binnenvaartwetten  
Titel
21 DECEMBER 1993. - Collectieve Arbeidsovereenkomst van 21 december 1993, gesloten in het Paritair ComitÚ voor de binnenscheepvaart, houdende co÷rdinatie van sommige bepalingen van het raamakkoord van 7 juni 1993 betreffende het Protocol van akkoord 1993-1994.

Bron :
TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 25-05-1996
Inwerkingtreding : 01-01-1994
Dossiernummer : 1993-12-21/39
Inhoudstafel
Toepassingsgebied :
Art. 1
Arbeidsduur :
Art. 2-3
Overwerk :
Art. 4
Betaling van overwerk :
Art. 5
Nachtrust :
Art. 6-7
Nachtrustverkorting :
Art. 8
Zondagsrust :
Art. 9
Betaling van werk op zondag :
Art. 10
Lonen :
Art. 11
Loon van de scheepsjongen :
Art. 12-17
Laden en lossen van schepen op de rede te Antwerpen :
Art. 18-36
Tekst
Toepassingsgebied :
  Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen welke onder het Paritair ComitÚ voor de binnenscheepvaart ressorteren, met uitzondering van de ondernemingen welke zich bezighouden met het slepen, duwen of voorttrekken van zeeschepen op de binnenwateren.
  Arbeidsduur :
  Art. 2. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 en de krachtens of in uitvoering van deze wet genomen koninklijke besluiten, wordt de arbeidsduur bepaald op acht uur per dag, van maandag tot en met vrijdag.
  Art. 3. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet vangt de arbeidstijd, zowel tijdens als buiten de vaart, ten vroegste aan om 6 uur en ten laatse om 8 uur.
  Overwerk :
  Art. 4. Alle prestaties verricht tijdens de vaart, na 16 uur of uiterlijk na 18 uur en buiten de vaart na 14 uur of uiterlijk om 16 uur, naargelang de arbeidstijd aanvangt ten vroegste om 6 uur of uiterlijk om 8 uur, worden beschouwd als overwerk.
  Betaling van overwerk :
  Art. 5. Wanneer voor de behoeften van de werkgever-scheepsexploitant of van de reder, de arbeidsduur wordt overschreden, worden overlonen betaald welke per uur arbeidsprestaties minstens gelijk zijn aan 1/173,33 van het maandloon, verhoogd met 50 pct.
  Nachtrust :
  Art. 6. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet en de krachtens of in uitvoering van deze wet genomen koninklijke besluiten in verband met de jeugdige werknemers, heeft de bemanning tijdens de vaart recht op een nachtrust welke niet korter mag zijn dan :
  a) 12 uren gedurende de maanden november, december, januari en februari;
  b) 10 uren gedurende de maanden maart, april, mei, juni, juli, augustus, september en oktober.
  De nachtrust moet gelegen zijn tussen 18 en 8 uur.
  Art. 7. Bij afwijking van artikel 6 kan de nachtrust worden verkort :
  a) met ten hoogste twee uren, wanneer aan bederf onderhevige goederen worden vervoerd;
  b) ter voorkoming van bederf van goederen, doch slechts wanneer deze goederen worden vervoerd aan boord van schepen welke afzonderlijk worden gesleept of aan boord van motorschepen;
  c) in geval van ongeval of hulpverlening, overstroming, storm of plotseling ijsgevaar;
  d) op de dag van aankomst in de haven van eindbestemming, op voorwaarde dat de arbeidsduur van de bemanning aan boord op die dag niet wordt verlengd, tot na 22 uur;
  e) in geval tijdens de reis blijkt dat de aansluiting met een zeeschip zou kunnen worden gemist.
  In de Rijn- en tankvaart kan de nachtrust bovendien nog worden verkort :
  a) met de tijd voor het schutten, of met ten hoogste twee uren voor het binnenvaren of aankomen in Belgische of Zeeuwse tijhavens alsmede in de haven van Dordrecht, komende van BelgiŰ of Zeeland;
  b) tijdens de reis boven Koblenz, in geval van onvoorziene en snelle val van het water en voor ten hoogste ÚÚn nacht ten einde het lichten te vermijden.
  Nachtrustverkorting :
  Art. 8. Wanneer de nachtrust wordt verkort, wordt elk uur arbeidsprestatie minstens vergoed met 1/173,33 van het maandloon vermeerderd met 50 pct. en dit onafhankelijk van het feit of de nachtarbeid al dan niet wordt gecompenseerd.
  Zondagsrust :
  Art. 9. De zondagen en de in BelgiŰ voorziene feestdagen zijn rustdagen voor de werklieden en de werksters bedoeld in artikel 1 ongeacht de plaats waar de vaartuigen zich bevinden.
  Betaling van werk op zondag :
  Art. 10. Onverminderd de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971, alsmede de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft het varend personeel voor werk op zondag recht op betaling van 8/173,33 van het maandloon, ongeacht de duur van de arbeidsprestaties, te verhogen met :
  a) voor arbeidsprestaties van maximum acht uren en minder :
  - 1/173,33 van het maandloon per uur arbeidsprestatie;
  b) voor arbeidsprestaties van meer dan acht uren, dus vanaf het negende uur :
  - het dubbel van hetgeen is voorzien onder a).
  Lonen :
  Art. 11. De minimum maandlonen van het varend personeel dat is tewerkgesteld aan boord van de binnenschepen voor vrachtvervoer met of zonder mechanische voortbewegingsmiddelen worden als volgt vastgesteld :

                                      I. Schippers
                                    Binnen- en Rijnvaart   Tankvaart
                                              F                   F
  Schepen tot 750 ton                       55 580              57 416
  Schepen vanaf 750 tot 1 500 ton           62 822              65 882
  Schepen vanaf 1 500 tot 2 250 ton         64 250              66 800
  Schepen vanaf 2 250 ton en meer           65 780              68 840



         II. Stuurlieden in binnen-, Rijn- en tankvaart voor sleep-
             en motorschepen
           met patent                         zonder patent
             50 276 F                            48 746 F



                            III. Matrozen
                                    Minder dan twee jaar   Vanaf twee jaar
                                     dienst in het beroep   dienst in het
                                                            beroep
                                              F                   F
  Matrozen                                  44 666              45 788
  Matroos-motordrijver                      45 584              46 706


  IV. Scheepsjongens van :

  17 jaar en ouder :                                          40 178 F
  na een jaar dienst :                                        42 116 F
  16 jaar :                                                   35 996 F
  na een jaar dienst :                                        37 628 F
  15 jaar :                                                   31 814 F
      V. Sleepbootpersoneel :
  Kapitein                                                    58 232 F
  Machinist-stuurman :                                        58 028 F


  De minimumlonen voor het personeel van de ondernemingen voor het vervoer van personen inzonderheid de pleziervaart en de veerdiensten, worden als volgt vastgesteld :

      I. Schippers :
  tot en met 100 passagiers :                                 65 984 F
  van 101 tot en met 250 passagiers :                         69 146 F
  vanaf 251 passagiers :                                      71 594 F
      II. Stuurlieden :
  tot en met 100 passagiers :                                 50 174 F
  van 101 tot en met 250 passagiers :                         52 622 F
  vanaf 251 passagiers :                                      54 968 F
      III. Matrozen :
  Alle schepen :
  minder dan 2 jaar dienst in het beroep :                    46 196 F
  vanaf 2 jaar dienst in het beroep :                         47 420 F


  Het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van de meerderjarige werklieden en werksters in de binnenscheepvaart, die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, bedraagt van 1 april 1993 42 728 F.
  Loon van de scheepsjongen :
  Art. 12. Het volle matrozenloon is verschuldigd aan de scheepsjongen van zeventien jaar en ouder die minstens twee jaar, rekening houdend met effectieve en/of gelijkgestelde dagen, als lid van de dekbemanning op de binnenwateren heeft gevaren.
  Omzetting en berekening van het maandloon :
  Art. 13. Wanneer ingevolge bijzondere omstandigheden, de minimum maandlonen en -vergoedingen welke zijn vastgesteld in de artikelen 11, 24 en 29 in een dagloon of een dagvergoeding moeten worden omgezet, mag dit bedrag per dag arbeidsprestaties in geen geval lager zijn dan 8/173,33 van het maandloon of de maandvergoeding.
  Bij toepassing van artikel 20 van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen, is elke begonnen dag geheel verschuldigd.
  Art.