder de volgende voorwaarden :
  - Omgevingstemperatuur : van 0 °C tot + 40 °C;
  - Vochtigheid : tot 85 p.c. relatieve luchtvochtigheid;
  - Soort van elektrische beveiliging : IP 54 volgens de ECI-richtlijn 529;
  - Oliebestendigheid : voor zover de apparaten of onderdelen daarvan bestemd zijn om in machinekamers te worden geplaatst, moeten deze oliebestendig zijn;
  - Toegestane afwijking van de tijdregistratie : min of meer twee minuten per vierentwintig uren.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 oktober 1989.
  BOUDEWIJN
  Van Koningswege :
  De Minister van Verkeerswezen,
  J.-L. DEHAENE
  De Minister van Buitenlandse Zaken,
  M. EYSKENS
  Art. N2. Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen. - Resolutie nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. - Reglement voor Onderzoek. Eisen waaraan tachografen moeten voldoen en voorschriften aangaande hun installatie aan boord.
  De Centrale Commissie,
  Op voorstel van haar Comité van het Reglement voor Onderzoek en overeenkomstig artikel 1.08 van het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen, hecht haar goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde amendementen en aanvullingen op bijlage I van het Reglement voor Onderzoek.
  Deze amendementen en aanvullingen zullen van kracht zijn van 1 april 1989 tot 31 maart 1992.
  Art. 1N2. Bijlage bij de resolutie nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor Rijnvaart.
  De titel van bijlage I moet aangevuld worden als volgt :
  Eisen waaraan de tachografen moeten voldoen en voorschriften aangaande hun installatie aan boord.
  (De toegevoegde tekst is onderstreept)
  - De volgende ondertitel moet in de huidige tekst ingelast worden :
  " A. Eisen waaraan de tachografen moeten voldoen ".
  - Bijlage I wordt aangevuld met het volgende nieuw deel B :
  " B. Voorschriften aangaande de installatie van tachografen aan boord "
  Bij de installatie van tachografen aan boord moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen :
  1. Tachografen mogen slechts worden geďnstalleerd door gespecialiseerde firma's die erkend zijn door de bevoegde autoriteit.
  2. De tachograaf moet in de stuurhut of op een andere goed toegankelijke plaats geďnstalleerd zijn.
  3. Het moet zichtbaar zijn of het toestel in werking is. Het toestel moet permanent door elektrische energie gevoed worden door middel van een stroomkring, die beveiligd moet zijn tegen onderbrekingen, die voorzien moet zijn van een eigen beveiliging door smeltzekeringen en die rechtstreeks moet verbonden zijn met de energiebron.
  4. De informatie over de beweging van het schip, d.w.z. betreffende het feit of het schip " vaart " dan wel of het " opgehouden heeft met varen ", wordt afgeleid uit de beweging van de voortstuwingsinstallatie. Het bijbehorende signaal moet worden afgeleid uit het draaien van de schroef, de schroefas of de werking van de voortstuwingsinstallatie. In geval van andere soorten voortstuwingssystemen moet een gelijkwaardige oplossing gevonden worden.
  5. De technische voorzieningen met betrekking tot de registratie van de beweging van het schip moeten geďnstalleerd worden met een maximale werkingsveiligheid en zodanig dat zij beveiligd zijn tegen onrechtmatig ingrijpen. Hiertoe moet de leiding voor de overbrenging van de signalen van de voortstuwingsinstallatie naar het toestel (inbegrepen de signaalgever en de ingang tot het registratietoestel) door geschikte maatregelen worden beveiligd en moet onderbreking van de stroom worden gesignaleerd.
  Geschikt hiervoor zijn bijvoorbeeld loding of verzegeling die voorzien zijn van bijzondere kentekens, alsmede in het zicht aangelegde leidingen en gesignaliseerde stroomkringen.
  6. De gespecialiseerde firma die de installatie heeft geplaatst, of er heeft op toegezien, voert na de beëindiging van de installatie een werkingsattest uit. Zij geeft een attest af waarop de bijzondere kenmerken van de installatie zijn vermeld (in het bijzonder plaats en aard van loding of verzegeling alsook hun kentekens en plaats en aard van de controle-inrichting) en waaruit de goede werking van de installatie blijkt; dit attest moet tevens de gegevens van het goedgekeurde registratietoestel bevatten. Na elke vernieuwing, wijziging of reparatie is een nieuw werkingsattest noodzakelijk, waarvan melding moet gemaakt worden in het attest.
  Het attest moet minstens de volgende gegevens bevatten :
  - naam, adres en kenteken van de erkende firma die de installatie heeft geplaatst of er toezicht op uitgeoefend heeft;
  - naam, adres en telefoonnummer van de bevoegde autoriteit die de firma erkend heeft;
  - officieel scheepsnummer;
  - type en serienummer van de tachograaf;
  - datum van de werkingstest.
  De geldigheidsduur van het attest is vijf jaar.
  Het attest dient als bewijs dat het hier gaat om een goedgekeurde tachograaf, dat door een erkende firma werd geďnstalleerd en dat een test betreffende de goede werking ondergaan heeft.
  7. De scheepsleiding moet door de erkende firma ingelicht worden over het gebruik van het toestel en een aan boord te bewaren handleiding, moet worden overhandigd. Dit moet op het attest, betreffende de installatie aan boord, vermeld worden.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 oktober 1989.
  BOUDEWIJN
  Van Koningswege :
  De Minister van Verkeerswezen,
  J.-L. DEHAENE
  De Minister van Buitenlandse Zaken,
  M. EYSKENS
Aanhef
   BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Overeenkomst tussen het Groothertogdom Baden, Beieren, Frankrijk, het Groothertogdom Hessen, Nederland en Pruisen voor de Rijnvaart, getekend op 17 oktober 1868 te Mannheim, inzonderheid op artikel 46, gewijzigd door de overeenkomst van 20 november 1963, goedgekeurd door de wet van 4 februari 1967;
   Gelet op het Reglement betreffende het Onderzoek van Rijnschepen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 30 maart 1976, zoals achteraf gewijzigd, inzonderheid op de artikels 1.08 en 14.05;
   Gelet op de resoluties nr. 36 van 5 mei 1988 en nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat de resoluties nr. 36 van 5 mei 1988 en nr. 30 van 24 november 1988 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart op het internationaal vlak respectievelijk in werking zijn getreden op 1 januari 1989 en 1 april 1989 en dat het hoogdringend is de toepassing ervan te bekrachtigen in het intern recht;
   Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen en Onze Minister van Buitenlandse Zaken,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :